De Rechtvaardiging van Geweld:

1. Oorlogsapologie en Sociaal-Darwinisme


Dr. Johan M.G. van der Dennen
Vakgroep Rechtstheorie, sectie Politieke Wetenschappen
(voorheen Polemologisch Instituut), Rijksuniversiteit Groningen


"Der Frieden ist ein Traum, und nicht einmal ein schöner Traum"
von Moltke

Inleiding

De rechtvaardiging van geweld - hoe en waarom, en met welke inventiviteit, mensen hun eigen gewelddaden goedpraten, en de blijkbaar universele behoefte die daden in hun eigen en andermans ogen te rechtvaardigen - is een thema dat mij al meer dan twintig jaar fascineert1. Een prominent aspect daarvan is de positieve waardering van het oorlogsgeweld. In de loop der eeuwen is de oorlog zeer uiteenlopend gewaardeerd. Zo werd ten tijde van Hippocrates (vierde eeuw v. C.) oorlog vergeleken met ziekte en vrede met gezondheid2. Vele eeuwen later werd vrede daarentegen gelijkgesteld met een kwalijke ziekte, en oorlog met de therapie. In dit eerste artikel over de rechtvaardiging van geweld zal ik een samenvatting van mijn literatuurstudie over de apologie van de oorlog presenteren. In een volgend artikel zal ik nader ingaan op de psychologische aspecten van de geweldsrechtvaardiging.

Oorlog is een vorm van massaal, collectief geweld, en wel het meest totale, destructieve en dodelijke geweld waarover de mens beschikt. Of er periodiciteit dan wel andere 'trends' in de frequentie van oorlogen zijn te vinden, is een interessante, maar ietwat droge, statistische materie, waarmee ik me hier niet bezig zal houden3. In dit artikel zal ik slechts een bepaald aspect van de waardering en beleving van oorlogsgeweld aan de orde stellen, en wel de rechtvaardiging van de oorlog.
Als 'oorlogsapologeten' worden die auteurs (wetenschappers, filosofen, theologen, dichters, dramaturgen, etc.) aangeduid die, om welke redenen ook, de noodzaak van oorlog proclameren - variërend van fatalistisch, zoals bijv. Thomas de Quincey (1785-1859)4 die de noodzaak van oorlog geworteld zag in een "sad overruling principle which it is in vain to fight against" tot panegyrisch (positief verheerlijkend) zoals bijv. Ratzel (1905)5, grondlegger van de 'geopolitiek', die schreef: "Wer sich einmal an die Waffen gewöhnt hat, mag aus mancherlei Gründen sagen: Schade daß es nicht mehr Kriege gibt".
Kenmerkend voor de apologeten is het idee dat vrede ongewenst is; vandaar de wenselijkheid, onvermijdelijkheid, noodzakelijkheid zelfs, van oorlog: oorlog als desideratum. In zijn meest geëxalteerde vorm is het een verheerlijking van de oorlog, soms zelfs culminerend in een regelrechte vergoddelijking (deïficatie) van de oorlog.
Een tweede karakteristiek is de functionalistische oriëntatie. Immers, oorlog wordt verondersteld belangrijke, essentiële of vitale functies te vervullen (al was het maar de straf voor 's mensen zondigheid), ook al bestaat er een discrepantie tussen de verschillende stromingen welke functies precies worden vervuld.
De apologie van de oorlog is, in verschillende verschijningsvormen en ideeënconstellaties, te beschouwen als een 'constante' in het westerse denken. Hoezeer het ook voor de huidige, weldenkende en welwillende, zich Christen noemende, mens vanzelfsprekend is anti-oorlogssentimenten te koesteren, hij zou er goed aan doen te beseffen dat er in de gehele westerse christelijke traditie tot ver in de twintigste eeuw een onderstroom van oorlogsrechtvaardiging is geweest, die zelfs in het nucleaire tijdperk - het Tijdperk van de Megadoden - nog waarneembaar is. Deze onderstroom werd, bij vlagen, tot 'mainstream'.
Ik zal in dit artikel een globaal historisch overzicht geven, en enkele elementen van dit type denken aanwijzen. Het zal dan blijken dat de bio-sociologische of sociaal-Darwinistische oorlogsapologeten niet veel meer deden dan nieuwe, aan een verkeerd begrepen evolutietheorie ontleende, argumenten toevoegen aan reeds lang bestaande apologetische sentimenten.

Oorlog als Natuurtoestand

De judaeo-christelijke religie van het avondland is (naast Islam, Zoroastrisme en Mithraisme) van alle (monotheïstische) religies de meest oorlogszuchtige en gewelddadige6.
Het christelijke westen kent een lange geschiedenis van wreedheid, terreur, fanatiek geweld en religieuze (of ideologische) intolerantie. Sommige auteurs spreken in dit verband van het Faustiaanse karakter van de westerse cultuur7.
Om dit enigszins begrijpelijk te maken dienen de twee belangrijkste 'inputs' waaraan onze cultuur schatplichtig is, de Helleense en de Joodse, te worden gememoreerd.
In het Griekenland van de Homerische periode en van de latere stadstaten was oorlog endemisch. Voor de meeste Griekse denkers en geschiedschrijvers, zoals Aristoteles, Isocrates en Thucydides, is oorlog een volkomen natuurlijke toestand, dikwijls onverbloemd gerechtvaardigd met het 'recht van de sterkste' of de 'menselijke natuur'. Bij, onder andere, Plato en Philo wordt oorlog als onvermijdelijk voorgesteld. De Romeinse oorlogsvoering was imperialistisch en roofzuchtig, en noodzakelijk omdat de Romeinse economie hierop dreef (Cicero). De Romeinse filosofen en historiografen aanvaardden, als ze er zich sporadisch mee bezig hielden, oorlog in het algemeen als behorend tot de natuurlijke orde der dingen, met de nadruk op het realistisch-pragmatische principe 'Si vis pacem, para bellum'. Tacitus observeerde in de eerste eeuw van de christelijke era, dat de menselijke hartstocht naar macht, machtswellust, tot oorlog leidde, en dat deze hartstocht de mens is aangeboren. Mensen worden geboren om elkaar te beoorlogen, zoals ze geboren worden om zichzelf voort te planten. Vrede behoort derhalve niet tot de natuurlijke orde der dingen8.
Het Oude Testament (OT) verhaalt met bloeddorstig gusto een relaas van oorlogen en slachtingen onder regie en supervisie van de belligerente God der Wrake. Er is slechts één uitverkoren volk, de andere volken zijn inferieure, ondergeschikte 'outcasts', geschikt om uitgeroeid te worden. Het OT levert een modelvoorbeeld van militant-etnocentrische superioriteitswaan. In Deuteronomium 20; 17 heet het: "Maar uit de steden van deze volken die de HERE, Uw God, U ten erfdeel zal geven, zult gij niets wat adem heeft in leven laten, maar gij zult ze volledig met de ban slaan, de Hethieten..." enz. (In de engelse bijbelvertaling is van het eufemisme 'met de ban slaan' niets te bekennen: "Thou shalt save alife nothing that breatheth; but thou shalt utterly destroy them"). In Richteren 21 wordt het uitverkoren volk eveneens bevolen allen, inclusief vrouwen en kinderen, te vernietigen. Deze voorschriften voor methodische genocide worden herhaald in o.a. Deut. 7 en 12; Joshua 1-3, 6, 8, 10; Koningen 3, 22, 23; Isaiah 61; en Psalm 135. Bozeman9 geeft als commentaar: "In all the literature exhorting and ennobling war, nothing comes to mind that is quite so chilling as these passages from Deuteronomy". (Er komen uitzonderingen op deze macabere traditie voor. In feite blijven een belligerente en een pacifistische traditie binnen het OT, onoverbrugbaar en onverzoenbaar, naast elkaar bestaan).
Uitroeiings- en onderwerpingsoorlogen werden, in het algemeen, niet alleen als 'normaal', maar ook als (goddelijk) gesanctioneerd en onvermijdelijk beschouwd. De apologetische houding ten opzichte van oorlog vinden we terug bij de patristische denkers, niet alleen in de theologische uitwerking van de Romeinse leer van het 'bellum justum' (de 'rechtvaardige oorlog'; althans sommige - d.w.z. onze - oorlogen moesten gesauveerd worden), maar ook in de mystiek-religieuze, of metafysische doctrine van de onvermijdelijkheid van oorlog; met dien verstande dat de allereerste kerkvaders (Justinus, Tatianus, Clemens, Tertullianus, Origenes, Cyprianus, Minucius Felix, Arnobius, Lactantius, Athanasius) zich tegen oorlog en tegen krijgsdienst voor christenen uitspraken. Zij konden dit overigens doen zolang de kerk zich in feite politiek isolement en escapisme kon veroorloven. Maar na de godsdienstvrijheid van Constantinus in 313 en de latere aanvaarding van het Christendom als de staatsreligie van het Romeinse Imperium in 383, werd al spoedig besloten tot de excommunicatie van de Christen die weigerde de wapens op te nemen.
De 'Christian Soldier' was geboren, niet bepaald tot heil van het avondland. Oorlog werd kerkelijk gesanctioneerd, het christelijk leven in militaire termen beschreven, Christus als Imperator voorgesteld, en ketters als deserteurs van de 'Militia Christi'. De clerus - van paus tot bisschop - hield er legers op na en timmerde er vrolijk op los, niet bovenmatig gehinderd door christelijke naastenliefde. Tot welke waanzinnige excessen dit kon leiden is uitvoerig, en bitter, beschreven door Deschner (1966)10.
Van de eerste Kruistocht in 1095 tot de 7e in 1270 - de stap van 'rechtvaardige' naar 'heilige' oorlog bleek klein - werd oorlogvoeren tegen de ketters en ongelovigen zelfs tot een teken van religieuze devotie.
Met de kerkvaders Hieronimus, Ambrosius, Chrysostomus en Prudentius werd het christelijk militant chauvinisme geboren. Augustinus (354-430) schilderde oorlog in zijn 'Civitas Dei' als noodzakelijk kwaad, misschien lamentabel, maar wel integraal bestanddeel van de 'condition humaine', immers door de God van het Oude Testament, de God van het Nieuwe Testament (Mattheus 24;6), en het Romeinse Imperium gesanctioneerd11. De officiële politiek van de post-Constantijnse kerk werd door deze ideologie gedicteerd. Het is wel gekarakteriseerd als "de zondeval van het Christendom"12. Augustinus' preoccupatie met de menselijke erfzonde versterkte zo mogelijk nog de conceptie van oorlog als onvermijdelijk. Thomas van Aquino (1225-1274) concludeerde, in zijn De Regno dat Christendom en oorlog niet onverenigbaar waren, en hij verwierp het, volgens hem, absurde denkbeeld dat Christus pacifist geweest zou zijn13. De criteria voor een 'bellum justum' werden door Thomas met alle scholastische spitsvondigheid uitgewerkt. Het was, verordonneerde Thomas, voor een Christen verboden in een niet-rechtvaardige oorlog te vechten. Maar omdat geen enkele prelaat de oorlogen van de eigen partij onrechtvaardig verklaarde, leverde dat in de praktijk geen noemenswaardige problemen op.

Oorlog als Cataclysme en als 'Gesel Gods'

In de tijd dat het Christendom zijn zwarte nachtzijde aan de wereld toonde - in de vorm van de barbaarse kruistochten, moordende en plunderende conquistas, uiterst wrede godsdienstoorlogen, Inquisitie, ketterjachten, heksenverbrandingen en Jodenvervolgingen - leefde de 'populaire' conceptie van oorlog als noodlot, als een periodieke, onafwendbare catastrofe, even onvermijdelijk als een natuurramp of een pestepidemie (de z.g. 'cataclysmische' oorlogstheorie). Deze conceptie van oorlog als door boven- of buitenmenselijke factoren teweeggebrachte ramp kan gemakkelijk overgaan in de opvatting van oorlog als straf, penitentie, boetedoening, 'Gesel Gods', wanneer het met magisch, défaitistisch, apocalyptisch denken en met religieus veroorzaakt, masochistisch zonde- of schuldbesef wordt geassocieerd. In de Elizabethaanse periode, rond 1600, vinden we vele bronnen die hierin de verklaring en de functie van oorlog zoeken: "Warre is nothing else but a divine scourge for sinne" (C.G., A Watchworde for Warre', 1596).
Engeland werd in deze periode overstroomd door een vloed van tractaten van militante alarmisten. Clericale, en anderszins moralistisch bevlogen, zegslieden koesterden een zeer getourmenteerde visie op de 'Vrede op Aarde'. Van Augustinus en andere kerkvaders stamde een in die tijd nog steeds bestaand wantrouwen tegen een al te volmaakte harmonie op dit ondermaanse, waar immers het leven zelf strijd en zonde betekende. En vooral in vredestijd floreerde de zonde. Vele Elisabethaanse sermoenen luidden derhalve eveneens de alarmistische noodklok. Het zou niet de eerste of laatste keer zijn in de geschiedenis van het avondland dat Kerk en Krijgsbedrijf elkander eendrachtig omarmden.

"When the Lord meaneth to plague a wicked nation for sinne and to translate them to the power and scepter of another nation, then He filleth them with the fatnesse of the earth, and geeveth them peace that they may wax rotten in idleness, and become of dulle wittes, and slow of courage, weak handed and feeble kneede" (Geoffry Gates, The Defence of Military Profession, 1579).

Oorlog als Purgator en als Regeneratrix

De wufte verwijfde luxe, de decadentie, de al te ver voortgeschreden civilisatie; deze larmoyante stand van zaken werd door de Renaissance denkers zeer consistent toegeschreven aan een afgenomen viriele en gezonde portie oorlogszucht, en diende dan ook door oorlog gecorrigeerd. De strijd zuivert en regenereert. Oorlog als Purgator en Therapeutisch Tonicum, zo ongeveer werd de voornaamste functie van oorlog voorgesteld in dit geteisterde tijdperk. Met zo'n morbide fantasie en suggestiviteit werden de kwalen en trauma's van de vrede door de Elisabethaanse schrijvers gediagnostiseerd dat vrede synoniem werd met ziekte, een pathologische conditie. Thomas Churchyard vergeleek de vrede plastisch met een etterende zweer: "a swelling soer, that festers sowndest mynd and so bursts owtt in bylls, in botch or ulcerss greatt" (Commendatory verses to Barnaby Rich's Allarme to England, 1578). Suggestiever nog werd vrede vergeleken met een verborgen, in alle stilte en geniepigheid voortwoekerend ziekteproces. In overeenstemming met de notie van vrede als ziekte was de notie van oorlog als therapie. Bijkomend voordeel was dat het 'schuim der natie' door oorlog werd opgeruimd. Soldaten waren immers niet meer dan "the very scomme, theaves and roges of England... and that the Realme (being too full of people) is very well ridde of them" (John Smythe, Discourses, 1590). In het toneelstuk 'The Two Noble Kinsmen' (1612), dat wel aan Shakespeare wordt toegeschreven, wordt de hele constellatie van functies die oorlog zou vervullen magistraal samengevat:

O great corrector of enormous times,
Shaker of o'errank states, thou grand decider
Of dusty and old titles, that heal'st with blood
The earth when it is sick, and cur'st the world
O' th' plurisy of people14.

In navolging van Machiavelli15 (Discorsi, 1513) adviseren de mercantilisten en politieke filosofen de vorst om zich een vijand aan te schaffen die kan dienen als 'bliksemafleider' om interne conflicten zo te 'exporteren'. "Le prince sage calme son peuple enragé en le menant à la guerre' (Botero, 1588)16.

Oorlog als Immanent Goddelijk

De apotheose van de geëxalteerde mystiek-metafysische conceptie van oorlog is de vergoddelijking van oorlog door Joseph de Maistre (1753-1821)17. Niet alleen is menselijk bloed de natuurlijke meststof voor de plant genaamd genie, en van de beste vruchten van de menselijke natuur, de viriele deugden, de kunst, wetenschap, de grote ideeën; maar de oorlog is in essentie goddelijk. De Maistre verwijst naar de "loi occulte et terrible" van de bloedige vernietiging van de gehele schepping. De aardkloot, voor eeuwig en altijd met bloed doordrenkt, is niets anders dan een immens slachtaltaar waarop alle levende wezens geofferd moeten worden, zonder eind, zonder limiet en zonder ophouden, tot het Kwaad zelf is uitgeroeid en tot de Dood zelf dood is. In de oorlog voltrekt zich de goddelijke wraak aan de mensheid. De oorlog is immanent goddelijk. Het enige werk dat de Maistre's thanatische 'status orgasticus' benadert is wellicht Proudhon's (1809-1865) La guerre et la paix18, waarin op dezelfde manier aan oorlog een sacraal karakter wordt toegekend. Oorlog is het symbool van de grandeur van de mensheid. "Salut à la guerre. C'est par elle que l'homme, à paine sorti de la boue qui lui servit de matrice, se pose dans sa majesté et sa vaillance".
Proudhon geeft ook een evolutionistisch argument dat in de 19e eeuw de metafysische apologie van de oorlog kwam versterken: de verbetering van de soort of in elk geval van het 'ras'. Oorlog is, in Proudhon's visie, niet alleen sacraal. Hij is onvermijdelijk en noodzakelijk voor de ontwikkeling van de mensheid, voor de versterking van week en slap geworden naties, voor de verbetering van het ras, voor het recht van de sterkste, voor de vigeur in het leven, voor de 'sociale vitamines'. Oorlog is een essentiële categorie van de menselijke rede, alle denkbeelden en sociale mythen doordringend. Oorlog is de schepper van de religie (alle goden van 's werelds pantheon waren oorspronkelijk oorlogsgoden), van het recht en zelfs van de esthetica. Oorlog is ook de Grote Disciplinator van de mensheid. Bovendien "Aux yeux des femmes, le guerrier est l'idéal de la dignité virile". 'Vrouwen vallen op uniformen' werd ons in dienst geleerd.
Weinig minder sacraal is de oorlog in John Ruskin's (1819-1900) morele exaltatie: "I found, in brief, that all great nations learned their truth of word and strength of thought in war; that they were nourished in war and wasted in peace; taught in war and deceived by peace; trained by war and betrayed by peace - in a word, they were born in war and expired in peace".
Vandaar is het maar één stap naar de esthetische verheerlijking van de krijg: 'der frische fröhliche Krieg'. Oorlog verheven tot 'Gesamtkunstwerk'; door vervoering bezielde idolatrie die vooral bloeide aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog19.

Oorlog als 'Weltgericht'

Met Aristoteles (384-322 v.C.) ontstond de doctrine van de natie-staat als een souvereine 'totale' entiteit. Nicolo Machiavelli (1469-1527) voegde daaraan de amoraliteit van de staat toe. Politiek en ethiek worden volkomen ontkoppeld. Woordbreuk, bedrog, fraude, geweld, sluipmoord, wreedheid en het hele arsenaal van politieke 'dirty tricks' is geoorloofd, indien deze opportuun, in dienst en in het belang van de staat, de raison d'état, zijn. Er ontstaan allerlei 'rationalistische' theorieën omtrent het probleem of oorlog al dan niet beschouwd moet worden als de natuurlijke staat tussen de mensen dan wel tussen de staten. Voor Thomas Hobbes (1588-1679)20 was de natuurlijke toestand tussen de mensen een 'bellum omnium contra omnes' (primair te verstaan als een toestand van chronisch conflict), gemotiveerd door het streven naar macht, competitie, wantrouwen en menselijke ijdelheid. De wreedheid van deze permanente burgeroorlog en de angst om het bestaan zou de burgers er toe gebracht hebben een sociaal contract aan te gaan waarbij aan de vorst de absolute macht wordt toevertrouwd. Dit geschiedt evenwel alleen voor de handhaving van de interne veiligheid. In de betrekkingen tussen de staten blijft de natuurlijke staat van oorlog bestaan.
Bij de vrede van Westphalen (1648) werd de opvatting van de prioriteit van het religieuze in politieke zaken verlaten, en daarvoor het nationale ten troon verheven. Het tijdperk van de nationale oorlogen was aangebroken. Niet geïnspireerd door een of ander supranationaal ideaal, en niet door een hogere instantie in toom gehouden, raakten de souvereine staten verwikkeld in een krankzinnige wedloop om de macht, en de 'bellum omnium contra omnes' was het resultaat. Maar de staat was nog geen object van adoratie. Fichte (1762-1814)21 leverde het (duitse) nationalisme zijn eerste theorie (Reden an die deutsche Nation). De staat wordt een object van idolatrie, gebaseerd op volkssentimenten en superioriteitswaan. Het was aan Hegel (1770-1831)22, de pruisische brulaap en obscurantist (zoals Fichte en Schopenhauer hem noemden), voorbehouden om de meest consistente en 'totale' étatistische (in het belang van de staat) apologie van de oorlog te construeren. Oorlog vernietigt weliswaar de burgers, maar - hoe genereus - schenkt de Staat. Hoewel Hegel's ideeën over oorlog stuk voor stuk niet bepaald origineel zijn, is zijn totale systeem een intellectueel corrupte constructie van voornamelijk bombastische retoriek. De Staat, volgens Hegel, is de Goddelijke Idee, zoals die op aarde bestaat. De Staat is het volmaakte produkt van de 'Weltgeist'. De Staat is 'vollendete Sittlichkeit'. Kortom, de Staat is God.
In Hegel's dialektiek betekent individualiteit ontkenning, en ontkenning de schepping van een antithese, een tegenstelling, een tegenstander, een vijand. De Staat nu is een Individu, en als Individu moet de Staat oppositie scheppen, een vijand creëren. In zijn Grundlinien der Philosophie des Rechts (1821) identificeert Hegel de 'diepere' betekenis van de oorlog: "evenals de beweging van de winden de zee afhoudt van de vervuiling die een constante kalmte teweeg zou brengen, zo voorkomt oorlog een bederf van volken welke een blijvende, laat staan eeuwige vrede teweeg zou brengen". Door oorlog ontsnapt de mensheid aan morele en intellectuele stagnatie, zoniet degeneratie en verval in materialisme, zelfgenoegzaamheid, verwijfdheid, decadentie, apathie, corruptie, en andere rampzaligheden. Hegel voegt aan de bekende litanie geen nieuwe elementen toe. Bijna alle kwaadaardige denkbeelden van het moderne totalitarisme zijn een direct erfdeel van Hegel: a. Nationalisme in de vorm van het idee dat de Staat de belichaming is van de Geest van het Volk dat de Staat schept; één uitverkoren volk is voorbestemd tot wereldbeheersing; b. De Staat, de natuurlijke vijand van alle andere Staten moet zijn bestaan in de oorlog tot gelding brengen; c. De Staat is vrijgesteld van zedelijke verplichtingen. De geschiedenis, het historisch succes, is de enige rechter: "Die Weltgeschichte ist das Weltgericht"; d. Het Führer-principe, de scheppende rol van de Grote Man, de wereldhistorische persoonlijkheid; e. Het ideaal van het 'heroische' leven23.
Men hoeft voor 'Geest' en 'Volk' slechts te substitueren 'Bloed' en 'Ras', en het resultaat is een korte inventarisatie van Hitler's Mein Kampf.
De pruisische geschiedschrijver von Treitschke (1834-1896)24 toont hoe zeer hij Hegel's dialectisch essentialisme begrijpt als hij schrijft dat oorlog niet alleen een practische noodzakelijkheid is, maar ook een theoretische: een eis der logica. "Die Hoffnung den Krieg aus der Welt zu vertilgen ist nicht nur sinnlos, sondern tief unsittlich". Max Scheler25 vatte in 1915 het hegeliaanse denken wellicht het best samen: "Der kriegführende Staat ist der Staat in der höchsten Aktualität seines Daseins".
De zuiverende, cathartische functie van oorlog wordt na Hegel weer met obstinate regelmaat herhaald. Ook door de dienaren der Heilige Kerk. Bijvoorbeeld George Wood Anderson26, aalmoezenier in de Eerste Wereldoorlog, verzekerde in 1919: "What most men call peace is mere stagnation. War brings the needed movement to the stagnant waters that they may be purified". Het zal na het voorafgaande niemand verbazen dat sommige van de meest fanatieke apostelen van 's mensen veronderstelde oorlogszucht en de mystieke goddelijkheid van de oorlog uit het christelijke kamp kwamen. Tot op de huidige dag. Nels Ferré27 bijvoorbeeld bedacht in 1950 dat omdat God de wereld heeft geschapen compleet met de mogelijkheid tot oorlog, er derhalve een goddelijke bedoeling achter moet zitten. Oorlog moet dan de uitdrukking zijn van de Kosmische Strijd (Het aloude manicheïsch dualisme, dat wil zeggen de kosmische strijd van de krachten van het Licht tegen de krachten van de Duisternis, is waarschijnlijk via Augustinus de christelijke theologie binnengeslopen). Laten we vooral niet uit het oog verliezen, aldus Ferré, dat "God has made this kind of world and that we have no right therefore to deny that wars, however indirectly, have somehow a place in it".
Wanneer oorlog de uitvoering is van een of ander goddelijk plan, het voor aardse stervelingen onontrafelbare ontwerp van de Voorzienigheid, dan behoeft het geen verwondering te wekken dat de kerken traditionele bolwerken van militarisme zijn geweest. Geheel in de geest van de christelijk-metafysische doctrine schreef Helmuth von Moltke (1800-1891)28: "Oorlog is een element van de goddelijke wereldorde. Oorlog wekt de nobelste deugden in de mens: moed, gehoorzaamheid, plichtsbesef, zelfopoffering: de soldaat geeft zijn leven. Zonder oorlog zou de wereld stagneren en in materialisme verzinken". Dezelfde von Moltke verklaarde lapidair: "Der Frieden ist ein Traum, und nicht einmal ein schöner Traum".
Wellicht is, zoals Berdyaev (1874-1948) concludeerde, een zondige wereld ten eeuwige dagen gedoemd oorlog te voeren, zonder respijt, 'in saecula saeculorum'. De 'morele' noodzaak van oorlog, en oorlog als 'Kulturnotwendigkeit' en 'Weltgericht', al dan niet gecontamineerd met de conceptie van de 'goddelijke straf voor 's mensen zondigheid, en de veronderstelde oorspronkelijke, oorlogszuchtige 'menselijke natuur', bleef het dogma van alle latere metafysische apologeten.
De karakteristieken van deze stroming kunnen nu als volgt worden samengevat: Oorlog is de wil (respectievelijk wraak, gesel, discipline) van God, Natuur of Fatum, althans element van de goddelijke wereldorde; bovendien medium en instrument van menselijke, culturele, socio-politieke en vooral morele vooruitgang, althans datgene wat stagnatie, degeneratie, involutie verhindert; culminerend in de Staat als hoogst denkbare ontwikkeling, en derhalve onvermijdelijk en gewenst.

Oorlog als 'Agent of Progress'

In de loop van de tweede helft van de negentiende eeuw sijpelen ook bij de metafysische en étatistische apologeten van de oorlog sociaal- Darwinistische ideeën binnen zoals we bij Proudhon reeds zagen29. Ook het denkbeeld van een al dan niet lineaire vooruitgang wordt steeds meer met verwijzingen naar de evolutietheorie biologisch onderbouwd. Termen als 'de soort' of 'het ras' duiken op. Nietzsche (1844-1900)30 schrijft in zijn Jenseits von Gut und Böse: "Wir vermeinen dasz Härte, Gewaltsamkeit, Sklaverei, Gefahr auf der Gasse und im Herzen; Verborgenheit, Stoizismus, Versucherkunst und Teufelei jeder Art, dasz alles Böse, Furchtbare, Tyrannische, Raubtier- und Schlangenhafte am Menschen so gut zur Erhöhung der Spezies 'Mensch' dient als sein Gegensatz... Fast alles was wir 'hohere Kultur' nennen, beruht auf der Vergeistigung und Vertiefung der Grausamkeit." (cursivering in origineel). En in zijn 'Zarathustra' heet het: "Der Mann soll zum Kriege erzogen worden und das Weib zur Erholung des Kriegers: alles andere ist Torheit". Met zijn 'Übermensch' en 'blonde Bestie' voelden de latere superariërs zich nogal verguld.
Vroeg in de negentiende eeuw werd door een aantal filologen en historici de mythe van het 'Aryanisme' gelanceerd (met als latere varianten Teutonisme en Nordicisme), gebaseerd op de valse identificatie van een hypothetische linguïstische groep met een 'arisch ras', waarmee de ouverture tot een louter raciale interpretatie van de geschiedenis werd ingeluid: Gobineau (1853)31, Gumplowicz (1883)32, Ratzenhofer (1893)33, Chamberlain (1899)34, Oppenheimer (1908)35, en de Savorgnan (1909, 1914)36.
Gobineau en Chamberlain interpreteerden de geschiedenis van de menselijke civilisaties in termen van inferieure en superieure rassen en hun vermenging. Voor Gobineau was het nobele en superieure ras het blanke, speciaal het arische type. Rasvermenging zou leiden tot degeneratie en cultuurverval. Voor Chamberlain was het Teutoonse ras superieur. Zijn omvangrijke, quasi-filosofische oeuvre werd de bijbel van het duitse anti-semitisme.
Gumplowicz, in zijn werk Der Rassenkampf verklaarde de geschiedenis als het product van een eeuwig en dodelijk groepsantagonisme. De bloedige, soms genocidale strijd tussen rassen en volken om dominantie en suprematie is de essentiële motor van de evolutie van de soort. Alle maatschappijvormen en sociale instituties worden uit oorlog geboren. Het ontstaan van de staat en van het recht is rechtstreeks te verklaren uit de onderwerping en de exploitatie van de overwonnenen door de overwinnaars. Het recht is altijd het recht van de sterkste. Sociale stratificatie, ongelijkheid en slavernij ontstonden doordat de overwinnaars de oorlogsaristocratie gingen vormen van de veroverde volken. De basisconceptie van de rassenstrijdtheorie vertoont een grote gelijkenis met de marxistische leer van de klassenstrijd.
Door Bagehot (1872)37, Spencer (1873)38 en Steinmetz (1907, 1929)39 werden deze 'Rassenkampf' interpretaties vertaald in meer biologische termen van intergroep selectie: door oorlog worden de zwakkere volken uitgeroeid. Oorlog is een instrument van evolutie, een 'agent of progress'. Spencer verklaarde:

"Warfare... has had the effect of continually extirpating races, which, for some reason or other, were least fitted to cope with the conditions of existence they were subject to. The killing-off of relatively feeble tribes, or tribes relatively wanting in endurance, or courage, or sagacity, or power of co-operation, must have tended ever to maintain, and occasionally to increase, the amounts of life-preserving powers possessed by men".

Maar selectie werkt niet alleen op groepen of andere collectieven (intergroep selectie), maar ook op individuen (de intragroep selectie). Dit laatste nu is, volgens Spencer, in het huidige stadium van de beschaving, een oorzaak niet van evolutionaire vooruitgang maar van achteruitgang: "War, therefore, after a certain stage of progress, instead of furthering bodily development and the development of certain mental powers, becomes a cause of retrogression".
Ontelbare studies werden aan dit probleem gewijd. Voor het overgrote merendeel zagen deze zogenaamde 'selectionisten' de oorlogsselectie als negatief. De intragroep selectie kan op twee manieren plaatsvinden: direct en indirect. Direct door de eliminatie in de strijd op het slagveld van de beste, sterkste en intelligentste elementen uit de populatie. Of indirect op de volgende wijze: De Romeinse oorlogsregel 'Parcere subjectes et debellare superbos' moet voor het grootste gedeelte van de menselijke geschiedenis hebben gegolden: de zwakken werden gespaard, de sterkeren genadeloos afgeslacht. Met het gevolg dat "Since the submissive, to the exclusion of the brave and upright men, beget children, the traits of baseness and servility become fixed in the race"40.
Steinmetz redeneerde dat, zelfs al is oorlogsselectie negatief, deze negatieve aspecten meer dan gecompenseerd worden door de positieve aspecten van oorlog. De selectie in vredestijd is namelijk, volgens Steinmetz, ook negatief en retrogressief. Vrede leidt tot ondeugden, decadentie, corruptie, verwijfdheid, weekheid, verlies van viriliteit, verlies van moed en altruïsme, etc. (Men is het door de eeuwen heen roerend met elkaar eens wat betreft de verschrikkingen van de vrede). Daarom is slechts de vraag welke van deze beide negatieve selecties slechter en regressiever is: "War that shatters her slain / And peace that grinds them as grain".
Steinmetz onderkent meer nog dan Spencer het biologische ultima ratio aspect van oorlog. Het is nog steeds een instrument van groepsselectie. De overwinnaar in de strijd zal dat zijn op grond van zijn 'totale' superioriteit: "alle Eigenschaften, alle Erfahrungen, das ganze Sein und Haben des Volkes wirken zur Entscheidung in der endgültigen Prüfung mit". Zonder oorlog geen collectieve selectie en geen vooruitgang. "Ohne Krieg Erstarrung der Staten. Die wirkliche Aufhebung des Krieges wäre das erste Symptom des Todes".
Reeds door Herakleitos en Empedocles in grote trekken bedacht, kwam het denkbeeld van de natuurlijke selectie, via Malthus, tot bloei bij Spencer, Darwin en Wallace, waar het tot grondprincipe van de biologische evolutie van de soorten werd. Hoewel de formules 'natural selection', 'struggle for existence' en 'survival of the fittest' in feite ietwat dramatische termen zijn voor tamelijk vreedzame processen - aanpassing van soorten aan hun oecologische niche, differentiële fertiliteit (per individu verschillend reproductief succes) binnen de soort, meestal indirecte competitie tussen soorten, etc. - bestond er blijkbaar behoefte in die tijd om de 'struggle' te vertalen in termen van 'nature red in tooth and claw' en 'the law of the jungle'; 'the fittest' te vertalen in termen van 'de meest agressieve of gewelddadige'; en 'selectie' in termen van bloedige eliminatie en permanente staat van oorlog. De sociologische interpretatie van deze verkeerd begrepen biologische principes (die de complexiteit, continuïteit en diversiteit van het leven trachten te verklaren) leidde tot hetgeen men kent als 'sociaal-Darwinisme'. Overigens heeft Darwin net zo weinig te maken met sociaal-Darwinisme als Mendel met raciale superioriteits-doctrines.
Sommige interpreten van Darwin's41 On the Origin of Species by Means of Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life (1859) verklaarden de 'struggle' tot een absoluut en universeel principe (of natuurwet) op alle natuurlijke niveau's: zo is er strijd tussen atomen, moleculen, cellen, organen, organismen, populaties, soorten, etc. Anderen beperken het concept tot de organische (biotische) natuur. "Etre c'est lutter; vivre c'est vaincre... par conséquent, la guerre est la loi du monde" (Le Dantec, 1906)42.
Rond de fin de siècle, aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, terwijl Europa in een ware oorlogspsychose verkeert43, bloeit de sociaal-Darwinistische oorlogsapologie en -verheerlijking, vooral in de geschriften van militairen in Duitsland, Frankrijk en de V.S. Hier volgt een kleine bloemlezing44:
"Honest collision between nations" is "evidently a law of progress" verklaarde de Amerikaanse marine-officier Mahan45. Zijn landgenoot Homer Lea46 trachtte in zijn Valor of Ignorance (1909) aan te tonen dat de groeifase van stammen, naties en beschavingen altijd samenviel met een sterk militair apparaat en met een agressieve, expansionistische politiek. Theodore Roosevelt liet zich overeenkomstig uit. Nog in 1943 'bewees' de marine-officier C.B. Mayo dat bij staten, net als bij individuen, de 'fittest' overleven ten koste van de 'unfit'.
Voor Général Dragomirof47 was oorlog onvermijdelijk, een fundamentele natuurwet. "La guerre" schreef Général Bonnal (1903) "est la forme par excellence de la concurrence vitale". De oorlog "contribue à entretenir les peuples dans une ombre de virilité" aldus Général Cherfils (1911)48.
Bij General von Bernhardi49, self-made discipel van Fichte, Hegel en Darwin, vinden we hegeliaans en sociaal-Darwinistisch denken bijna ideaaltypisch verweven, terwijl het 'Deutschland über Alles' martiaal op de voorgrond klinkt. Zijn 'Deutschland und der nächste Krieg' werd in 1914 in het engels vertaald, waaruit dit citaat:

"War is a biological necessity of the first importance, a regulative element in the life of mankind which cannot be dispensed with, since without it an unhealthy development will follow, which excludes every advancement of the race, and therefore all real civilization... The desire for peace has rendered most civilized nations anaemic, and marks a decay of spirit and political courage such as has often been shown by a race of Epigoni... The efforts directed towards the abolition of war must not only be termed foolish, but absolutely immoral, and must be stigmatized as unworthy of the human race. To what does the whole question amount? It is proposed to deprive men of the right and the possibility to sacrifice their highest material possessions, their physical life, for ideals, and thus to realize the highest moral unselfishness".

Met de beschavende missie die von Bernhardi voor het superieure duitse volk zag weggelegd is Europa dan ook tweemaal gezegend.
Eveneens rond de fin de siècle begint het op superioriteitswaan en sociaal-Darwinistische ideeën gebaseerde racisme in Duitsland een kwaadaardige invloed te krijgen - het 'wetenschappelijke' racisme wordt in sterk gevulgariseerde vorm als rabiaat antisemitisme opgenomen in de nationaal-socialistische ideologie van het Herrenvolk - hetgeen zal uitlopen in de gigantische georganiseerde genocide van de Holocaust.
Niet alleen de inferieure rassen, ook de minderwaardige rasgenoten dienden, in het belang van de eugenetica, geëlimineerd. Alexander Tille (1895)50, bijvoorbeeld, leerde dat de natuur 'rücksichtlos' en 'erbarmungslos' wreed is in het opofferen van individuen ten behoeve van de overleving van de soort. Het is het recht, het natuurrecht "der stärkeren Rasse, die niedere zu vernichten. Gegenüber dem Recht des Stärkeren ist jedes historische Recht hinfällig"; de hogere 'Deutsche Kultur' zal aldus zegevieren over de lagere culturen van de minderwaardige volken. De sterkeren hebben vanzelfsprekend het recht op expansie en 'Lebensraum' om de gezonde 'Volksgenossen' te laten gedijen. De eliminatie van 'Rasseschänder', 'Lebensuntüchtige' en 'Nichtarbeitende' is het hoogste gebod van het zelfbehoud. "Opfern wir Krüppel, Angeseuchte und deren Nachkommen, damit Raum bleibt für die Söhne der Gesunden und Starken".
Tille zag met verlangen uit naar de Grote Sterke Führer die "die Massen hinreißt und für das neue Ideal begeistert". Deze was ondertussen al geboren: in 1889 in Braunau am Inn.

De Eschatologische Variant: 'Shortcuts to the Millennium'

Novicow's, Spencer's en Vaccaro's interpretaties van de strijd om het bestaan leidde tot het optimistische denkbeeld dat oorlog, bij de mens op zijn huidige trap van organische en sociaal-culturele evolutie, zijn functie heeft verloren en als 'kinderziekte van de mensheid' (Emerson) afgeschaft kan worden, of tenminste progressie vertoont in de zin van toenemende humanisering (Steinmetz). Deze evolutionistische ideeën kwamen samen met andere sociale en culturele vooruitgangsideeën, zoals die van Montesquieu en Kant, die de vrede op den duur onontkoombaar achtten door de onverenigbaarheid van oorlog met de toenemende internationale handel, en door de vervanging van monarchaal door republikeins bestuur; die van Condorcet, Voltaire, en andere philosophes van de Verlichting die verwachtten dat door het 'juiste inzicht' van het volk de oorlog als rampzalig en misdadig zal worden afgeschaft, evenals ziekte en onwetendheid; die van Saint-Simon, Comte, Jaurès en Spencer, die de zinloosheid van oorlog in de industriële samenleving voorzagen; die van Cobden, Angell, en vele andere liberale economen die de oorlog als een te kostbaar en financieel catastrofaal gezelschapsspel zagen verdwijnen, of verwachtten dat een systeem van vrijhandel tot vrede zou leiden; die van Constant en Nobel die de onmogelijkheid van oorlog voorzagen door de ontwikkeling van de wapentechnologie; die van, bijvoorbeeld, President Wilson die van de vestiging van de democratie een einde aan oorlogen tussen staten verwachtte; of die van Fourier en Bakoenin die het verdwijnen van de Staat, en daarmee de oorlog, proclameerden.
De vanuit verschillende ideologieën en doctrines gevoede interpretatie dat de oorlog zijn functie heeft verloren, dan wel zichzelf overbodig heeft gemaakt, vinden we in verschillende vermommingen terug bij de eschatologische variant, maar - en hier zit de joker achter de hand - dan wel conditioneel, dat wil zeggen op voorwaarde dat eerst het Proletarisch Paradijs, de Heilstaat, de Nieuwe Maatschappij, Het Duizendjarige Rijk gerealiseerd zal zijn, of de Staat afgeschaft, het kapitalisme ineengestort, de 'war to end all wars' uitgevochten.
In de tussentijd, in de wachtkamer van de meedogenloze, onontkoombare geschiedenis, blijven (Klassen)strijd en oorlog instrumenteel en functioneel, en noodzakelijk om het utopische, messianistische, chiliastische of millenarische ideaal te verwerkelijken of te bespoedigen: Geweld als baarmoeder en vroedvrouw van de revolutie (Marx & Engels), de rechtvaardige oorlog (Lenin), systematische terreur tegen de bourgeoisie (Trotski), 'Déstruction créatrice' (Bakoenin), 'Onze taak is verschrikkelijke, totale, universele en meedogenloze vernietiging' (Nechayev), enzovoort.

Postscriptum

Zoals we zagen, heeft de Christelijke religie van het avondland nooit verlegen gezeten om argumenten voor het rechtvaardigen van oorlogen, het zegenen van wapentuig, en het indoctrineren en vergiffenis verlenen aan de manschappen. Zelfs de Nazi-bonzen beriepen er zich in Nürnberg op dat zij 'gottgläubig' waren. Ook de Christelijk-metafysische doctrine van de oorlogsrechtvaardiging is in het huidige tijdsgewricht nog lang niet dood. Zo suste een Amerikaans bisschop het verontruste geweten van President Johnson door te verklaren dat de oorlog in Vietnam een "sad and heavy obligation" was "imposed upon us by the mandate of love". Terzelfdertijd verklaarde gebedsgenezer Billy Graham dat het ging om een "spiritual war between good and evil".
Ook het militaire verleden wordt nog steeds achteraf verheerlijkt; overwinningen geïdealiseerd, al te pijnlijke nederlagen chauvinistisch goedgepraat (dolkstootlegende, vijfde kolonne, verraad, etc.). In de geschiedenisboeken en de tractaten over strategie is de lijkenstank van het slagveld zorgvuldig gemaskeerd door het bloedeloze aroma van de antiseptische abstractie. "In the treatises on strategy, battlefields rarely have the smell of death" zoals Brodie51 het uitdrukte. De moderne apologeten van de oorlog verhullen zich in een zogenaamd 'realistische' en pragmatische terminologie, waarbij Armageddon wordt gemeten in Megadoden; waarbij onvoorstelbare ellende, verminking en genetische schade aan het nageslacht worden verstopt achter steriele getallen, bloedeloze statistieken, en klinische acroniemen en eufemismen; en een gesteriliseerde en gedehumaniseerde taal waarvan het botte cynisme niet eens meer opvalt.
Niemand kan zich nog de ellende, pijn en doodsangst voorstellen die de lekker 'bekkende' strategische term 'pacificatie' betekent voor onnoemelijke aantallen mensen, of 'surgical strikes' of 'area bombing' of 'countervalue strategy'.
'De arrogantie van de macht' is een klimaat waarin dit soort denkbeelden welig gedijen. Zo sprak General Curtis LeMay zich uit voor het terugbombarderen van Vietnam naar het stenen tijdperk en verklaarde General Mark Clark gedurende de Koreaanse oorlog: "If fight we must let's go in there and shoot the works for victory with everything at our disposal". Nog in 1970 beaamde General G. Patton de uitgekauwde platitude: "War is the supreme test of man, in which he rises to heights never approached in any other activity". Het is deze, nauwelijks meer rationeel gemotiveerde, mentaliteit van necrofiel geweld die in Heller's Catch 22 en in de film Dr. Strangelove zo briljant wordt gepersifleerd.
In het huidige tijdsgewricht van 'etnische zuiveringen', genocides en bloedbaden op onvoorstelbare schaal, en cynische veroveringsoorlogen vinden we veel ingrediënten, die ik hierboven summier heb geschetst, terug in de propaganda, de strijd om de 'press coverage', en de zelf-rechtvaardiging van nationalistische, (quasi)-religieuze, en tribale leiderfiguren en demagogen.
In een volgend artikel zal ik proberen enkele psychologische en psychosociale mechanismen en processen te identificeren die een rol spelen in de blijkbaar universele behoefte van de mens zijn geweld, al dan niet collectief, in de ogen van zichzelf en zijn medemensen te rechtvaardigen.


NOTEN

1. Dit artikel is grotendeels gebaseerd op J.M.G. van der Dennen, De apologeten van de oorlog, Polemol. Inst., 1977; J.M.G. van der Dennen, "Hoe men de oorlog verdedigde", Speling, jrg. 30, nr. 1, 1978, blz. 61-71; J.M.G. van der Dennen, "De rechtvaardiging van het (politiek) geweld", Wending, jrg. 36, nr. 4, 1981, blz. 211-17; B.W. Ike en J.M.G. van der Dennen, "From the apologetics of war to global individualism", Medicine & War, jrg. 5, nr. 1, 1989, blz. 16-28; en Hoofdstuk 4 van J.M.G. van der Dennen, The Origin of War, Groningen: Origin Press, 1995. Hierin worden de volgende apologetische varianten onderscheiden: de metafysische, de mercantilistische, de étatistische, de sociaal-Darwinistische, en de eschatologische variant. In dit artikel heb ik getracht een wat meer chronologische structuur aan te brengen i.p.v. een thematische. Uiteraard kan hier slechts een globaal overzicht worden gegeven, en van de honderden auteurs er slechts een gering aantal worden genoemd. Zie ook: H.B.M. de Lange, "Oorlog is niet te rechtvaardigen", Speling, jrg. 30, nr. 1, 1978, blz. 72-83; en: L. de Blois, A.G. Weiler en L. Wecke (red.), Rechtvaardiging van de oorlog: van de oudheid tot in de twintigste eeuw, Nijmegen: Studiecentrum voor Vredesvraagstukken, 1987.

2. Zie: B.W. Ike en J.M.G. van der Dennen, op.cit.

3. Zie bijv.: J.D. Singer en M. Small, The Wages of War, 1816-1965; A statistical handbook, New York: Wiley, 1972; F.A. Beer, How Much War in History: Definitions, estimates, extrapolations and trends, Beverly Hills: Sage, 1974; H.W. Houweling en J.G. Siccama, "Geschiedenis in oorlogsvoering?", Transaktie, jrg. 6, nr. 3, 1977, blz. 152-178.

4. T. de Quincey, Narrative and Miscellaneous Papers on War, New York: A. & C. Black, 1896.

5. F. Ratzel, Der Lebensraum, Stuttgart: Engelhorn, 1901; F. Ratzel, Glückinseln und Träume, Stuttgart: Engelhorn, 1905.

6. Zie bijv.: W.E. Lecky, History of European Morals, Vol. II, New York: Appleton, 1900; M. Weber [1915], The Religion of China, New York: Free Press, 1951; G.M. Stratton, Anger: Its religious and moral significance, New York, 1923; D.A. Wells, The War Myth, New York: Bobbs-Merrill, 1967; R. Collins, "Three Faces of Cruelty: Towards a comparative sociology of violence", Theory & Society, jrg. 1, nr. 4, 1974 blz. 415-440.

7. Zie bijv.: E. Stillman en W. Pfaff, The Politics of Hysteria, New York: Harper & Row, 1964.

8. Over de klassieke opvattingen van oorlog zie bijv.: D. Loenen, "Polemos; een studie over oorlog in de Griekse oudheid", Mededelingen K.N.A.W. Afd. Letterkunde, Nieuwe Reeks, jrg. 16, nr. 3, 1953, blz. 71-167; Y. Garlan, War in the Ancient World: A social history, London: Chatto & Windus, 1975; J.M.G. van der Dennen, Polemos, Polemol. Inst. 1977; M. Gosman en H. Bakker (red.), Heilige oorlogen: een onderzoek naar historische en hedendaagse vormen van collectief religieus geweld, Kampen: Kok Agora, 1991.

9. A.B. Bozeman, "War and the clash of ideas", Orbis, jrg. 20, nr. 1, 1976, blz. 61-102.

10. K. Deschner, "Christliches Vorspiel" in: K. Deschner (Hrsg) Das Jahrhundert der Barbarei, München: Verlag Kurt Desch, 1966. Zie verder: W.H.P. Faunce, Religion and War, New York: Abingdon, 1918; C.J. Cadoux, The Early Christian Attitude to War, London: Headly, 1919; G.J. Heering, De zondeval van het Christendom; een studie over Christendom, staat en oorlog, Arnhem, 1928; R.H. Bainton, Christian Attitudes Toward War and Peace: An historical survey and critical re-evaluation, London: Hodden & Stoughton, 1960; S. Windass, Christianity Versus Violence: A social and historical study of war and Christianity, London: Sheed & Ward, 1964; D.A. Wells, The War Myth, New York: Bobbs-Merrill, 1967; F.A. Russell, The Just War in the Middle Ages, Cambridge: Cambridge University Press, 1975; M. Gosman en H. Bakker (red.), Heilige oorlogen: een onderzoek naar historische en hedendaagse vormen van collectief religieus geweld, Kampen: Kok Agora, 1991.

11. St. Augustinus, (413-26) De Civitate Dei (vert.: `The City of God', Harmondsworth: Penguin, 1972).

12. G.J. Heering, De zondeval van het Christendom; een studie over Christendom, staat en oorlog, Arnhem, 1928.

13. Thomas van Aquino, The Political Ideas of St. Thomas Aquinas (Ed. D. Bigongiari), New York: Hafner, 1953.

14. Zie over de Elisabethaanse periode bijv.: P.A. Jorgensen, Shakespeare's Military World, Berkeley: University of California Press, 1956.

15. N. Machiavelli, The Prince and the Discourses, New York: Modern Library, 1940; Penguin, Harmondsworth, 1961.

16. Zie over de mercantilisten bijv.: E. Silberner, La guerre et la paix dans l'histoire des doctrines économiques, Paris: Sirey, 1957.

17. J. de Maistre, Les soirées de St. Petersbourg ou entretiens sur le gouvernement temporel de la Providence, 2 Vols., Paris: Plon, 1822.

18. P.J. Proudhon, La guerre et la paix: Recherches sur le principe et la constitution du droit des gens, Paris: M. Rivière, 1861.

19. Enkele van deze 'Oden aan de oorlog' kan men vinden in L.L. Bernard, War and its Causes, New York: Holt, 1944.

20. T. Hobbes, Leviathan; Or, the Matter, Form and Power of a Commonwealth, Ecclesiastical and Civil, London, 1651.

21. J.G. Fichte, Reden an die deutsche Nation, Berlin, 1807.

22. G.W.F. Hegel, [1821] Philosophy of Right, Oxford: Clarendon Press, 1942; G.W.F. Hegel, [1837] Philosophy of History, Cambridge: Cambridge University Press, 1975.

23. Deze samenvatting is gebaseerd op K. Popper, The Open Society and its Enemies, Princeton: Princeton University Press, 1950.

24. H. von Treitschke, Politik, 2 Vols., Leipzig: Hirzel, 1897- 8.

25. M. Scheler, Der Genius des Krieges und der deutsche Krieg, Leipzig: Verlag der weißen Bücher, 1915.

26. G.W. Anderson, Problem - or Opportunity?, New York: Fleming H. Revell, 1919.

27. N. Ferré, Christianity and Society, New York: Harper, 1950.

28. H. von Moltke, "Brief aan J.K. Bluntschli, Dec. 11, 1880" in T.E. Holland (Ed.) Letters on War and Neutrality, New York: Longmans Green, 1909.

29. Zie over het sociaal-Darwinisme o.a.: P. Juganaru, L'apologie de la guerre dans la philosophie contemporaine, Paris: Librairie Félix Alcan, 1933; P. Sorokin, Contemporary Sociological Theories, New York: Harper & Row, 1928/1964; P. Crook, Darwinism, War and History. New York: Cambridge University Press; J.M.G. van der Dennen, The Origin of War, Groningen: Origin Press, 1995.

30. F. Nietzsche [1882] "Also sprach Zarathustra"; "Jenseits von Gut und Böse", in K. Slechta (Ed.) Friedrich Nietzsche's Werke, München: Carl Hanser Verlag, 1954-55.

31. A. Comte de Gobineau, Essay sur l'inégalité des races humaines. Paris: Librairie de Fermin-Didot, 1853.

32. L. Gumplowicz, Der Rassenkampf, Innsbruck: Wagner, 1883.

33. G. Ratzenhofer, Wesen und Zweck der Politik als Teil der Soziologie und Grundlage der Staatswissenschaften, Leipzig: Brockhaus, 1883/1893.

34. H.S. Chamberlain, Grundlagen des neunzehnten Jahrhunderts, 1899 (vert. `The Foundations of the Nineteenth Century'. London: Lane, 1911).

35. F. Oppenheimer, Der Staat, Frankfurt a.M., 1908 (vert. `The State: Its History and Development Viewed Sociologically', Indianapolis: Bobbs-Merrill, 1928).

36. F. de Savorgnan, Soziologische Fragmente, Innsbruck, 1909; F. de Savorgnan, Les antagonismes sociaux, Scientia, 1914.

37. W. Bagehot, Physics and Politics: Thoughts on the Application of the Principles of 'Natural Selection' and 'Inheritance' to Political Society, London: Henry S. King & Co., 1872/1884.

38. H. Spencer, Descriptive Sociology, 8 Vols., New York: Appleton, 1873-81.

39. S.R. Steinmetz, Philosophie des Krieges, Leipzig: J.A. Barth, 1907; S.R. Steinmetz, Soziologie des Krieges, Leipzig: J.A. Barth, 1929.

40. M. Vaccaro, La lotta per l'esistenza e suoi effetti nell'humanita, Roma: Setth, 1886.

41. C.R. Darwin, The Origin of Species by Means of Natural Selection, Or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life, London: Murray, 1859.

42. F. le Dantec, La lutte universelle, Paris: Alcan, 1906.

43. Voor de fin de siècle oorlogspsychose zie bijv.: E. Stillman E. en W. Pfaff, The Politics of Hysteria, New York: Harper & Row, 1964; B.W. Tuchman, The Proud Tower: A portrait of the world before the war: 1890-1914, New York: Bantam, 1967.

44. Voor de oorlogsapologeten in Frankrijk zie: H.L. Wesseling, Soldaat en krijger: Franse opvattingen over leger en oorlog, 1905-1914, Assen: van Gorcum, 1969. Voor de VS zie: R. Hofstadter, Social Darwinism in American Thought, 1860-1915, Boston: Beacon Press, 1955.

45. A.T. Mahan, The Moral Aspect of War, Boston: Little Brown, 1897.

46. H. Lea, Valor of Ignorance, New York: Harper, 1909.

47. G. Dragomirof, La guerre est un mal inévitable. Paris: Lavanzelle, 1897.

48. Deze beide uitspraken worden geciteerd in Juganaru, op.cit.

49. F. von Bernhardi, Germany and the Next War, New York: Longmans, Green & Co, 1914 (vert. van `Deutschland und der nächste Krieg', 1912/1913).

50. A. Tille, Darwin und Nietzsche; Entwicklungsethik, Berlin, 1895.

51. B. Brodie, War and Politics, London: Cassell, 1973.


Please send your reactions and personal URL to j.m.g.van.der.dennen@rechten.rug.nl