De rechtvaardiging van geweld:

2. Psychodynamische processen en mechanismen


Dr. J.M.G. van der Dennen
Vakgroep rechtstheorie, sectie Politieke Wetenschappen
(voorheen Polemologisch Instituut), Rijksuniversiteit Groningen

Inleiding

Mensen hebben een (vrijwel) universele neiging en klaarblijkelijke behoefte om hun geweldgebruik niet alleen voor anderen maar ook, of zelfs meer nog, voor zichzelf te rechtvaardigen, goed te praten en zichzelf te ontlasten van schuldgevoel. Ze willen de druk van een kwaad geweten wegnemen en zichzelf letterlijk en figuurlijk `verschonen'.
In een vorig artikel (Transaktie, 24, 4, 1995) heb ik specifiek de (ideologische) rechtvaardiging van oorlog behandeld, als prominent aspect van de rechtvaardiging van geweld in het algemeen. Dit artikel gaat over de vele psychische mechanismen die Homo sapiens sapiens ontwikkeld heeft om zichzelf te distantiëren van zowel slachtoffer als daad; de alibi's en (zelf-)deceptie-strategieën om zichzelf vrij te pleiten van verantwoordelijkheid en schuld, en de eufemistische her-etikettering van de eigen daden ten opzichte van de ander.

Geweld: de Ambivalentie

Geweld is het eeuwige probleem waarvoor het zichzelf als oplossing aanbiedt1. Geweld werd en wordt gebruikt wanneer mensen denken dat er geen andere uitweg, geen alternatief, geen andere manier is om de situatie aan te kunnen; of als ze geweld beschouwen als een effectieve, legitieme en gesanctioneerde - hoewel misschien betreurenswaardige - manier om problemen of conflicten op te lossen2; of (minder vaak) als ze een of andere vorm van genoegen, lustbeleving aan geweld ontlenen3. Mensen zullen geweld gebruiken zolang ze denken dat met geweld iets te `winnen' is dat op geen andere manier kan worden gerealiseerd: uit doodsnood, wanhoop, ondraaglijk geworden frustratie, morele verontwaardiging om het lot van anderen, drift, woede, razernij, angst; maar ook uit koele berekening, machtswellust, bezitsdrang; of uit een hartgrondige haat jegens de ordening van de samenleving of jegens de mensheid in het algemeen4.
De machthebbers gebruiken geweld in naam van de gevestigde, heilige of `godgegeven' orde. De onderdrukten gebruiken geweld in naam van de rechtvaardigheid, gerechtigheid, vrijheid. De gemangelde groep daartussenin gebruikt geweld in naam van de angst. Sinds onheugelijke tijden leerde de mens zijn medemens domineren met geweld of de dreiging met geweld, respectievelijk het exploiteren van zijn gevoeligheid voor pijn en het speculeren op zijn potentieel aan (doods)angst. Het probleem van de geweldsrechtvaardiging, zo oud als de mensheid zelve, kan als volgt worden geformuleerd: Hoe kan ik smerige trucs uithalen zonder vuile handen te maken en met een rein geweten? Kortom: de receptuur van de schuldvrije slachting. De oplossingen die de mensheid hiervoor heeft gevonden vormen een ware hommage aan zijn vindingrijkheid.

Een diepe ambivalentie t.o.v. geweld kan gemakkelijk worden geconstateerd bij de meeste, zo niet alle, mensen5. Mensen zijn blijkbaar niet vies van geweld, onderhouden een haat-liefde relatie met geweld, of houden van geweld, soms in het geniep, heimelijk, soms zeer openlijk6. De celluloid-amusementsindustrie draait op geweld. De boulevardpers drijft op de thema's sex en geweld, liefst in combinatie. De pornografie van het geweld tiert welig in de jeugdstrips. Geweld heeft entertainment-waarde. Afgebeeld geweld, zelfs het meest wrede en sadistische, wekt blijkbaar niet alleen maar afkeer, walging, maar tevens vreemde, soms beangstigende, lustgevoelens7 - `klammheimliche Freude'. Maar ook het meest bizarre en weerzinwekkende echte geweld kan rekenen op een zekere mate van populaire goedkeuring (Lt. Calley bleek bijv. ongehoord populair in Amerika tijdens de justitiële nasleep van het MyLai massacre)8. "The horrors make the fascination" schreef William James al in 19079. Zoals Hoefnagels (1980) het in een prachtig aforisme uitdrukt: "Al zijn we wettig getrouwd met de vrede, naast haar koesteren we de maîtresse van het geweld"10. Geweld is walgelijk en fascinerend tegelijkertijd. Geweld is angstwekkend, maar ook spannend en spectaculair. Smerig en glorieus. Afstotend maar tegelijkertijd aantrekkend. Geweld vernietigt, verwondt, verminkt en doodt, en kan desondanks bevruchtend zijn, vernieuwend, scheppend. Geweld is in onze cultuurgeschiedenis zowel vergoddelijkt als verduiveld, gebanaliseerd en geadoreerd, zowel geïndoctrineerd als verketterd. De mensheid heeft zijn leven zin en betekenis gegeven tussen gewelddadige scheppingsmythen (de schepping als gewelddaad van de goden) en even gewelddadige ondergangsmythen (maar ditmaal mensenwerk).

Onze ambivalentie t.o.v. geweld leidt tot een diepvretende hypocrisie, een alles-doortrekkende dubbele moraal11. Naast het verbaal beleden religieus-morele gebod `de andere wang toe te keren' hanteren we in de praktijk liever de primitieve vorm van gerechtigheid: het `oog om oog, tand om tand', de lex talionis, de wet van de vergelding12. Onze afkeer van het geweld van anderen wordt slechts overtroffen door onze inventiviteit om ons meest abjecte gedrag in de edelste motieven en fraaiste rechtvaardigingen te kleden. Mensen blijken verbluffend vindingrijk wanneer het erom gaat eigen geweld goed te praten. Zelfs kleuters weten al dat je een knokpartij nooit zelf moet beginnen, maar moet uitlokken door de tegenstander zolang te provoceren en te treiteren totdat hij begint (een tactiek die ook staten niet vreemd is). "..Ja maar hij is begonnen, en bovendien vroeg-ie erom". De schuld van het geweld ligt meestal bij de andere partij, zelden bij onszelf. We zijn zelfs geneigd de term geweld te reserveren voor de daden van de ander, terwijl onze eigen daden een semantische cosmeticakuur ondergaan en als zelfverdediging, noodweer, of als gerechtvaardigde straf (de aloude tactiek van blaming the victim) worden gemaskeerd en goedgepraat - waarbij het doel de middelen heiligt, en de middelen het doel. Geweld, zoals schoonheid, is very much in the eye of the beholder. Geweld wordt met een dik patina van zelfrechtvaardiging, ratiomorfe nonsens en pathos overdekt:
"Men and women first construct towering systems of theology and religion, complex analyses of racial character and class structure, or moralities of group life and virility before they kill one another. Thus they fight for protestantism or Mohammedanism, for the emancipation of the world proletariat or for the salvation of the Nordic culture, for nation or for king. Men will die like flies for theories and exterminate each other with every instrument of destruction for abstractions" (Durbin & Bowlby, 1938). Dit citaat geeft al aan in welke richting 's mensen vermogen tot geweldsrechtvaardiging gezocht moet worden.
In het vervolg zullen we de term `geweldsrechtvaardiging' gebruiken als een handige afkorting om het totale complex aan te geven van rationalisatie, sanctionering, legitimatie, mandatering, authorisatie, en eventueel legalisatie van geweldsgebruik; dus zowel de psychologische processen, als de taaluitingen, en de sociale mechanismen die er een rol in spelen13. Zo nodig zal in de tekst worden gespecificeerd welk aspect wordt bedoeld.

Geweld: de Ambiguïteit

We zullen hier niet ingaan op de ethisch-filosofische aspekten van het probleem van de geweldsrechtvaardiging (Is geweld überhaupt te rechtvaardigen? etc.)14, maar ons beperken tot de constatering dat in menselijke samenlevingen, primitieve zowel als moderne, verschillende vormen van geweld als vanzelfsprekend - d.w.z. als geen rechtvaardiging behoevend - werden gepractiseerd15. Men herinnere zich bijv. het afmaken of achterlaten van oude-van-dagen bij Eskimo-volken (senilicide); de weduwenverbranding bij de Hindoes (suttee), het doden of te vondeling leggen van pasgeborenen (infanticide), dat vrijwel bij alle volken werd toegepast (in Europa nog tot ver in de 18e eeuw); abortus (door sommigen opgevat als geweld tegen een levende foetus: foeticide), eveneens een vrijwel universeel voorkomend gebruik, evenals rituele verminkingen (bij mannelijke initialisatieceremonieën) en genitale mutilaties zoals infibulatie en `pharaonische' besnijdenis (clitoridectomie) van jonge vrouwen16.
Daarnaast denke men aan het recht op geweld dat het individu voor zichzelf opeist: het recht op zelfverdediging of noodweer met geweld. Verder bestaat het geweld als lijfstraf en als sport, waarvan appreciatie en rechtvaardiging van tijd tot tijd en van plaats tot plaats verschillen. Evenals de `crime passionel' die in verschillende culturen zeer uiteenlopend wordt gewaardeerd, in elk geval als `verzachtende omstandigheid' beschouwd. In onze westerse cultuur wordt daarnaast het altruïstisch geweld, het geweld uit gehoorzaamheid bedreven (zoals dat van soldaten in een oorlog) en het oorlogsgeweld überhaupt (voor zover door de eigen partij bedreven en geen al te pertinente oorlogsmisdaad) goedgekeurd en zelfs hogelijk gewaardeerd (de soldaat die vele vijanden heeft `uitgeschakeld' krijgt een medaille als symbolische beloning). De dubbele moraal t.o.v. het oorlogsgeweld is door Voltaire als volgt verwoordt: "Het doden van medemensen is moord, behalve als de krijgsbazuinen schallen"17.
Verder bestaan er in onze politieke cultuurgeschiedenis stromingen waarbinnen het recht op opstand, gewapend verzet tegen de gevestigde orde en tyrannicide18 werden bepleit. Terwijl daarnaast de doctrine van de bellum iustum (de `rechtvaardige oorlog') en oorlogsapologetische stromingen van verschillende signatuur in het westerse denken vrijwel permanent aanwezig zijn geweest. Tenslotte houdt elke menselijke samenleving zich het recht op wraak en vergelding voor tegenover overtreders van de gecodificeerde moraal (van het recht op bloedwraak, vendetta tot executie door staatsorganen), terwijl daarnaast het institutionele en structurele geweld (slavernij, apartheid, etc.) en het overheidsgeweld (soms overheidsterreur) zo `vanzelfsprekend' zijn dat ze niet of nauwelijks als geweldscategorieën (h)erkend worden. Omdat de staat het geweldsmonopolie claimt, en de staatsorde verondersteld wordt rechtsorde te zijn, wordt staatsgeweld bijna a priori verontschuldigd19.

Wat is geweld?
Tot nu toe is min of meer impliciet verondersteld dat zowel de schrijver als de lezer weet wat met de term `geweld' bedoeld wordt. Het zal waarschijnlijk niemand verbazen dat dat niet zo is. Ook in de wetenschappen die zich met deze materie bezighouden, is `geweld' niet bepaald een eenduidig begrip. Vele verschillende definities en zeer heterogene typologieën van vormen, soorten en dimensies van geweld dartelen door de literatuur20. We zullen hier `geweld' zeer globaal definiëren als het totale spectrum van (directe en indirecte) gedragingen die tot doel hebben het toebrengen van schade, leed, pijn aan; het afdwingen van onderwerping van; of de destructie of eliminatie van personen (of eigendom). Zelfs een dergelijke algemene definitie schiet duidelijk te kort als we bijv. ook de vernietiging van het milieu (ecocide) als geweld willen beschouwen, of het industrieel geweld, of het geweld tegen andere organismen, of het geweld dat a.h.w. als ziekteverschijnsel in onze maatschappij is ingebouwd21. Maar nog abstracter definities, die inderdaad wel voorgesteld zijn, hebben als nadeel dat er vrijwel alle menselijke handelingen onder vallen, zodat het begrip geen enkele afgrenzende waarde meer heeft.
Toch is op zichzelf de gedachte dat elk menselijk handelen een moment van geweld zou inhouden tenminste enige overweging waard. Zelfs de prototypische pacifist Gandhi verklaarde: "Strictly speaking, no activity and no industry is possible without a certain amount of violence, no matter how little"22. Productie veronderstelt een zekere mate van destructie.
Verder is er meermalen op gewezen dat attributie van geweld, bijv. het benoemen van krakersacties of demonstraties als gewelddadig, geweld kan oproepen en tot escalatie kan leiden.
Uitsluitend voor het gemak zullen we hier een simpele classificatie van geweldsniveau's aanhouden: het geweld van individuen, het geweld van (sociaal-politieke) groeperingen, en het geweld van staten. Traditioneel hebben de symmetrische geweldsvormen een onevenredig deel van de aandacht opgeëist: het interpersoonlijk geweld (of crimineel geweld: moord, doodslag, verkrachting, roof, etc.), het intergroepsgeweld (het collectief politiek geweld: burgeroorlog, etnisch geweld, etc.), en het interstatelijk geweld (oorlog), terwijl de andere zes (asymmetrische) vormen van geweld relatief zijn onderbedeeld: Het geweld van de staat (de overheid) tegen politiek-sociale groeperingen en het geweld van de staat tegen individuen (terreur, zuivering, genocide, foltering, executie, repressief geweld); het geweld van groepen tegen de staat (terrorisme, subversie, rellen, anti-regime geweld), en tegen individuen (vigilante terreur, liquidatie, ostracisme); het geweld van individuen tegen de staat (bijv. `presidential assassination') en tegen de groep (dissidentie, heresie, sabotage).
Van deze negen categorieën hebben oorlog (het interstatelijk geweld) en het geweld van de staat tegen de burgers het overgrote deel van de geweldsslachtoffers geëist (met burgeroorlogen als goede derde). Honderden millioenen mensen zijn aan oorlogen, direct of indirect, ten prooi gevallen. En "Millions have been executed and murdered by the rulers of contemporary coercive societies, and tens of millions have died in slave labor camps and prisons and from abortive government policies, such as agricultural collectivization' (Rummel, 1976)23. Alle regimes die het paradijs op aarde willen vestigen beginnen kennelijk met er een hel van te maken. Maar het privilege de grootste beul te zijn is niet alleen aan contemporaine staten voorbehouden. Zo herinnert de Lange (1978) ons:
"Met name tegenover groepen, volken, etc., die als bedreigend werden ervaren en die dikwijls ontmenselijkt werden (voorgesteld als duivels, onmensen) is de overheid altijd genadeloos opgetreden. Je kunt daarbij denken aan de vervolging en uitroeiing op grote schaal van ketters, heidenen, joden, zigeuners, heksen, etnische minderheden, enz. Verdere voorbeelden zijn het over de kling jagen van indianenvolken en het in slavernij brengen van Afrika. Weer een ander voorbeeld is de bloedige onderdrukking van boerenopstanden en revolutionaire bewegingen. Recente uitingen van intern geweld zijn de genadeloze massamoord op klassevijanden in staten die zich een revolutionaire status hebben aangemeten (genocide in naam van de vooruitgang)"24.
Vergeleken met de furie van het staatsgeweld in al zijn facetten, valt het crimineel geweld, het huis-, tuin-, en keukengeweld zoals door min of meer normale mensen in het dagelijkse sociale verkeer bedreven, vrijwel in het niet. Toch is dit huis-, tuin-, en keukengeweld in staat mensen onevenredig veel angst aan te jagen, mede (?) door het kapitaliseren van sommige nieuwsmedia op deze vormen van geweld (`Misdaadcijfers stijgen onrustbarend' - al jaren volgens een bepaald ochtendblad). Dit kapitaliseren op crimineel geweld, en eventueel het relatief kleinschalige politieke geweld (zoals terrorisme), leidt in de praktijk tot een soort blikvernauwing, een sociale bijziendheid25, zo het al niet een regelrechte afleidingsmanoeuvre is, een politieke verdwijntruc.

Ad majorem gloriam Dei
De menselijke tragedie is niet zozeer dat Homo sapiens sapiens zo'n agressief dier zou zijn, maar dat hij zo'n sociaal, goedwillend, en idealistisch wezen is. Het menselijk vermogen tot rationaliseren, symboliseren en abstraheren, tot opofferingsbereidheid en altruïsme, tot onvoorwaardelijke loyaliteit aan de ideologie van de `ingroep', tot blinde gehoorzaamheid aan autoriteit, en zijn vermogen tot grenzenloze zelfdeceptie en het bedenken van collectieve waansystemen, zijn magische angstbezweringen - dit alles maakt het menselijk geweld op gigantische schaal mogelijk. Het zijn de `goede' bedoelingen van de mensheid, zijn `hoge' morele principia, zijn `nobele' strevingen die naar Armageddon leiden26. Of zoals Koestler (1967) het welsprekend verwoordde: "It is not the murderers, the criminals, the delinquents and the wildly nonconformists who have embarked on the really significant rampages of killing, torture and mayhem. Rather it is the conformist, virtuous citizens, acting in the name of righteous causes and intensely held beliefs who throughout history have perpetrated the fiery holocausts of war, the religious persecutions, the sacks of cities, the wholesale rape of women, the dismemberment of the old and the young and the other unspeakable horrors...
The crimes of violence committed for selfish, personal motives are historically insignificant compared to those committed `ad majorem gloriam Dei', out of a self-sacrificing devotion to flag, a leader, a religious faith, or a political conviction. Man has always been prepared not only to kill but also to die for good, bad, or completely futile causes"27.

We zullen in het volgende enkele geweldsvarianten en hun rechtvaardigingsprocessen aan de orde laten komen, en trachten enkele psychodynamische en sociodynamische factoren aan te wijzen die in deze processen een rol spelen.

De Rechtvaardiging van Politiek Geweld

Vier verschillende basisconcepties van politiek geweld kunnen worden onderscheiden, elk met hun eigen `ingebouwde' rechtvaardigingsgronden28.

(1) Geweld gedefinieerd in termen van schending van een menselijk grondrecht (recht op lichamelijke integriteit, recht op vrijheid, autonomie, etc.). Elke schending van, of inbreuk op een dergelijk grondrecht is geweld (in de Engelse taal verwijzen de begrippen `violence' en `violation' duidelijker naar een gezamenlijke stamvorm dan in het Nederlands). Deze `radicale' visie op geweld omvat dus behalve het manifeste lijfelijk geweld ook bijv. slavernij, apartheid en datgene wat Galtung `structureel geweld' noemde (uitbuiting en onderdrukking in de ruimste zin; in het algemeen is elke vorm van sociale onrechtvaardigheid en kansongelijkheid in deze optiek geweld)29.
Het rechtvaardigingspotentieel van deze geweldsvisie is even omvattend als het gehanteerde geweldsbegrip zelf. Lichamelijk geweld wordt goedgepraat als een gerechtvaardigde reactie op het geniepige, in de maatschappijstructuur verankerde, institutionele en structurele geweld. Op z'n minst kan worden volgehouden dat openlijk fysiek geweld niet immoreler is dan het verborgen structurele geweld. In extreme vorm wordt het fysiek geweld tegen het structureel geweld als morele imperatief of als humanitaire plicht voorgesteld, of zelfs als een intrinsiek rechtvaardige, cathartische, zelfrespect-verhogende, nieuwe orde-scheppende, creatieve bezigheid (Fanon, Sartre)30.

(2) Geweld gedefinieerd in termen van fysieke krachtsaanwending op het sociale vlak. In essentie perkt deze `operationele' geweldsvisie de bovenstaande in tot alleen die schendingen die met fysieke krachtsaanwending gepaard gaan: moord, lynchpartij, oorlog, crimineel geweld, politiegeweld, dus met uitsluiting van het `stille' structurele en institutionele geweld. In deze geweldsvisie kan zowel het emancipatorische geweld, het bevrijdingsgeweld van gekoloniseerde volken, onderdrukte minderheden, of separatisten, of rebellie tegen gevestigde autoriteiten met een beroep op zelfbeslissingsrecht of andere superordinate goals worden gerechtvaardigd, alsook het overheidsgeweld in naam van de gevestigde orde. Beide partijen zullen hun geweld rechtvaardigen als legitieme reactie op het geweld van de andere partij31.

(3) Een derde conceptie perkt het begrip `geweld' nog verder in door aan de definitie de qualificatie `illegitiem' toe te voegen. In deze `conservatieve' visie is de fysieke krachtsaanwending en het machtsvertoon van gevestigde autoriteiten en staatsorganen, dus het legaal gesanctioneerde geweld, nadrukkelijk niet als geweld op te vatten. Alleen het illegale misbruik van fysieke kracht is geweld. Deze visie identificeert als geweld, en als per definitie niet te rechtvaardigen, alleen acties gericht tegen de staat, staatsapparaten of staatsvertegenwoordigers, terwijl acties van de staat of overheden per definitie geen geweld inhouden (bijv. acties van de Mobiele Eenheid tegen krakers of demonstranten is geen geweld want legitiem en legaal).
In de sociale wetenschappen heeft deze wijdverbreide visie op geweld geleid tot een nadruk op de studie van het geweld `van onderop', het geweld tegen machtsstructuren en het `criminele/politieke' geweld, terwijl het staatsgeweld, het geweld van machtsstructuren, het geweld `van bovenaf' werd verwaarloosd of als zo vanzelfsprekend beschouwd dat het geen verklaring behoefde.
In deze `legitimistische' visie is het geweld van de staat (dat dus eigenlijk geen geweld is) gerechtvaardigd om de normatieve orde, Law and Order, oftewel de status quo te handhaven of te beschermen. Elke andere inbreuk op de normatieve orde is misdadig, subversief, en niet te rechtvaardigen.
Aanhangers van deze geweldsconceptie zullen in het algemeen geneigd zijn tegenstanders van de gevestigde orde te criminaliseren en te pathologiseren (als misdadige en gevaarlijke gekken voor te stellen)32.

(4) De laatste visie beschouwt geweld als een natuurlijke en normale vorm van politiek gedrag. Geweld is in deze visie goed noch slecht, constructief noch destructief. Geweld kan instrument zijn ten goede of ten kwade, kan vernietigen zowel als vernieuwen. Geweld is eenvoudig het voornaamste instrument waarmee alomtegenwoordige sociale conflicten worden uitgevochten. In deze `conflict' visie wordt het geweld van de staat op hetzelfde vlak geplaatst als het geweld van andere groeperingen. In deze visie is het criterium de effectiviteit en de doelrationaliteit van het geweld, en niet de vraag of het al dan niet rechtvaardig is; het geweld is `beyond good or evil'33.

Een nadere analyse van deze geweldsconcepties zou kunnen laten zien dat er enkele basisdimensies aan ten grondslag liggen. Maar waarschijnlijk interessanter is de constatering dat achter deze geweldsvisies twee diametraal tegenovergestelde sociale mythen, `Weltanschauungen' liggen die in het sociale-academie-jargon gemeenlijk worden aangeduid als harmoniemodel en conflictmodel.
Hoefnagels (1980) gebruikt beide modellen in een behartenswaardig artikel: "Ongelegitimeerd geweld is, naast dat van de burger, in het harmoniemodel het geweld van officiële machthebbers dat niet steunt op het recht. Ik heb deze vorm van overheidscriminaliteit omschreven als institutionele criminaliteit... Het legaal geweld ligt bij conflicten vaker bij de staatsoverheid. Uiteraard, want deze heeft formeel het geweldsmonopolie. Slechts constructies als noodweer kunnen het geweld van de burger achteraf legaliseren, althans het illegale karakter ervan wegnemen. De staatsoverheid heeft wettelijke bevoegdheden die haar gewelddadig gedrag (vrijheidsberoving bij inverzekeringstelling, preventieve hechtenis en gevangenisstraf), mishandeling en soms doodslag (bij arrestaties of handhaving van de openbare orde) rechtvaardigen, legaliseren. Rechtvaardiging van doodslag, c.q. moord door de staatsoverheid vindt op grote schaal plaats ten tijde van oorlogsgeweld... Straffen en oorlog zijn in beginsel gelegitimeerde geweldshandelingen"

Psychodynamische en Sociodynamische Factoren in de Rechtvaardiging van Geweld

* Ambivalentie: Op de ambivalentie t.o.v. het geweld, en de daaruit voortvloeiende dubbele moraal tegenover eigen en andermans geweldgebruik is reeds in de eerste paragrafen gewezen. Eigen geweld wordt gemaskeerd als gerechtvaardigde zelfverdediging of als noodweer; of als welverdiende straf voor overtredingen of schendingen van verwachtingspatronen, mores, wetten, ideologische orthodoxie.

* Het groepsbelang: Geweld in menselijke samenlevingen is - met uitzondering van enkele vormen van crimineel en pathologisch geweld, zoals roof- of lustmoord - vrijwel altijd een groepsactiviteit of een activiteit bedreven in naam van een collectivum. "Adults kill and torture each other only when organized into political parties, or economic classes, or religious denominations, or nation states. A moral distinction is always made between the individual killing for himself and the same individual killing for some real or supposed group interest" (Durbin & Bowlby, 1938)34. Rechtvaardiging van dit geweld als groepsactiviteit (van lynchmob tot oorlog) geschiedt met een beroep op gecompliceerde ideologische, symbolische constructies en op de meest `verheven', `nobele', `altruïstische' en `deugdzame' motieven. "The most pernicious phenomena of aggression, transcending self-preservation and selfdestruction, are based upon a characteristic feature of man above the biological level, namely his capability of creating symbolic universes in thought, language and behavior" (von Bertalanffy, 1958)35. Het omvangrijkste en meest weerzinwekkende geweld wordt gerechtvaardigd met beroep op een utopische ideologie, een paradijsmythe, een superioriteitsdoctrine, een eschatologische of millenaristische heilsstaat (uitroeiing, genocide, zuivering van `dissidenten', `renegaten', `klassevijanden', devianten van de rechte koers uitgestippeld in de doctrine), of met een beroep op half-metafysische denkgedrochten (vgl. de middeleeuwse heksenverbrandingen en ketterjachten, de Inquisitie, de Conquistas met zwaard en bijbel; en de moderne pogroms, de holocaust in naam van de arische superioriteit). In laatste instantie wordt geweld gelegitimeerd met een beroep op enkele ruime, hogelijk abstracte politiek/ethische categorien of metafysische waarden:
Nationaal Belang, Veiligheid, Vrijheid, Democratie, God, Volk en Vaderland, Vrede, Vooruitgang, de Historische Imperatief, de Heilige Orde, de Natuurnoodzakelijkheid, de Goddelijke Wil, het `gesundes Volksempfinden'. De mens als "most ruthlessly ferocious of beasts" zoals William James hem noemde, is alleen een beest in de naam van een bovenmenselijk ideaal.

* Bekrachtiging van het Kwade/Sanctions for Evil: "Most of the large-scale destructiveness is done by people who feel they have received some kind of permission for what they do - as we call it a sanction for evil" (Sanford & Comstock, 1971)36. In dit sanctioneringsproces kunnen verscheidene niveau's worden onderscheiden: (a) diffuse sanctionering, (b) sociale sanctionering, (c) morele/ethische sanctionering, (d) legale sanctionering, en (e) religieuze/ ideologische/metafysische sanctionering.
De menselijke behoefte aan rechtvaardiging, legitimering en sanctionering van geweld is wellicht het treffendste voorbeeld van een evolutionaire zelf-deceptie strategie37.
Een groepsconflict - al dan niet gebaseerd op een realistische belangentegenstelling - leidt bij beide partijen tot een cognitief `framework' waarin vrijwel elk gedrag van `de vijand' wordt geïnterpreteerd als bewijs van zijn slechte bedoelingen en kwaadaardige intenties of motieven. Vooroordelen worden steeds meer bevestigd. Naarmate de vooroordelen rigider en stereotyper worden, nemen de gedragsopties af, tot tenslotte slechts het gewelddadige alternatief - als noodsprong - over blijft.
Catalysator in dit proces dat leidt tot het gewelddadige alternatief is meestal een onbeduidend incident dat tot buitensporige en groteske proporties wordt opgeblazen, en dat ter rechtvaardiging dient voor de `strafexpeditie' die vrijwel onvermijdelijk zal volgen.
Tijdens het escalatieproces van het groepsconflict verkrijgen sommige leden van de groep (knokploeg, politie, leger) een mandaat om geweld te gebruiken. Het geweld wordt op een officieel niveau goedgekeurd, d.w.z. meestal zowel sociaal, ethisch als legaal gelegitimeerd (De geweldslegitimatie zal in de meeste gevallen op zichzelf weer tot verdergaande escalatie van de vergeldingsspiraal - een cyclus van wraak en weerwraak met een eigen dynamiek - leiden, zie bijv. Westley, 1966). Soms wordt alleen maar stilzwijgend, tussen de regels door, een bepaalde verwachting gewekt. In dat geval is er sprake van `diffuse' sanctionering. In andere gevallen is de sanctionering a.h.w. ingebed in de sociale structuur. Zo heeft de Amerikaanse `zwijgende meerderheid', samen met regering en legerleiding, de terreurbombardementen en massamoorden gedurende de Vietnam-oorlog `zwijgend' gesanctioneerd. Het geweld van de succesvolle guerrilla- of bevrijdingsbeweging, terroristengroepering of usurpator wordt meestal achteraf, met terugwerkende kracht gesanctioneerd. Tegenwoordig wordt, zoals de Lange (1978) opmerkte, "het oorlogsapparaat gelegitimeerd met behulp van vreedzaam lijkende theorieën: wapens en leger heb je nodig om oorlog te voorkomen; niet agressie of offensie is het doel van het defensieapparaat, maar het garanderen van geloofwaardige verdediging. Nog sterker: het doel van militaire macht werd het handhaven en bevorderen van de vrede genoemd. Aardig in dit verband is het feit dat in 1958 het strategisch luchtcommando van de V.S. (Strategic Air Command) een nieuw devies aannam: `Peace is our profession'"38.

* Dreigperceptie: Hoe werkt eigenlijk het mechanisme dat we in een vroegere geliefde, vriend, collega, of buurman/vrouw plotseling een bedreiging zien, niet alleen een tegenstander maar een potentiële vijand, een vertegenwoordiger van de gehate collectieve vijand? De meest stuitende ruzies en hatelijkheden komen voor tussen ex-geliefden tijdens of na de scheiding (vooral als het voogdijschap over de kinderen in het spel is). Een vroeger sympathieke buur wordt plotseling een dodelijke dreiging - die alle wreedheden lijkt te rechtvaardigen - omdat hij van een andere etnische afkomst is, zoals in het voormalige Joegoslavië en het huidige Ruanda/Burundi.
Een simpel belangenconflict om een promotieplaats kan van een vroeger aardige collega een bijzonder onaangename rivaal maken. Wanneer de (materiële) belangen maar groot genoeg zijn kan zelfs ouder- of broedermoord worden overwogen. Maar als verklaring voor de enthousiaste etnische slachtpartijen, massale verkrachtingen en `etnische zuiveringen' op de Balkan lijkt een simpele term als `belangenconflict' toch tekort te schieten.
Het menselijk brein is geëvolueerd om te handelen, niet om kruiswoordraadsels of academische puzzeltjes op te lossen. En niet alleen om te handelen maar te handelen op grond van weinig, altijd onvoldoende, informatie. Dit heeft tot gevolg dat wij geneigd zijn daden te stellen - een organisme dat alle voorvallen in zijn omgeving sine ira et studio tot in alle consequenties zou contempleren, zou geen lang leven beschoren zijn - gebaseerd op een beperkte realiteitstoetsing39. Deze beperkte realiteitstoetsing komt nog eens bovenop onze beperkte rationaliteit en onze beperkte sympathievermogens.
Mensen handelen op grond van waargenomen waarschijnlijkheden, niet op grond van logica. Ter compensatie van de altijd onvoldoende informatie over de buitenwereld hebben wij een aantal doeltreffende onzekerheidsreductie- strategieën ontwikkeld. De voornaamste daarvan zijn: het categorale (generaliserend) denken en waarnemen (d.w.z. niet in termen van individuen maar in termen van categorieën en groepen)40; en het duale waarnemen en denken (d.w.z. niet in nuances van grijstinten maar in zwart-wit, in tegenstellingen en stereotypieën). Onze waargenomen realiteit is altijd een product van zowel buiten- als binnenwereld; externe informatie wordt a.h.w. gefilterd door onze angsten, verwachtingen, ambities, wereldbeeld, etc. Angst leidt tot het waarnemen van bedreiging evenzeer als het waarnemen van bedreiging leidt tot angst. Als gevolg van het categorisch en duaal denken, en ter bescherming van onze kwetsbare `binnenwereld', zijn wij geneigd attributiefouten te maken. In de cognitieve psychologie zijn de vele attributiefouten die mensen maken netjes gerubriceerd en onderzocht. Een in dit verband relevante attributiefout is bijv. dat wij ons eigen (niet zo fraaie) gedrag toeschrijven aan de dwang der omstandigheden, terwijl we hetzelfde gedrag van de ander toeschrijven aan zijn (inherente, evt. `aangeboren') karaktereigenschappen en persoonlijkheidskenmerken.
Selectieve en stereotype perceptie41 leidt gemakkelijk, zoals we zagen, tot zelfbevestigende vooroordelen (in cybernetische termen: het is een meekoppelend systeem dat niet leidt tot zelfcorrectie) en een moreel/ethisch gespleten universum. Het feit dat vooroordelen vrijwel altijd alleen maar bevestigd worden, en zelden of nooit weerlegd of gecorrigeerd, heeft niet alleen te maken met de behoefte aan cognitieve consonantie, maar kan waarschijnlijk beter worden verklaard uit de asymmetrie van de `pay-offs' bij `valse negatieven' en `valse positieven'. Een voorbeeld: als ik er van overtuigd ben dat een vertegenwoordiger van de group X niet te vertrouwen is, zou het mij zuur kunnen opbreken als ik de vergissing zou maken een van hen wel te vertrouwen terwijl hij of zij in feite niet te vertrouwen is; daarentegen `kost' het vrijwel niets als ik de omgekeerde vergissing (van 'gezonde argwaan') zou maken (niet vertrouwen terwijl hij/zij wél te vertrouwen is). Een dergelijk argument kan ook worden toegepast op dreigperceptie, de waarneming van gevaar. Een organisme dat te veel bedreiging waarneemt, zal, tegen betrekkelijk geringe kosten (vigilantie, vluchten, schuilen), een grotere kans hebben om te overleven dan een organisme dat te weinig bedreiging waarneemt. In dit laatste geval is één vergissing al catastrofaal.
Deze verschijnselen worden nog versterkt door interne groepsprocessen: de sectarische groepsdwang, de drang tot conformisme aan de groepsidentiteit, de eis tot groepsloyaliteit, op straffe van stigmatisering als verrader, overloper, heuler met de vijand, dissident, renegaat of ketter. Men moet wel uitermate sterk in zijn/haar schoenen staan om aan de enorme krachten van de `Groupthink' en `Groupfeel' weerstand te kunnen bieden. Mensen ontlenen hun identiteit en eigenwaarde voor een groot deel aan de identiteit van de groep, de `ingroup' waartoe zij zich rekenen. Conformisme aan de ideeën, waarden, normen en ideologie van de `ingroup' impliceert - min of meer logisch, maar in elk geval `psycho'logisch - devaluatie en degradatie van de `outgroup'. "We love our prejudices because they not only provide us with cognitive, but also social stability" (Bergler, 1976)42. Deze ingroup-outgroup differentiatie leidt weer tot, of versterkt, manicheïsch dualisme (de indeling van de wereld in een morele dimensie superieur-inferieur) en een zekere mate van xenophobie (een mengeling van angst voor, en wantrouwen en haat tegenover alles wat als `vreemd' wordt waargenomen) en discriminatie van de `outgroup' en alles en iedereen dat die `outgroup' vertegenwoordigt (zoals hierboven al beargumenteerd heeft een strategie van wantrouwen tegenover `het vreemde' of `de vreemdeling' een hogere `pay-off' dan alternatieve strategieën). Binnen de `ingroup' leidt het tot diepe morele verontwaardiging en agressie t.o.v. de non-conformisten en dissidenten: zij worden als verraders ervaren.
Bovendien heeft de mens slechts een beperkt vermogen om the sympatiseren met, emotioneel betrokken te zijn bij, andere mensen (20 tot 40 individuen), waarschijnlijk als gevolg van zijn evolutie in kleine familiegroepen gedurende miljoenen jaren van hominisatie (zie bijv. Ike, 1987; Van der Dennen, 1987)43. Etnocentrisme kan dan worden beschouwd als direct gevolg, of als extensie van `kin-selection' (verwantenselectie), een idee vooral uitgewerkt door Van den Berghe (1981) en Shaw & Wong (1989)44. Deze kleine familiegroepen of stammen hadden bovendien de neiging zich meer en meer van elkaar te onderscheiden in taal, cultuur, gedrag, uiterlijk, kleding, etc. (pseudospeciatie), hetgeen bovengenoemde processen alleen maar versterkte.
Er zijn echter ook vele redenen om aan te nemen dat de menselijke dreigperceptie, het waarnemen en (h)erkennen van gevaar, zelf is `gehypertrofieerd': wat we als bedreiging ervaren is veel meer dan bedreiging van directe vitale en materiële belangen. We ervaren bedreiging van ons wereldbeeld, identiteit, eigenwaarde, onze moraal en ideologie, en alles wat ons heilig is. We ervaren niet alleen reële dreigingen maar vooral imaginaire (duivelse complotten, demonisch Kwaad). En niet alleen onmiddellijke dreigingen hier en nu, maar meer nog mogelijke dreigingen in de toekomst: d.w.z. geanticipeerde dreigingen (zie Fromm, 1974)45.

* Magisch bezwerings- en disculpatieritueel: Zoals we `God zij met ons' in de rand van de gulden (de Mammon) stansen, zo zegenen we de wapens alvorens ze in te zetten, en laten we de krijgstrompetten schallen ten teken dat de slachtpartijen niet als ordinaire moorden zijn op te vatten, en om het recht het zwijgen op te leggen wanneer de wapens spreken46.
Angstbezwering en disculpatieritueel - met het doel het rationaliseren en wegmasseren van schuldbesef - komt bepaald niet alleen bij `primitieve' volken voor. Zie Freud's Totem und Tabu voor een nog steeds hoogst actuele analyse van de functies van dergelijke rituelen47. De rol van rituelen en ceremonieën zoals militaire parades, dodenherdenkingen, etc. is, naast het bevorderen van de groepssolidariteit en bevestiging van het eigen gelijk, ook het levend houden van het vijandsbeeld, het aanscherpen van het contrast tussen wij en zij (en soms zelfs een regelrechte provocatie, zoals de militante optochten in Ierland).

* Het sacrale karakter van de gevestigde orde: De bestaande orde manifesteert zich voor de meeste mensen niet alleen als een gereïficeerde (ver-ding-de), maar ook als een natuurnoodzakelijke, godgeven, heilige orde, waarin niet zonder ernstige repercussies kan worden ingegrepen. Alles wat in naam van deze orde geschiedt is welgedaan, bijna `per definitie' gerechtvaardigd. Met het `Deus vult' (God wil het) konden de kruistochten en ketterjachten aanvangen die als een morele noodzaak en heilige plicht werden gevoeld48.

* Etnocentrisme en projectie: de zondebok: Identificatie met de eigen groep (`ingroup'), zoals bijv. nationalisme, heeft de aantrekkingskracht van de schuldeloze regressie: de eigen non-identiteit en gevoelens van onbeduidendheid, machteloosheid, `angst voor vrijheid' worden gecompenseerd door de almacht van de groep. Onvoorwaardelijke loyaliteit aan de eigen ingroup, en aan de ideologie van de ingroup, wordt een levensbelang, en een eenvoudige eis van fatsoen, evenals de blinde gehoorzaamheid aan de autoriteit (bij nationalisme bijv. gesymboliseerd in vlag, volkslied, staatsorganen, militaire parafernalia, etc.). Chauvinistisch geloof in de groepsalmacht en devote groepssolidariteit leiden tot de arrogantie van het gelijk en de arrogantie van de macht om dat gelijk tegenover `buitenstaanders' te bewijzen, De regressie naar het aangename `oceanische' wij-gevoel leidt o.a. ook tot de roep om de Sterke Man, de krachtige leiderfiguur als vadersubstituut. Een sociale groep kan op de ontwikkeling van collectieve haat rekenen door de behoefte aan anonimiteit, regressie en algemene depersonalizatie. Haat, angst en schuldgevoelens versterken elkaar in een vicieuze cyclus (Meerloo, 1940)49. Een van de voornaamste afweerreacties die de mens heeft uitgedacht om zichzelf te ontdoen van de last van de verdrongen agressie, is het mechanisch projecteren van innerlijke motiveringen op een denkbeeldige vijand. Hij laadt zijn eigen verdrongen motieven, niet-toegestane gedachten en gevoelens over op een zondebok (Niet wij zijn vijandig, maar zij)50. Leden van de outgroup worden tot tegenstanders, en van tegenstanders tot vijanden - o.a. door stereotypering en projectie - in het bijzonder wanneer er ook nog een realistisch conflict aan het groepsantagonisme ten grondslag ligt.
Door deze paranoïde verwerking van het eigen haatpotentieel, heeft elke groep de neiging de andere groep(en) als mogelijkerwijze vijandig, onbetrouwbaar, boosaardig en wreed te beschouwen, als minder menselijk dan zijzelf, en daarom weinig consideratie verdienend.
Bovenstaande mechanismen manifesteren zich op ideologisch niveau als een manicheïsch dualisme, d.w.z. de neiging tot denken in een absolute zwart-wit dichotomie: als de vijand door en door slecht en verdorven is, de incorporatie van het Kwaad, de baarlijke duivel zelf, dan moeten wij, die hen bestrijden, wel de Goede Zaak dienen, `with God on our side'51.
Het impliceert ook een dubbele moraal: geweld binnen de groep is desintegratief en verboden; geweld tegen de outgroup is deugdzaam, eervol, zelfs heldhaftig. Omdat deze processen aan beide kanten overeenkomstig verlopen, leiden ze tot vijandsbeelden die als spiegelbeelden op elkaar lijken (het z.g. `mirror image' fenomeen)52. Het proces van vijandigheid, gevoed door paranoia, projectie, `scapegoating', kan zelfs zo virulent verlopen dat het autistisch wordt, d.w.z. niet meer getoetst op werkelijkheidsgehalte; het gaat als het ware een eigen leven leiden als een autonoom waansysteem.
Het manicheïsche `ingroup-outgroup differentiatie' mechanisme kan ook door leidersfiguren min of meer bewust worden gemanipuleerd om interne conflicten, dreigende schisma's, binnen de eigen groep bestaande onvrede en ressentimenten a.h.w. te exporteren.

* De binding van het agressiepotentieel: Politieke en sociale groepen en instituties transformeren vrije in gebonden, en individuele in collectieve agressie. Tegelijkertijd wordt door een taalmanipulatieve verdwijntruc het agressieve element in het totale proces ontkend waardoor het tenslotte geheel uit het bewustzijn verdwijnt. Uit het agressiepotentieel wordt de deugd van gehoorzaamheid gedestilleerd (tot het extreme geval van de automatische kadaverdiscipline), van de plichtsvervulling en de zelfverdediging (tot het extreme geval van de altruïstische zelfopoffering). Door de institutionele legitimering wordt agressie, zelfs als deze in geweld en geweldsexcessen ontaardt, niet alleen als legitiem beleefd, maar ook als agressie volledig uit het bewustzijn verdrongen. Er voor in de plaats komt een `goed geweten'. Door deze heretikettering wordt de kritische ego-functie lamgelegd, met als resultaat blinde devotie aan de Grote of Goede Zaak. Legitimering wordt gebruikt om door de instituties gebonden en gerichte agressie een ideologisch stempel op te drukken, te rationaliseren en te `naturaliseren' (in de zin van `natuurlijk' te maken) met het oogmerk individuele remmingen uit te schakelen en angst- en schuldgevoelens weg te masseren. Hacker (1971) noemt dit proces `Etikettenschwindel'53.

* Dehumanizatie: Een zekere mate van stereotypering, abstrahering en reïficatie wordt in het dagelijks leven min of meer onbewust gebezigd in het moeizame proces grip te krijgen op de nogal weerbarstige realiteit. Negatieve stereotyperingen van sociale categorieën vormen echter een voornaam ingrediënt van vooroordelen en racisme (Belgen zijn dom, Surinamers pooiers, Zigeuners dieven, Negers oversexed). Onder `dehumanizatie' wordt verstaan het als inferieur, als minder menselijk of als nietmenselijk (zelfs onmenselijk) voorstellen en benoemen van sociale categorieën (Judenschwein, Untermensch, gooks, dinks, pigs, etc.).
Over het algemeen manifesteert dehumanizatie zich in twee, soms gedeeltelijk samenvallende, vormen, namelijk als diabolisering (het toeschrijven van duivelse - i.e. bovenmenselijke - eigenschappen en vermogens aan `de vijand' - liefst in de vorm van ondergronds wroetende samenzweerders (het conspiratiedenken is eveneens een typisch paranoïde trek, vgl. het McCarthyism), en als bestialisering: `de vijand' wordt gedegradeerd tot ongedierte (rioolratten, parasieten), iets dat onrein is, smerig, een haard van besmetting; iets waarvan uitroeiing een eenvoudige eis van hygiëne is54.
Een vreemde paradox ligt besloten in het dehumanizatieproces, inzoverre dat alleen mensen, die eerst als mensen zijn her- en erkend, `ontmenselijkt' kunnen worden55. Dehumanizatie is een prominent aspect van het vermogen van de mens zich psychisch van zijn medemens te distantiëren56. Psychische distantiëring kan zelfs zover gaan dat de ander tot louter ding wordt. Dit vermogen is a.h.w. de keerzijde van de empathie. Het vermogen tot wreedheid en sadisme veronderstelt, paradoxalerwijze, zowel een zekere mate van dehumanizatie als een zekere mate van empathie57.

* Etnocentrische superioriteitswaan: Complementair aan de dehumanizatie van het als inferieur voorstellen van `de vijand', is het als superieur (Übermensch) voorstellen van de eigen groep. Het modelvoorbeeld van etnocentrische superioriteitswaan is te vinden in het Oude Testament, waarin de God der Wrake zijn `Uitverkoren Volk' beveelt de omringende volken met huid en haar uit te roeien. Geprogrammeerde genocide die in het Hitler-Duitsland, met z'n arische superioriteitswaan, een nieuw huiveringwekkend hoogtepunt bereikte. Het eerste berustte op een veronderstelde morele superioriteit; het tweede op een raciale, biologische, en mythische.

* Opschorting van verantwoordelijkheid: Andere taktieken van psychische distantiëring en geweldsrechtvaardiging zijn: de spreiding van verantwoordelijkheid over zoveel mogelijk individuen; het leggen van de verantwoordelijkheid en de schuld van het gebeurde bij de tegenstander; het ten eigen gunste vergelijken van de daden van de tegenstander met de eigen daden; en het eufemistisch heretiketteren van de eigen motieven en gedragingen: de terrorist ziet zichzelf als vrijheidsstrijder, de Grootinquisiteur zichzelf als een instrument van God, de kampbeul zichzelf als efficiënt bijdrager tot de `Endlösung', de Staat zichzelf als handhaver van recht en orde (ook al gaat dat gepaard met martelpraktijken en politieterreur)58.

* Geweld als vereenvoudiging van een overcomplexe realiteit: Wanneer een conflict- of crisissituatie dermate problematisch en onoverzichtelijk is geworden dat een uitweg uit het moeras vrijwel onmogelijk lijkt, zal het geloof gaan overheersen dat geweld een mindere kwaal is dan voortzetting van de huidige ondraaglijke toestand, dat geweld een oplossing kan bieden voor de verlammende onzekerheid, de knoop kan doorhakken. Het geweld als geforceerde `oplossing' behoeft, omdat het immers een noodsprong uit zelfverdediging en zelfbehoud is, geen rechtvaardiging.

* Onze westerse cultuur is verzadigd van potentieel gewelddadige ideologieën en attitude-complexen59 die in elk geval een rol spelen in het totale proces dat tot geweldsbereidheid voert. Het althans verbaal goedkeuren van geweld op alle niveau's (van interindividueel tot internationaal) is, volgens tientallen jaren psychologische research, gecorreleerd met o.a. authoritarianism (het autoritaire syndroom), etnocentrisme, conformisme, conservatisme, xenofobie, nationalisme, militarisme, dogmatisme, religieuze orthodoxie, misanthropie, intolerantie, Machiavellianisme, racisme, en `compulsion' (het tegenovergestelde van `compassion')60.

* Psychologisch-economische en pragmatische voordelen van een vijandbeeld: Het hebben van een vijand verschaft zeer evidente psychologische voordelen: het levert een duidelijke manicheïsche structurering van het wereldbeeld; het geeft een bevestiging van de eigen morele superioriteit; bovendien verschaft het de satisfactie verbonden aan allerlei ego-defensie mechanismen, vooral dat van de projectie en het zondebok-mechanisme61. Haat kan een surrogaat gevoel van leven geven aan hen die mentaal zijn afgestorven, een prachtige `escape' uit de monotonie, de slavernij, en de grenzenloze verveling van het onbenullige burgermansbestaan. Haat verschaft de mens een nieuwe sociale status temidden van allen die in zijn gevoelens of waansysteem delen, en bovendien het gevoel een magische innerlijke macht te bezitten. Degeen die haat leeft in een voortdurende toestand van extase. Zelfs een pathologische idioot meet zich een glorieuze pseudo-persoonlijkheid aan als hij haat en verdelging predikt (vgl. de rabiate Nazi's, de `lunatic fringe' van de Ku Klux Klan, de oorlogshitsende `patriot'). Persoonlijke spanningen, angsten, frustraties, vernederingen en rancunes kunnen op een legitieme wijze worden afgevoerd, en - zoals in oorlogstoestand - zelfs sociaal beloond. Geweld en de attributen van geweld worden min of meer onbewust geassocieerd met viriliteit en machismo. Bovendien kan men zijn meest bizarre en exuberante sexuele fantasieën en obsessies, geprojecteerd in de vijand, naar hartelust vervolgen. Geperverteerde sexuele componenten zijn duidelijk herkenbaar in het anti-semitisme, racisme, fascisme, en in de middeleeuwse heksenwaan62.

* Het lustaspect van geweld: Behalve de hierboven genoemde functies die geweld kan vervullen voor bepaalde categorieën mensen, is er een aspect aan geweld dat velen geneigd zullen zijn te ontkennen of slechts met tegenzin en huivering te erkennen: het lustbeleven aan geweld. Bedoeld wordt hier niet de kennelijke sexuele lustcomponent die een rol speelt bij sadisme, lustmoord, en andere als pathologisch te qualificeren gedragingen. Bedoeld wordt wél de onverholen `kick', de `thrill', de moordlust en bloeddorst, de status orgasticus van de vernietigingsdrang (een toestand vergelijkbaar met die van de berserker of amokmaker, een toestand ook die bij veel volken bewust geïnduceerd werd m.b.v. drugs, alcohol, krijgsdansen, etc.), "There is a thrill in killing that lies latent in most of us, but which can readily surface under the right circumstances" (Bourne, 1971)63. Het `necrofiel geweld' (zoals Fromm het noemt) dat in zijn rabiate wellust zijn eigen rechtvaardiging is geworden64. Men behoeft geen orthodox psychoanalyticus te zijn om in bepaalde vormen van collectief geweld, vooral in de oorlogsvoering van `primitieve' volken herkenbaar, die aspecten waar te nemen die beschreven zijn met de termen `thanatisch feest', `orgie van vernietiging', `bloeddronken furie', `de roes en de extase van het offensief', `delirium van bloeddorst', etc.65
Ook de massacres, zoals in Vietnam bedreven door normale Amerikaanse, nauwelijks de schoolbanken ontgroeide `kids', in een permissieve context van racisme en dehumanizatie (`Kill more dinks') waarin dit soort praktijken `Standard Operating Procedure' kon worden, leveren een beeld op van een als lust beleefde, orgiastische moordlust en destructiedrang. Zoals een G.I. getuigde: "It was fun, it was fun to shoot people. That was the thing with the 173rd: they loved to kill" (Kunen, 1971)66. Andere soldaten rapporteerden in retrospectieve dat zij "were dying for a chance to kill". `Ontsporing van geweld' (van Doorn & Hendrix, 1970) lijkt hiervoor wel een zeer milde benaming. Ook termen als `verlaging van de schietdrempel' (Hueting, 1973) klinken wel wat al te antiseptisch67.
Een grote rol in deze massamoorden speelde wat hierboven als `diffuse sanctionering' is aangeduid: Officiële bevelen ertoe werden niet expliciet gegeven, maar iedereen wist stilzwijgend dat het gebeurde, dat het oogluikend werd getolereerd zoniet aangemoedigd, dat het routine was, dat het ook van hen werd verwacht, en dat zij konden rekenen op de medewerking van de staf om deze zaken effektief te verdonkeremanen. Bij `body counts' werden afgemaakte babies eenvoudig tot verraderlijke VietCongs gerekend.
Het is waarschijnlijk dat een dergelijke toestand voorafgegaan wordt door een ego-regressie en een psychische verdoving, teweeggebracht door een geleidelijke desensitizatie. Een aanwijzing daarvoor kan zijn dat ook andere `primitieve' praktijken voorkwamen zoals het als krijgstrofeeën aan een ijzerdraad verzamelen van afgesneden oren van dode VCs. Ook wraakzucht speelt waarschijnlijk in deze processen een rol, mogelijk via het mechanisme van `het lenigen van eigen smart door toevoeging van leed aan anderen' (de paranoïde verwerking van het rouwproces)68.
Volgens verscheidene onderzoekers zijn het psychopathoïde personen die het initiatief nemen tot dergelijke acties, en dan als een soort catalysator fungeren voor de meer `normalen'.

* Bureaucratisering: de banaliteit van het kwaad: De grootste destructiviteit echter vertoont het collectieve instrumentele geweld: de bureaucratische, fabrieksmatige Endlösungsmachinerie, waarin mensen door `rationele' kille calculaties worden geabstraheerd tot te verwerken product of tot louter getal. Voor de verklaring van oorlogsmisdaden op gigantische schaal, zoals de Nazi-Vernichtungslager, moet nog een volgende factor worden geïdentificeerd, n.l. processen van bureaucratisering en routinizering in een hiërarchisch bevelsapparaat, waarin de worst van de verantwoordelijkheid voor het eindresultaat (de massale vernietiging van mensenlevens) in zo flinterdunne plakjes wordt verdeeld dat niemand die meer voelt (verantwoordelijkheidssuspensie); processen die de betrokken individuen afschermen van de gruwelijke realiteit door zowel slachtoffer als slachter hun identiteit te ontnemen, anoniem te maken; die de handelingen van het individu zodanig structureren dat er geen gelegenheid is morele of ethische beslissingen te nemen, en waarin de betrokkenheid van het individu is gereduceerd tot een simpele, op zichzelf onbenullige handeling: éen vervangbaar radertje van de gigantische vernietigingsmachinerie, éen miniem schakeltje in een keten die leidt tot de rigoureuze Endlösung.
Deze processen spiegelen zich duidelijk in de pervertering van de taal. Het taalgebruik wordt daartoe gedesinfecteerd en gesteriliseerd: klinische en antiseptische eufemismen, verbale camouflage en steriele acronymen, getechnologiseerd en ontmenselijkt, verwijzen niet meer naar bloederige lijken en doodsstrijd, naar angst, pijn en lijden van mensen.
Op individueel niveau behoeven de motivaties niet méér `kwaadaardig' te zijn dan institutionele gehoorzaamheid aan superieuren in de hiërarchie (Befehl ist Befehl), conformering aan de normen69, conventies en ongeschreven regels van de ingroup, angst voor ostracisme, angst voor werk-, status- of prestigeverlies. Een dergelijke organisatie heeft behoefte aan het type van de rigide, conformistische, en streberige bureaucraat, die thuis geen vlieg kwaad zal doen. Dit is het wat Hanna Ahrendt aanduidde met de `banaliteit van het kwaad'70.