De evolutionaire redenen van strijd der geslachten: Deel 3. Mannelijke reproduktieve strategieën, en de 'mannelijke psyche'


Johan M.G. van der Dennen

Macht is het ultieme afrodisiacum (toegeschreven aan Henry Kissinger)

Inleiding

Onze fylogenetische 'neven' in de orde van de primaten hebben zo hun eigenaardigheden: de solitair-levende orang-oetan (Pongo pygmaeus) jongeman verkracht regelmatig de vrouwen die hij tegenkomt; de gorilla (Gorilla gorilla) jongeman pleegt infanticide (als het hem lukt om een harem te veroveren op een oudere 'zilverrug' man); en de gewone chimpansee (Pan troglodytes) man vormt coalities met andere mannen om vrouwen te veroveren van andere groepen, net zoals de mensenmannen (Homo sapiens sapiens) (Goodall, 1986; Van der Dennen, 1995; Wrangham & Peterson, 1996; Adang, 1999; Ghiglieri, 1999). De bonobo (Pan paniscus), daarentegen, verlustigt zich met 'polymorf-perverse' zowel hetero- als homoseksuele uitspattingen waar de auteur van de Kama Soetra en Freud hun vingers bij zouden aflikken. Blijkbaar is er met mannen iets merkwaardigs (Wrangham & Peterson spreken zelfs van 'demonisch') aan de hand als het gaat om seks en geweld.

In dit artikel zal ik de mannelijke reproduktieve strategieën bespreken, en betogen dat er zoiets bestaat als een 'mannelijke psyche' (een geheel van gedragingen, neigingen en attitudes dat geëvolueerd is ten behoeve van het reproduktief succes van mannen - zelfs ten koste van het reproduktief succes van vrouwen), waarin seks en geweld elkaar niet altijd uitsluiten, en waarin mannen het vanzelfsprekend vinden dat zij 'exclusieve copulatierechten' hebben op hun partners, d.w.z. de drang om vrouwen seksueel te bezitten, te beheersen, en te monopoliseren (mannelijke bezitsdrang).

De 'mannelijke psyche' wordt, onder andere, gekenmerkt door
(a) mannelijke seksuele bezitsdrang: mannen gedragen zich alsof ze het alleenbezitsrecht hebben op hun vrouw(en) of partner(s);
(b) mannelijke seksuele vanzelfsprekendheid: mannen gedragen zich alsof ze te allen tijde recht hebben op seks, als zij hun deel van de 'transactie' hebben voldaan. Als de vrouw na een avondje dineren en stappen weigert in natura terug te betalen met haar seksuele gunsten, dan houdt zij zich eenvoudigweg niet aan de - uiteraard mannelijke, maar onuitgesproken - regels van de reciprociteit;
(c) mannelijke suprematie of machismo: mannen gedragen zich alsof ze vrouwen uitsluitend beschouwen als lustobject en trofee. In dit streven naar seksueel 'scoren' zijn mannen minder kieskeurig en promiscuër dan vrouwen (male indiscriminateness);
(d) mannelijke rivaliteit: mannen kunnen hun aandeel in de voortplanting alleen via vrouwen verwezenlijken. Vrouwen zijn voor mannen de, altijd schaarse, seksuele en reproduktieve 'hulpbron'. Er is altijd - in de mannelijke psyche - een tekort aan vrouwen (C. Wilson, 1984). En wanneer een essentiële hulpbron schaars is zullen mannen er - desnoods met geweld - om wedijveren;
(e) mannelijke seksuele laagdrempeligheid: mannen hebben een uiterst lage drempel voor het waarnemen van seksuele prikkels en het interpreteren van vrouwelijk gedrag als seksuele invitatie;
(f) mannelijke seksuele anti-commitment: mannen verlangen niet alleen naar meer seksuele variatie, maar meer nog naar vrijblijvende, anonieme en onpersoonlijke seks, om gevoelens van tederheid, liefde en intimiteit (die met vrouwelijkheid en zwakheid worden geassocieerd) zoveel mogelijk te vermijden;
(g) mannelijke seksuele prestatiegerichtheid: mannen hebben de neiging om het vrijen en de coïtus te beschouwen als atletische prestatie. Zij zien zichzelf graag in de rol van 'sex machine' en God's gift to women. Mannelijkheid staat, in deze visie, gelijk met viriliteit en onuitputtelijke potentie;
(h) mannelijke seksuele geobsedeerdheid: (jonge) mannen verlangen vrijwel altijd en continu naar seksuele bevrediging. Ze worden door seksuele fantasieën geobsedeerd; ze zijn sex-crazed. De mannelijke, in principe onverzadigbare, libido lijkt op een gehypertrofieerd orgaan. Huxley heeft een intellectueel ooit gedefinieerd als een man die het klaarspeelde wel eens vijf minuten per dag niet aan seks te denken. De notoire mannenhaatster Valerie Solanas schreef in haar SCUM-manifest de volgende, boosaardig bedoelde maar op de lachspieren werkende, fraai geformuleerde, en vooral rake observatie: "Opgevreten door schuld, schaamte, angsten en onzekerheden en een nauwelijks merkbare fysieke sensatie bereikend als hij geluk heeft, is de man desondanks geobsedeerd door het neuken - hij zal een rivier van snot overzwemmen, een kilometer tot aan zijn neus door braaksel waden als hij denkt dat daar een vriendelijk kutje op hem wacht" (geciteerd in 't Hart, 1982); en tenslotte
(i) mannelijk seksueel egocentrisme: in hun geilheid en drang naar klaarkomen zijn mannen over het algemeen egocentrisch tot extreem egoïstisch, op het monomane af. De 'beloning' door de vloedgolf van endorfines bij een orgasme is daar mede debet aan.

Het bovenstaande is beslist geen karikatuur maar wel allemaal natuurlijk schromelijk overdreven (het is een soort ideaaltypische constructie); iedere jongen of man zal desondanks een of meerdere van deze trekken in mindere of meerdere mate in zichzelf herkennen: het is in feite een samenhangend pakket of coherent syndroom dat zijn bestaansgrond en logica in de evolutie (van de differentiële reproduktieve strategieën) vindt. Ik zal deze neigingen van de 'mannelijke psyche' in deze bijdrage wat verder uitdiepen.


Mannelijke bezitsdrang

Symons (1979), Daly & Wilson (1988 et seq.), Ellis (1989), Buss (1994) en Pinker (1997), onder anderen, opperden dat de geëvolueerde mannelijke psyche een forse dosis mannelijke bezitsdrang (male proprietariness) bezit. Deze mannelijke bezitsdrang manifesteert zich, onder andere, in de mannelijke seksuele jaloezie, in verkrachting en aanranding, en in stalking van ex-partners. Stalkers (en moordenaars) van ex-partners zijn vrijwel altijd mannen (die vrijwel altijd handelen vanuit een bezitsobsessie: "Als ik haar niet kan hebben, dan zal niemand haar krijgen").

Women are most at risk when they threaten to leave or do it. The forsaken man may stalk her, hunt her down, and execute her, always with the same rationale: "If I can't have her, no one can". The crime is pointless, but it is the undesired outcome of a paradoxical tactic, a doomsday machine. For every killing of an estranged wife or girlfriend there must be thousands of threats made credible by signs that the man is crazy enough to carry them out regardless of the cost (Pinker, 1997).


Table 2. Results of Intrasexual Selection on the Evolution of Male Behaviour




Adaptations that play a role in the competition to secure copulations
  • A. A low threshold for mating attempts
  • B. Dominance behaviour (the monopolization of females): the exclusion of other males from:
    • 1. The vicinity of a female that is or will become receptive
    • 2. A harem of females
    • 3. Positions of high status in multimale groups
    • 4. Areas with useful resources attractive to females
    • 5. Display sites attractive to females
  • C. Subordinate behaviour (coping with dominant males)
    • 1. Submissive behaviour and the (temporary) postponement of attempts to reproduce
    • 2. Courtship of females only when dominant males are absent or occupied
    • 3. Sneak copulations
    • 4. Rape
Adaptations that help a male ensure that his sperm will be used by females he has inseminated
  • A. Guarding behaviour
    • 1. Temporary guarding of a recently inseminated female
    • 2. Prolonged protection of a female or harem against other males
  • B. Behaviour that reduces the likelihood that an unguarded female will copulate again
    • 1. Insertion of mating plugs in females after copulation
    • 2. The use of biochemical or behavioural signals to activate mechanisms within the female that reduce her receptivity
Adaptations that lower the reproductive success of competitors
  • A. Sexual interference
    • 1. Interruption of another male's courtship
    • 2. Female mimicry by males that induces other males to waste time, energy, or sperm
  • B. Attempts to injure competitors
    • 1. Assaults on other males, including homosexual rape
    • 2. Assault on mates or offspring of other males, including infanticide




Tabel volgens Alcock (1979).


Seks of de dood

Bovenstaande tabel van Alcock (1979) - E.O. Wilson (1975) presenteert een vergelijkbare tabel - inventariseert de mannelijke paringsstrategieën en -taktieken. De mannelijke paringsstrategieën bestrijken, zoals uit de tabel blijkt, een breder spectrum dan de vrouwelijke reproduktieve strategieën eenvoudigweg vanwege het principe van de vrouwelijke keuze. Mannetjesdieren hebben zichzelf altijd moeten adverteren en de kieskeurige vrouwtjes moeten overtuigen van hun geschiktheid als zaaddonor. Zij konden het zich bovendien niet veroorloven om ook maar één copulatiegelegenheid te missen. Mannetjes hebben dan ook paringsstrategieën ontwikkeld die gedeeltelijk berusten op brute kracht en geweld, gedeeltelijk op arglist en bedrog, en gedeeltelijk op zorgzaamheid en vaderlijke investeringen. Alles wat maar bij kon dragen om het mannetje toegang tot een of meerdere vrouwtjes te verschaffen werd geselecteerd. De zelfzuchtige genen van het mannetje hebben belang bij elke gelegenheid tot paren zelfs als dat ten koste zou gaan van de overleving van hun 'overlevingscapsule'.

Robert Trivers heeft erop gewezen dat bij polygame zoogdieren de natuur selecteert op mannetjes die een 'seks of de dood'-strategie volgen. Ieder vrouwtje kan zich automatisch voortplanten als ze maar in leven blijft. Van de mannetjes kan misschien maar één op de tien zich voortplanten, maar hij bevrucht dan wel gemiddeld tien vrouwtjes. Daarom is het vanuit een biologisch oogpunt zinvoller wanneer een mannetje sterft in een ultieme poging om bij de uitverkoren 10% te horen, dan wanneer hij een lang, maar celibatair leven leidt. Grote en competitieve mannetjes die kleine of weinig ambitieuze mannetjes in de strijd om vrouwtjes kunnen domineren geven hun genen door. Maar zowel het risicovolle gedrag als het 'ongezond' grote lichaam dat nodig om een kans te maken dominant te worden, vergroten de sterfte onder mannetjes door honger, virussen en bacteriën (testosteron stimuleert de ontwikkeling van de spieren, maar schaadt het immuunsysteem), roofdieren, ongelukken of onderlinge gevechten. Al deze exogene doodsoorzaken zorgen ervoor dat genen die beschermen tegen aftakeling minder selectievoordeel genieten in mannetjes dan in vrouwtjes. Wat voor polygame zoogdieren geldt, blijkt ook bij de mens op te gaan: mannen zijn groter dan vrouwen, nemen meer risico's en zijn minder monogaam - en als gevolg hiervan takelen ze ook sneller af (Roele, 1996).


Geslachtsrolwisseling

Ouderlijke investeringstheorie en het principe van de vrouwelijke keuze zijn in de vorige aflevering van deze serie (Psychoskoop, 10, 4/5, 1999) uitgebreid behandeld. In een notedop komt het erop neer dat mannelijke en vrouwelijke organismen gemiddeld op verschillende (en dikwijls conflicterende) manieren in hun nageslacht investeren. Bij zoogdieren met interne bevruchting dragen de vrouwen een disproportionele last, en vormen zij voor de mannen een limiterende 'hulpbron' waarvoor de mannen (moeten) concurreren.
Een krachtige ondersteuning van Trivers' ouderlijke investeringstheorie is het gegeven dat bij enkele soorten (bijv. zeepaardjes en zeenaalden - waarbij de mannetjes een broedbuidel bezitten -, enkele kikkers, een aantal insekten, en een aantal vogels zoals oeverlopers [Actitis macularia], waterhoentjes [Gallinula chloropus], franjepoten [Phalaropus en Steganopus tricolor], kasuarissen [Casuarius spp.] en jassana's [Jacana spinosa]) een omkering van het investeringspatroon gekoppeld is aan een rolwisseling: het vrouwtje is nu het seksueel minder kieskeurige, en het meer competitieve en seksueel-agressieve, geslacht (Williams, 1966; Ghiselin, 1974; Trivers, 1985; Forsyth, 1988, 1993; Roele, 1996; Alcock, 1998; Ghiglieri, 1999; zie Daly & Wilson [1983, 1988] en Van der Dennen [1992] voor een uitgebreider overzicht). Dit demonstreert duidelijk dat niet geslacht de doorslaggevende factor is (d.w.z. agressie en geweld zijn niet intrinsiek mannelijk), maar het ouderlijke investeringspatroon. Anders dan Freud en zijn discipelen veronderstelden is agressie niet (biologisch) gekoppeld aan het bezit van een bungelend geslachtsorgaan. Bij de soorten waar deze rolwisseling voorkomt is het het mannetje dat het meest investeert in het nageslacht, en een lager reproduktief potentieel bezit, terwijl het vrouwtje (meestal) groter, kleurrijker en vechtlustiger is, polyandrie praktizeert, een grotere variantie in reproduktief succes (RS) heeft, en jonger sterft dan het gemiddelde mannetje: exact zoals de Bateman-Trivers theorie voorspelt. Vrouwelijke jassana's kunnen bijvoorbeeld wel 75% zwaarder zijn dan de mannetjes, en zij zijn in verwoede territoriale gevechten gewikkeld met andere vrouwtjes waarbij de slagpennen van hun vleugels geduchte wapens vormen (Forsyth, 1988). De redenen van de geslachtsrolwisseling, voor zover bekend, zijn meestal ecologische omstandigheden (zoals bijv. natte, productieve habitats), en externe bevruchting.
"Sex role reversal is largely restricted to the very few species in which males provide more parental effort than females. For example, among pipefish (Syngnathus typhle), males supply nutrients and oxygen to the fertilized eggs for several weeks, and males favor large, ornamented females over small, plain ones" (Thornhill & Palmer, 2000: 35). Bij die vogelsoorten waar beide geslachten ongeveer evenveel ouderlijke investering plegen zijn mannetjes en vrouwtjes ook ongeveer even seksueel competitief en vechtlustig, zoals bij het koekoeksekstertje (Spermestes cucullatus), de goudspecht (Colaptes auratus), en de huismus (Passer domesticus) (Ghiselin, 1974). Bij soorten waar de mannetjes een relatief grote investering plegen, zoals bij de driedoornige stekelbaars (Gasterosteus aculeatus) waar de mannetjes het nest bouwen, bebroeden en beschermen, concurreren en vechten de vrouwtjes navenant meer.
Het bovenstaande maakt eveneens begrijpelijk waarom sociobiologen agressie gewoonlijk definiëren als "the proximate mechanism of contest competition" (bijv. Barash, 1982). Adang (1999) heeft er in zijn recente boek over chimpanseegedrag overigens op gewezen dat er verschillende vormen van agressie bestaan, met elk een eigen oorzaak en een eigen functie, die niet zomaar met elkaar vergelijkbaar zijn.

Mannen als vaders

Er is onderhand een aanzienlijke hoeveelheid evidentie dat mannen bij veel primatensoorten, weinig tot aanzienlijk in hun nageslacht investeren. Hoewel nauwelijks kwantificeerbaar, en indirect, zijn de ouderlijke investeringen van de vaders van levensbelang voor de, vooral jonge, kinderen (Fedigan, 1982; Hrdy, 1986; Travis & Yeager, 1986, 1991).
Taub & Mehlman (1991; cf. Liesen, 1995) onderscheidden directe en indirecte vaderlijke investering. Indirecte investering bestaat bijvoorbeeld uit bescherming van moeder en kroost tegen roofdieren of bescherming tegen conspecifieke infanticidale mannetjes. Het gedrag van primatenmannetjes is vanuit dit perspectief van de indirecte vaderlijke investering inderdaad beter te begrijpen. Als vuistregel geldt dat mannen meer bereid zijn in hun nageslacht te investeren naarmate hun vaderschapszekerheid groter is (zie Psychoskoop, 10, 4/5, 1999).


Spermacompetitie

De perikelen van het leven houden niet op als er eenmaal een partner is gevonden. Na te hebben gekozen of te zijn uitverkoren, moeten de twee geslachten bij elkaar komen om te paren. Sommige partners zijn weinig vriendelijk en soms zelfs regelrecht vijandig. Van het bidsprinkhaanvrouwtje, bijvoorbeeld, is bekend dat ze haar echtgenoot de kop afbijt en zijn lichaam verslindt terwijl hij nog (reflexmatig) met haar aan het paren is. Mannetjesspinnen en bepaalde vliegen voorkomen een dergelijk lot door hun partners te paaien met een huwelijksgeschenk. Roofvliegmannetjes vangen een klein prooidier, meestal een andere vlieg, en bieden deze aan hun aanstaande aan. Het vrouwtje zuigt de vlieg leeg, terwijl het mannetje haar bevrucht. Hoe groter de gift, hoe meer tijd het mannetje hiervoor heeft.
Een baltsend krekelmannetje geeft zijn partner, samen met de overdracht van een spermapakketje, de zogenoemde spermatofoor, ook een gelatineuze druppel, de spermatofylax. Dit geschenk heeft een tweeledig doel: ten eerst voorziet het het vrouwtje van extra voedsel dat gebruikt kan worden om meer eieren te leggen, en ten tweede zal ze tijdens het verorberen ervan niet zo snel met een ander mannetje paren, zodat het sperma van het eerste mannetje zijn werk goed kan doen (Bright, 1999a).
Een eendebloedzuigermannetje plakt, zodra hij een ontvankelijke soortgenote heeft gevonden, een spermapakketje willekeurig op het lichaam van zijn partner. De spermatofoor scheidt weefseloplossende stoffen uit waardoor het bundeltje met de mannelijke geslachtscellen langzaam door haar huid heen zakt en zich een weg naar haar 'buik' vreet. Daar aangekomen wurmen de spermatozoïden zich tussen de inwendige organen door tot ze haar eieren bereiken (Sparks, 1977). Omdat meerdere mannetjes haar met hun spermatoforen belagen zullen de spermacellen van verschillende mannetjes in haar lijf aanwezig zijn.

Spermacompetitie wordt gedefinieerd als de competitie tussen de ejaculaten van twee of meer verschillende mannen om de bevruchting van de ova van een vrouw. Bij soorten met inwendige bevruchting, zoals vrijwel alle zoogdieren, zal de spermacompetitie binnen het lichaam van de vrouw plaatsvinden. Dikwijls concurreren de mannen door de kwantiteit van hun ejaculaat te maximaliseren; de grootte van de testes is grosso modo een aanduiding voor het bestaan van een polygyn competitieregime (Short, 1981; Clutton-Brock, 1988; Harvey & Harcourt, 1984; Harvey, Partridge & Southwood, 1994).
Bij de primaten in het algemeen en de Pongidae (de mensapen) in het bijzonder zijn de grootte van de testes en het competitieregime gecorreleerd: hoe groter de testikels hoe meer spermacompetitie.
Gegeven het menselijke seksuele dimorfisme en gegeven de gemiddelde grootte van de mannelijke testikels, kan op grond van de theorie worden voorspeld dat de mensman ergens tussen de chimpansee- en de gorillaman in moet zitten wat betreft polygynie en promiscuïteit - en dat klopt ook: mensmannen zijn minder monogaam dan gorillamannen maar veel meer dan chimpanseemannen.

Spermacompetitie kan worden gezien als een speciaal geval van seksuele selectie, en seksuele selectie wordt algemeen beschouwd als een sterke selectiekracht die bij mensen bijvoorbeeld heeft geleid tot de anatomische, fysiologische en gedragsmatige geslachtsverschillen die in de vorige bijdrage (Psychoskoop, 10, 4/5, 1999) aan de orde kwamen (Smith, 1984; Warzinek, 1986; Baker & Bellis, 1995).
Smith was een van de eerste theoretici die speculeerde dat bij de mensenvrouw de zogeheten 'cryptische ovulatie' en de grote hemisferische borsten - die voornamelijk uit vetweefsel bestaan - onder invloed van spermacompetitie zijn geëvolueerd. Hominide mannen hielden kennelijk van grote, stevige borsten bij een vrouw; net zoals voor de huidige mensenmannen grote borsten nog steeds kunnen fungeren als 'supernormale releasers'.

Er bestaat toenemende evidentie dat de vrouwen van veel soorten het vermogen bezitten om te differentiëren en selectief te kiezen tussen het sperma van verschillende mannen en dus zelfs nog post copulationem teeltkeuze (cryptic female choice) te kunnen uitoefenen. Vrouwen kunnen hun eigen bevruchting voor een groot deel zelf (uiteraard niet bewust) regelen door bijvoorbeeld al of niet met de eigen partner te paren (volgens Baker & Bellis is de kans op bevruchting bij overspel groter omdat vrouwen de neiging hebben tijdens haar meest vruchtbare periode overspel te plegen), al of niet een orgasme te krijgen (hetgeen het spermatransport naar de baarmoeder bevordert of vertraagt), of door de biochemische en/of immunologische eigenschappen van hun vaginale milieu te veranderen.
De mogelijke voordelen van extra-pair copulations (EPCs) variëren voor een vrouw van materiële beloning en statusverhoging tot anti-infanticidestrategie en genetische diversiteit van haar nageslacht. Mannen kunnen deze EPCs trachten te doorkruisen ter wille van hun vaderschapszekerheid door partnerseparatie en bondage (mate guarding; zie beneden), door seksuele jaloezie, door overspelige vrouwen af te straffen, en de andere taktieken die we hebben besproken in het kader van de dubbele moraal (Psychoskoop, 10, 4/5, 1999).

Bij fruitvliegjes (Drosophila) blijkt het sperma van het laatste mannetje dat met een vrouwtje paart het sperma van zijn voortganger(s) te kunnen uitschakelen. Het sperma van de vorige mannetjes wordt uit het zaadreservoir van het vrouwtje verwijderd, of - op nog niet opgehelderde wijze - onklaar gemaakt zodat het niet langer voor de bevruchting kan zorgen. Zelfs tot zeven dagen na de eerste paring kan een fruitvliegmannetje zijn voorgangers en concurrenten nog verslaan.
Mannelijke copulerende libellen lepelen met hun borstelachtige penis tussen 90 tot 100% van het sperma van eventuele voorgangers uit de spermatheek (zaadreservoir) van het vrouwtje alvorens zelf te ejaculeren. Deze tactiek - het verwijderen of vernietigen van sperma van de concurrentie - is een duidelijke vorm van spermacompetitie en is een wijdverbreid verschijnsel in het dierenrijk.
De heggenmus (Prunella modularis) bestudeerd door Davies en medewerkers (bijv. Davies, 1992) kent - net als de mens - niet één paarsysteem, maar is monogaam, polygyn of polyandrisch afhankelijk van de omstandigheden. In sommige gevallen houden beide geliefden van een paar er een minnaar of minnares op na en het paarsysteem dat dan ontstaat noemt men 'polygynandrie'. Het achterdochtige heggenmusmannetje pikt met zijn snavel in haar cloaca als hij haar bij de buurman heeft aangetroffen. Het mannetje wil pas paren als de laatste druppel sperma van de buurman verwijderd is (Slurink, 1999; Alcock, 1998). Mannetjeshaaien kunnen, op dezelfde manier, hun partner op een contraceptieve douche trakteren alvorens zelf te ejaculeren (Rees & Harvey, 1991).

Het lijkt er hoogstwaarschijnlijk op dat de paarsystemen van de heggenmus de verschillende mogelijke uitkomsten van het conflict tussen de geslachten reflecteert. De mate waarin het mannetje of het vrouwtje wint hangt gedeeltelijk af van verschillen tussen individuen in leeftijd en ervaring, gedeeltelijk van populatiestruktuurparameters zoals de geslachtsverhouding (sex ratio), en gedeeltelijk van ecologische omstandigheden. Bijvoorbeeld, de mannelijke mogelijkheid van monopolisering van het vrouwtje is afhankelijk van de grootte van het foerageergebied van het vrouwtje, terwijl de mogelijke monopolisering van een extra mannetje door een vrouwtje afhankelijk is van haar vermogen om de bewaking van het eerste mannetje af te schudden (Rees & Harvey, 1991).

Het gedrag van de heggenmus illustreert twee lessen uit de sociobiologie... Ten eerste: in de natuur gaat het niet om de overleving van de soort... Alle individuen in de natuur lijken eerder te streven naar de overleving van hun 'hyperpersoonlijk' genenpakket. Vandaar al die competitie binnen de soort en vandaar ook die zogenaamde spermacompetitie.
Ten tweede: genen zijn geen starre programma's die blindelings handelende robotten bouwen. Zij sturen eerder de opbouw van flexibele beslissingssystemen, die in hun beslissingen rekening houden met de omstandigheden. Alleen het 'doel' van al dat kiezen is ten gevolge van een proces van variatie en selectie 'voorgeprogrammeerd': de verspreiding van de eigen genen. Want genen die breinen bouwen die 'verkeerde' beslissingen nemen, sterven vanzelf uit (Slurink, 1999).

Een andere vorm van spermacompetitie is niet het uitschakelen maar het overtreffen van de concurrentie. Chimpanseemannen hebben grote testikels in vergelijking met mensmannen, zij concurreren dan ook met de hoeveelheid ejaculaat. Maar volgens Baker & Bellis (1995) kunnen ook mensmannen het aantal spermacellen in hun ejaculaat aanpassen aan de omstandigheden, d.w.z. aan de eventuele slippertjes van hun partner. Het boek van Baker & Bellis De sperma-oorlog zal ik hier niet verder behandelen. Veel is speculatief en (nog) niet experimenteel gerepliceerd en soms lijkt het onderzoek wat al te soepel en naadloos aan te sluiten bij de theoretische verwachtingen. Voor een goede samenvatting zie Roele (1996).

Rees & Harvey (1991) hebben erop gewezen dat spermaproduktie ook kosten met zich mee kan brengen; gameten worden zelden alleen als gameten doorgegeven, er zijn ook andere grondstoffen nodig voor de produktie van de seminale vloeistof of de spermatofoor bijvoorbeeld, en als deze stoffen zeldzaam zijn kunnen die dan het aantal ejaculaties of de omvang of de kwaliteit van het semen beperken. Maar ook deze kosten vallen vrijwel in het niet vergeleken met het totale kostenpakket van de ouderlijke investeringen van vrouwen.


Partnerseparatie en bondage (Mate guarding)

Bij vele soorten (van minuscule insektjes [Moffett, 1997], via amfibieën en reptielen, tot reusachtige zoogdieren) trachten de mannetjes het seksuele gedrag van de vrouwtjes te beheersen en te controleren na de bevruchting door haar op alle mogelijke manieren af te zonderen en af te schermen van andere mannetjes, of door de genitale opening van het vrouwtje met allerlei coagulerende afscheidingsprodukten en verhardende zaadvloeistof - organische soorten cement - af te dichten (vaginale pluggen, vergelijkbaar met middeleeuwse kuisheidsgordels). Deze tijdelijke copulatieafsluiters worden aangebracht door insekten, vleermuizen, egels, buideldieren, en vele soorten knaagdieren (Sparks, 1977).
Honden blijven na de copulatie enige tijd aan elkaar hangen (door een ballonvormige zwelling in de penis van de reu waar de vagina van de teef zich als een bankschroef omheen sluit), wat hetzelfde effect sorteert, namelijk door 'haar' te separeren 'zijn' sperma te beschermen tegen de concurrentie van andere spermaproducenten, en het een niet meer in te halen voorsprong in 'haar' genitale systeem te geven.
Bruut geweld is wel de meest regelrechte manier om het seksuele alleenrecht te verwerven. De effectiviteit van de jaloerse bullebakken die als strandwachter hun zeehondenharem bewaken, kan moelijk worden betwijfeld. Ook bij veel hoefdieren behoeden de mannetjes hun vrouwtjes zorgvuldig voor de attenties van rivalen. Elke keer als een ooi bijvoorbeeld in haar tweedaagse bronst komt, richt haar drift zich op de dominante ram, die haar afschermt van de andere mannetjes die werkeloos moeten toekijken (Sparks, 1977).
In het algemeen zullen de baten van deze partnerseparatiestrategie toenemen wanneer de waarschijnlijkheid toeneemt dat het vrouwtje vreemd zal gaan en het sperma van een ander mannetje zal gebruiken voor de bevruchting van haar eieren. De kosten van de voortdurende bewaking zullen afnemen naarmate er minder receptieve vrouwtjes zijn, zodat het mannetje dat in de buurt van zijn partner blijft weinig kansen verliest om andere vrouwtjes te bevruchten.
Sommige dieren lijken trouwe monogame partners, maar bij nadere beschouwing blijkt hun hoffelijkheid pure zelfzucht te zijn. Een merelmannetje (Turdus merula) blijft dicht bij zijn partner om er zeker van te zijn dat geen ander mannetje met haar paart wanneer ze vruchtbaar is. Spreeuwen (Sturnus vulgaris), jan-van-genten (Sula bassana) en visarenden (Pandion halieatus) copuleren frequent, in een poging van het mannetje ervoor te zorgen dat zijn sperma overheerst over dat van een rivaal die misschien stiekem zijn kans waarnam toen hij even weg was. Bij de witkeelbijeneter (Aerops albicollis) blijven de mannetjes voortdurend waakzaam bij hun vrouwtjes, en vallen die ook voortdurend seksueel lastig met geforceerde copulaties, als de vrouwtjes hun eieren leggen en het risico van spermacompetitie het grootst is (Emlen & Wrege, 1986; Forsyth, 1988; Alcock, 1998; Bright, 1999a).
Langdurige en/of frequente copulatie is waarschijnlijk eveneens een vorm van partnerseparatie en bondage. Zolang hij 'in' haar is, fungeert het mannetje als een levende vaginale plug en houdt hij het vrouwtje nauwkeurig onder controle.
Sommige dieren moeten dicht bij hun geliefden blijven om de mogelijkheid tot paren niet te missen. Het mannetje van de zoetwatergarnaal Gammarus, bijvoorbeeld hecht zich aan zijn uitverkorene en wacht tot ze vervelt, om dan met haar te paren (Bright, 1999a). Krabben copuleren op een soortgelijke manier. Een opgewonden mannetje is zelfs in staat om een hard, rijp vrouwtje te grijpen en haar in zijn scharen rond te slepen tot haar pantser opensplijt. Zodra ze zacht en kneedbaar is, copuleren ze. Een mannetjeswaterjuffer grijpt zijn geliefde met een speciale tang aan het achtereinde van zijn lijf in de nek vast, en zo, kop aan staart, vormen ze een tandem. Isopoden en amfipoden (kreeftachtigen die op garnalen lijken) zwemmen als dubbeldekkers rond. Hierbij klampen de krachtiger mannetjes zich met behulp van gespecialiseerde grijppoten aan de rijpe vrouwtjes vast. De forse mestkevers grissen hun vrouwtjes eenvoudigweg weg en ontvoeren ze naar een afgezonderd plekje waar ze geen tegenstanders zullen ontmoeten voor ze hun zin dubbel en dwars hebben doorgedreven (Sparks, 1977). Wellicht is het honeymooning gedrag (afzondering van een koppel) bij primaten uit deze primitieve segregatie ontstaan.
Zangvogelmannetjes met een voedselrijk territorium zingen meestal langer en luider dan andere om hun kracht en bekwaamheid te adverteren - factoren die niet alleen rivalen afschrikken, maar ook vrouwtjes aanlokken (evenals de rode buik bij stekelbaarsmannetjes een mooie combinatie van de twee elementen van seksuele selectie). Het gedrag van de partner van een zangvogelmannetje bepaalt hoe en wanneer hij zingt. Het merelmannetje zingt uit volle borst om rivalen uit de buurt van zijn vrouwtje te houden, maar wanneer ze van het nest afgaat, houdt hij op met zingen en volgt hij haar op de hielen. In haar vruchtbare periode - wanneer de dreiging van rivaliserende mannetjes het grootst is - zingt het merelmannetje nog geestdriftiger. Hij begint elke dag vroeger, totdat het vrouwtje haar legsel heeft voltooid en hij met zingen stopt (Bright, 1999a).
Bij tientallen andere onderzochte vogelsoorten is dit soort separeer- en bewakingsgedrag, gecombineerd met verhoogde seksuele activiteit van het mannetje als een vorm van spermacompetitie, gedocumenteerd.

Mannetjespadden en -kikkers gebruiken een simpele trial-and-error methode die tamelijk foolproof lijkt te zijn: zij zijn zo promiscue en indiscriminate dat zij eenvoudigweg alles wat ook maar enigszins op een soortgenoot lijkt bespringen, al is het een klomp modder, en zich stevig vastklampen. Deze regelrechte blinde aanranding garandeert dat het mannetje geen enkele paringskans mist. Als het aangerande individu daar niet van gediend blijkt of terugvecht, dan is het waarschijnlijk een ander mannetje en dan is het zaak om hem zo snel mogelijk te smeren. Als het niet protesteert of terugvecht is het waarschijnlijk een receptief vrouwtje en in dat geval weet het mannetje dat hij goed zit en rijdt hij dagenlang op de rug van zijn vrouwtje mee rond in amplexu tot ze paairijp is. Andere mannetjespadden zullen hem uit alle macht proberen te verwijderen om zelf deze gelukzalige positie te bereiken, zodat kleinere mannetjes meestal het onderspit delven. De mannetjes van een paar smalbekkikkersoorten lijmen zichzelf zelfs aan hun grote, vette partner vast met een kleverige substantie die zij uitscheiden (Sparks, 1977).

Aandringen en vasthoudendheid lonen dikwijls in sexualibus. Een waterlopersvrouwtje dat er niet in slaagt het op haar rug meeliftende mannetje af te werpen paart uiteindelijk met haar belager om er van af te zijn (Alcock, 1998). Bij verschillende soorten worden vruchtbare vrouwen net zolang lastig gevallen met ongewenste intimiteiten tot ze uiteindelijk dan maar toegeven en copuleren.
Sommige insekten hebben een ingenieuze biochemische oplossing voor het probleem van het paringsmonopolie en de dolende vrouw gevonden. In de vlinderfamilie Heliconiidae besproeit het mannetje tijdens de paring het vrouwtje met een stinkende en afstotende substantie die door andere mannetjes als anti-afrodisiacum en seksuele afknapper wordt ervaren, waardoor ze haar voortaan mijden als de pest. Mannetjes van de gele-koorts-muskiet Aedes aegypti hebben een soort seksueel sedatief in hun semen dat het vrouwtje dat zij bevruchten na de paring alle lust ontneemt en haar volledig frigide maakt.
Dodelijke seks is niet ongewoon. Het paringsmonopolie is voor mannetjes zo belangrijk, dat veel insektenminnaars bij hun pogingen om de exclusieve voortplantingsrechten van hun geliefden te verwerven bereid zijn de uiterste prijs te betalen: de dar van de honingbij wiens penis dienst doet als explosieve bout en hem na de zaadlozing wegschiet; de mannetjes van vliegen-, bidsprinkhanen- en spinnensoorten die zich laten oppeuzelen door hun geliefde, maar daarmee tevens bereiken dat hun geslachtsapparaat in haar achterlijf blijft vastzitten en daar zeer doeltreffend dienst doet als paringsstop (Sparks, 1977).
Vanuit een evolutionair perspectief kan zelfs ons instituut huwelijk worden beschouwd als een variant van (mutuele) mate guarding.


Seksuele jaloezie, vaderschapsonzekerheid en 'koekoeksjongen'

Vermeer (1998) heeft er in een vorige aflevering van Psychoskoop (9, 6, 1998) op gewezen dat de evolutionaire psychologie veronderstelt dat geëvolueerde psychologische mechanismen (a) soortgebonden zijn (wat voor één bepaald organisme een aanpassing is, is dat niet noodzakelijk voor een ander); (b) seksegebonden zijn (voor mannen gelden andere criteria voor een goede partner dan voor vrouwen); (c) leeftijdsgebonden zijn (de problemen waar een goed werkzame oplossing voor gevonden diende te worden verschillen per leeftijd en ontwikkelingsfase). Als laatste geldt dat mechanismen contextgebonden zijn (bijv. het jaloezie-mechanisme). Volgens de evolutionaire psychologie heeft de psyche een modulaire opbouw (adaptaties geëvolueerd ten gevolge van specifieke problemen - recurrent structural features in de omgeving van het organisme) en zijn de modules domeinspecifiek.

Door de interne bevruchting en zwangerschap, placentatie en lactatie van zoogdiervrouwen is mannelijke seksuele rivaliteit onvermijdelijk bij de ongeveer 4000 soorten die de klasse Mammalia uitmaken (Daly & Wilson, 1988).
Maar als de bevruchting plaats vindt binnen in het lichaam van de vrouw, dan staat, zoals we hebben gezien, een man die aan ouderschapsinvestering doet bloot aan het gevaar dat hij mogelijkerwijs een 'koekoeksjong', waarin de genen van een andere man aanwezig zijn, in de schoenen krijgt geschoven. Eén stiekeme seksuele escapade van een mensenvrouw kan bijvoorbeeld betekenen dat haar partner levenslang zorg investeert in kinderen die helemaal niet van hemzelf zijn. Een vrouw is er altijd zeker van dat haar kind ook echt het hare is, terwijl dat voor een man zelden of nooit het geval is.
Hieruit volgt dat vaderschapsinvestering een selectiepremie plaatst op de evolutie van alle soorten mechanismen en eigenschappen die zullen bijdragen tot de zekerheid van zijn exclusieve seksuele toegang tot zijn partner. Seksuele jaloezie is er daar een van. Dit, in principe adaptieve, psychische mechanisme kan bij mannen soms obsessieve en gewelddadige vormen aannemen. Het is een anti-'horendrager' strategie die, zoals zovele adaptaties, pathologische trekken kan krijgen.

Seksuele jaloezie kan waarschijnlijk het best worden beschouwd als een psychisch mechanisme dat zich ontwikkeld heeft om ontrouw van de partner te voorkomen en tegen te gaan (Daly, Wilson & Weghorst, 1982) en dat opgewekt wordt als de relatie met de partner wordt bedreigd door een derde (Bringle & Buunk, 1985). Zoals Dijkstra & Buunk (1998) opmerkten zijn gevoelens van jaloezie voor een belangrijk deel competitief van aard.
Maar vrouwen hebben net zoveel last van jaloezie als mannen. Mannen en vrouwen zijn echter jaloers om verschillende redenen, en de clou van het verschil in jaloezie zit in het verschil in ouderlijke investering die de beide partners leveren (bijv. Teisman & Mosher, 1978; Hansen, 1982, 1985; Buunk, 1984; Buunk & Hupka, 1987; Daly & Wilson, 1988 et seq.; Buss, 1992, 1994; Van der Dennen, 1992; Wilson & Daly, 1992; De Weerth & Kalma, 1993; Wiederman & Allgeier, 1993; Ridley, 1994; Geary et al., 1995; Roele, 1996; Pinker, 1997; Vermeer, 1998; Beck, 1999; Nelissen, 2000; Kalma & Van Hezewijk, n.d.).
Bij mannen wordt jaloezie vooral door seksuele ontrouw, fysiek vreemdgaan of seksuele escapade, van de partner opgeroepen (bij mannen kan zelfs de fantasie of gedachte dat de vrouw 'het' met een andere man doet al tot diepe wanhoop, grimmige woede of bloedspuwende furie leiden), terwijl bij vrouwen jaloezie voornamelijk door emotionele ontrouw van hun man en verlies van aandacht en affectie wordt opgewekt. Vrouwen vinden het erger als hun man er een emotioneel bevredigende liefdesrelatie met een andere vrouw op na houdt, d.w.z. de jaloerse vrouw ziet die liefdesrelatie als een bedreiging voor de continuering van haar eigen relatie en het gevaar dat de man zijn aandacht, affectie, energie, geld en/of andere hulpbronnen zal 'realloceren' naar zijn nieuwe liefde en haar eventuele kinderen.
"A woman having sex with another man is always a threat to the man's genetic interest, because it might fool him into working for a competitor's genes, but a man having sex with another woman is not necessarily a threat to the woman's genetic interest, because his illegitimate child is another woman's problem. It is only a threat if the man diverts investments from her and her children to the other woman and her children, either temporarily so or, in the case of desertion, permanently" (Pinker, 1997).

Deze verschillende zorgen van beide geslachten lijken dus functioneel, gericht op die aspecten die vanuit de investeringstheorie en de ouderlijke onzekerheidstheorie te verwachten zijn.
"De bevinding dat bij mannen gevoelens van jaloezie vooral worden opgewekt door de dominantie van de rivaal, terwijl bij vrouwen gevoelens van jaloezie vooral worden opgewekt door de fysieke aantrekkelijkheid van de rivaal, is eveneens in overeenstemming met een evolutionair-psychologische benadering van jaloezie" (Dijkstra & Buunk, 1998).
Zowel in westerse landen als in preïndustriële samenlevingen doden mannen ontelbare malen vaker hun vrouw dan omgekeerd en meestal is het motief seksuele jaloezie, het constateren of zelfs maar het vermoeden van overspel (Daly & Wilson, 1988 et seq.; Wilson & Daly, 1992; Roele, 1996; Pinker, 1997).

Mannelijke seksuele jaloezie is eveneens het voornaamste motief in vrouwenmishandeling (hoewel het niet goed vast te stellen is, zoals Roele [1996] betoogt, hoe vaak jaloerse mannen en vrouwen elkaar mishandelen, omdat veel huiselijk geweld niet wordt aangegeven bij de politie). Vrouwenmishandeling is geen Westerse uitvinding, en evenmin een patriarchale pathologie (of het gevolg van de mannelijke samenzwering binnen een 'fallocratisch patriarchaat', zoals bepaalde feministes beweren). De getrouwde vrouwen van de Yanomamö, een groot Indianenvolk in Amazonië, beschouwen de uiterlijke littekens van mishandeling als evenzovele bewijzen van de diepe liefde van hun echtgenoten; alleen een uiterst jaloerse echtgenoot is immers een liefhebbende echtgenoot, en vice versa. En zij zijn bepaald niet het enige volk dat er zo over denkt (Buss, 1994).
Onderzoek gerapporteerd in Buss (1999) bevestigt het inmiddels robuuste gegeven dat mannen überhaupt meer geneigd zijn tot moord en doodslag dan vrouwen, zowel in daden als in gedachten, hetgeen de laconieke observatie ontlokte aan Robert Wright (1994) dat "From an evolutionary point of view, the leading cause of violence is maleness".
Vrouwen daarentegen doden hun echtgenoten voornamelijk uit zelfverdediging en noodweer, of pas na jaren van mishandeling.

Andere neigingen die investerende mannen hebben geëvolueerd om het horendragerschap te vermijden zijn partnerseparatie (desnoods alleen tijdens haar vruchtbare periode), afscherming door middel van hulpmiddelen zoals kuisheidsgordels, en uiterste discriminatie ten opzichte van vrouwen die tekenen vertonen dat zij onlangs met en andere man hebben gepaard of zelfs maar gepaard zouden kunnen hebben (zoals bij duiven aangetoond)

Homo sapiens exhibits a complex of psychological propensities that achieve the same end, namely improving the probability that a man's putative offspring are indeed his own. We have referred to this motivational-emotional-behavioral complex as 'male sexual jealousy' (Daly, Wilson & Weghorst, 1982), but a better label might be male sexual proprietariness [bezitsdrang]. It is manifested in the dogged inclination of men to control the activities of women, and in the male perspective according to which sexual access and woman's reproductive capacity are commodities than men can 'own' and exchange.
This proprietary point of view is furthermore inextricably bound up with the use or threat of violence in order to achieve and maintain sexual exclusivity and control. Although many authors have argued that sexual jealousy is an artifact of particular cultures and is absent from at least a few, the ethnographic evidence supports the alternative view, namely that the complex described above is cross-culturally universal (Daly & Wilson, 1988).

Seksuele jaloezie is, zo stelt eveneens de antropoloog Donald Brown (1991) in zijn boek Human Universals, een universeel verschijnsel.
Mannelijke seksuele jaloezie, bezitsdrang en rivaliteit zijn niet alleen prominent en universeel aanwezig in vrouwenmishandeling, maar ook in andere vormen van geweld zoals moord en doodslag, en de onderliggende motieven zijn hetzelfde: mannelijke jaloezie, seksuele bezitsdrang, en het vermoeden van (of het feitelijke) overspel van de vrouw. Soms is zelfs een onschuldige flirt van de vrouw met een andere man al voldoende om haar partner in een toestand van acute razernij te brengen. "But by and large, men resort to coercion and violence in their efforts to control women, because - to some degree - coercion and violence work" (Daly & Wilson, 1988).

Mannen die ontdekken of vermoeden dat hun vrouw vreemd is gegaan reageren dikwijls niet alleen gewelddadig, zij zullen ook vaker scheiden of de vrouw en haar kinderen verlaten. In de Westerse maatschappij is overspel van de man, daarentegen voor vrouwen een veel mindere reden tot echtscheiding (Symons, 1979). De vaderschapsonzekerheid is voor mannen in vele culturen zo obsessief dat zelfs de echtgenoten van verkrachtingsslachtoffers zich van hun ongelukkige vrouwen laten scheiden, daarin gesteund door religieuze en wettelijke normen en bepalingen (Brownmiller, 1975; Alcock, 1998).
Volgens een recent rapport van Amnesty International worden jaarlijks honderden vrouwen in Pakistan vermoord omdat ze zijn verkracht, gescheiden of omdat zij met de man van hun eigen keuze zijn getrouwd. Hun familie brengt deze vrouwen om het leven omdat zij de eer van de familie hebben geschaad (Amnesty International, 1999). Geruchten over vermeend overspel van een getrouwde vrouw of een droom van haar echtgenoot over vreemdgaan zijn in deze contreien voldoende reden een vrouw te vermoorden.

The abusive husband's exquisite sensitivity to the possibility of being betrayed by his wife leads him to adopt a number of coercive strategies to fence her in... When they see no possible solution to their problems and misery, their thoughts may turn to homicide and suicide. They no longer see any point in living but want to destroy the opposed cause of their misery - the wayward wife - before they kill themselves. Their entire focus, their only reason for continuing to live, is to inflict the ultimate punishment on the unfaithful spouse: 'If I go, she's going with me'. The husband's malevolent perspective on his wife occurs automatically and is accepted as reality (Beck, 1999).


Seksuele dwang in het dierenrijk

Clutton-Brock & Parker (1995) onderscheiden drie hoofdvormen van seksuele dwang bij dieren: (1) gedwongen copulatie (een veelgebruikt eufemisme voor 'verkrachting'); (2) voortdurende ongewenste intimiteiten (harassment); en (3) intimidatie en 'straf' voor de weigering om te paren.

Bij veel soorten zijn de mannetjes opdringerige en aandringerige minnaars die hun copulatiepogingen net zolang volhouden tot het vrouwtje zich óf kan onttrekken aan de situatie óf, als dat niet mogelijk blijkt, tot het vrouwtje tenslotte dan maar toegeeft. Dit soort aanhoudendheid kan, niet verwonderlijk, tergende en terroriserende trekken aannemen. Langdurige hofmakerij en/of frequente copulatie is een effektieve strategie om een vrouwtje seksueel te monopoliseren, zoals we hebben gezien, maar het brengt voor beide partners kosten met zich mee (in termen van beider tijd/energie budget). Door het seksuele dimorfisme bij de meeste zoogdieren komen die kosten echter disproportioneel of voornamelijk op het vrouwtje neer. Bij de zeeolifant (Mirounga angustirostris), waar de bullen tot 8 maal zwaarder kunnen zijn dan de tengere vrouwen, lopen de vrouwen (en hun jongen) het risico om door een bul letterlijk geplet en vermorzeld te worden. Bij de zeeotter (Enhydra lutris) houden mannetjes tijdens de paring hun partners bij de neus met hun tanden of klauwen, waarbij de vrouwtjes dikwijls gewond raken of zelfs in copulo kunnen verdrinken. Vrouwelijke eenden verdrinken soms eveneens, zoals we nog zullen zien, tengevolge van mannelijke competitie of verkrachtingspogingen. Vrouwelijke antilopen en damherten kunnen worden gedood door vechtende mannen. Bij wilde paarden (Equus caballus) worden loslopende merries voortdurend en ad nauseam lastig gevallen door hitsige hengsten (Clutton-Brock & Parker, 1995). Bij edelherten (Cervus elaphus) kunnen hindes soms sterven aan verwondingen doordat onervaren mannetjes hen per ongeluk anaal penetreren. Bij veel soorten, tenslotte, worden de copulerende paren door andere mannetjes of vrouwtjes of zelfs jongen bepaald niet zachtzinnig aangevallen bij pogingen om de begeerde plaats van de copulator te kunnen innemen, of het paar te verhinderen 'de daad' te volbrengen (voor een inventarisatie van dit soort sexual harassment zie Van der Dennen, 1992).

Haremvormende mantelbaviaanmannen (Papio hamadryas) consolideren het gezag over hun harem met intimidatievertoon en, als dat niet helpt, met een ferme beet in de nek van de dolende vrouw (Kummer, 1968).
Goodall (1986) beschrijft hoe chimpanseemannen vrouwen intimideren, attaqueren en terroriseren met "a fair amount of brutality" gedurende de eerste fase van hun 'wittebroodsreisje' (honeymooning of 'op safari gaan'), totdat de vrouw de man gedwee en op de voet volgt. Mannen 'bestraffen' ook vaak de vrouwen die niet ingaan op hun copulatiepogingen. Bij de meeste primatensoorten die in zogeheten multi-male groups leven, slaan of bijten de mannetjes regelmatig de vrouwtjes die op hun seksuele avances weigeren in te gaan. Dominante mannetjes kunnen de vrouwtjes ook 'bestraffen' voor hun seksuele escapades met ondergeschikte of vreemde mannetjes (Smuts & Smuts, 1993; Clutton-Brock & Parker, 1995).
Het intimideren en aanvallen van (bijna) receptieve vrouwtjes door mannetjes vergroot dikwijls - maar niet altijd - de kans dat de vrouwtjes met hun agressors paren. Uit onderzoek bij de Japanse makaken (Macaca fuscata) bleek dat seksueel-agressieve mannetjes gedurende het paarseizoen significant meer kans hadden te paren dan de niet-seksueel-agressieve mannetjes (Enomoto, 1981). Vrouwen van de laagland gorilla (Gorilla gorilla) in gevangenschap leren al snel om zich seksueel aan te bieden aan agressieve mannen om zo aanvallen van deze kolossale macho's te voorkomen. Uit deze voorbeelden blijkt dat wat op het eerste gezicht vrijwillige seks lijkt het gevolg kan zijn van eerdere dwangmaatregelen (Malamuth & Heilmann, 1998).
Bij veel primatensoorten komt soms seksuele agressie voor zonder duidelijke redenen - althans voor de menselijke waarnemers. Smuts & Smuts (1993) veronderstelden dat dergelijke aanvallen bedoeld waren om vrouwtjes te intimideren om de toekomstige paringskansen van de agressors te vergroten. Bij alle hier boven beschreven gedragingen kunnen de vrouwelijke slachtoffers behoorlijk toegetakeld worden; spontane abortussen en zware verwondingen zijn niet ongewoon. Soms is het seksuele geweld zelfs dodelijk. In het dierenrijk is 'het vrouwtje van de soort' te zijn - anders dan in de romantisch-sentimentele Bambi-biologie (zoals Ghiglieri [1999] die noemde) - meestal geen onverdeeld genoegen.
Seksuele agressie blijkt dus te lonen, en dat is dan ook de reden - in een notedop - waarom het is geëvolueerd: voor de natuurlijke selectie geldt alleen het resultaat, niet of dat resultaat zachtzinnig of hardhandig is behaald.

The evolutionary approach generally places coercive sexuality within the framework of various strategies involving self-interested manipulative and dishonest strategies that would have, directly or indirectly, increased reproductive success in Pleistocene environments. Whenever two individuals have divergent interests, tactics such as violence and/or deceit often occur (Malamuth & Heilmann, 1998).

Het is niet verwonderlijk dat er ook, voornamelijk bij primaten, coalities van vrouwtjes om zich tegen de mannetjes van de eigen soort te verdedigen zijn gedocumenteerd. In een aantal gevallen is waargenomen dat zulke coalities een ongewenst mannetje konden doden (Smuts & Smuts, 1993; Clutton-Brock & Parker, 1995).
Tenslotte zij vermeld dat bij soorten waarbij de betrekkingen tussen de geslachten relatief egalitair zijn, zoals bij de muriquis of wolharige slingerapen (Brachyteles arachnoides), of waarbij vrouwen dominant zijn over mannen zoals bij gevlekte hyena's (Crocuta crocuta), mannelijke agressie tegen vrouwen zeldzaam of afwezig is (Smuts & Smuts, 1993).
De derde, en tevens meest indringende en traumatische, vorm van seksuele dwang is de geforceerde copulatie oftewel verkrachting.


Verkrachting

Verkrachting kan worden beschouwd als een poging van mannen om het principe van de vrouwelijke keuze (female choice) te saboteren, te ontkrachten of te omzeilen met behulp van machtsvertoon, intimidatie, dreiging met, of gebruik van geweld. Het is in elk geval gedrag dat zonder de toestemming of tegen de wil van het slachtoffer plaatsvindt.
Archer (1998) merkt op dat veel wetenschappers zich verzetten tegen de toepassing van de term 'verkrachting' bij dieren, en termen als coercive sex, forced copulation, forced insemination, of resisted mating prefereren. Maar hoe het gedrag ook genoemd wordt, het is duidelijk dat het een poging is van de dader om zich tegen de wil van het slachtoffer seksuele toegang te verschaffen.

Er is op dit moment een hevig debat gaande of verkrachting in onze soort moet worden gezien als een bijprodukt van een gehypertrofieerde - al te krachtige - mannelijke libido en het ongebreidelde verlangen naar kostenloze, snelle, anonieme, vrijblijvende en onverbindende seks of beter als een reproduktieve strategie kan worden beschouwd (bijv. Symons, 1979; Bailey, 1987; Ellis, 1989; Palmer, 1991; Van der Dennen, 1992; Buss, 1994; Jones, 1999; Thornhill & Palmer, 2000). Verkrachting is universeel in menselijke culturen, komt ook bij vele diersoorten voor, en is vrijwel uitsluitend een zaak van mannelijke daders en vrouwelijke slachtoffers, hoewel homoseksuele mannenverkrachting, verkrachting binnen een lesbische relatie, en verkrachting van kinderen van beide geslachten door (gelukkig maar een kleine minderheid van) zogeheten 'pedofielen' of 'pedoseksuelen' ook voorkomt. Verkrachting van mannen door vrouwen is uiterst sporadisch gedocumenteerd.

Partnerverkrachting

Volgens Ellis (1989) is date rape of acquaintance rape (relatie- of partnerverkrachting - na een romantisch avondje stappen bijvoorbeeld) de meest frequente vorm van verkrachting. Het is tevens de minst gewelddadige vorm van verkrachting, en wordt ook het minst aangegeven bij de politie. Tot 63% van alle seksuele delicten worden gepleegd door bekenden van het slachtoffer: de vrijer, minnaar, echtgenoot, of de facto partner. Verkrachting is derhalve niet (alleen) een daad van enge, vreemde mannen in donkere bosjes (stranger rape of predatory rape). Volgens andere bronnen (bijv. Schlesinger [1985] in Ghiglieri [1999]) is twee derde van alle verkrachtingen, althans in de U.S.A., van het type stranger rape - maar bij beide soorten is het Dunkelziffer eigenlijk volstrekt onbekend.
Alles lijkt er op te wijzen dat het primaire motief bij de partnerverkrachting seks is, en niet zozeer dominantie, machtswellust, vernedering of sadisme. De partnerverkrachting is één mogelijke uitkomst van het conflict tussen man en vrouw over het tijdstip van de seksuele ouverture en de mate van lichamelijke intimiteit - waarbij de man altijd eerder (seks) en meer (intimiteit) wil en de vrouw er dikwijls nog nauwelijks aan toe is. Onenigheid over seksuele toegankelijkheid of beschikbaarheid - het begeerde tijdstip en niveau van seksuele intimiteit - is de meest voorkomende bron van conflicten tussen de geslachten (Buss, 1994).
Partnerverkrachters gebruiken een heel scala aan truken en taktieken, misleiding en leugens, om hun partner in bed te krijgen of tot mutuele masturbatie of fellatio te verleiden: ongemeende liefdesverklaringen, valse trouwbeloften, dreigementen met het verbreken van de relatie, pogingen de vrouw dronken te voeren, en het eenvoudigweg negeren van elk protest of verzet bij het betasten of uitkleden van de vrouw.
De man doet eigenlijk alles wat hij denkt dat vrouwen seksueel opwindt, maar dat is in werkelijkheid eerder een mannelijke wensfantasie dan een accurate benadering van de vrouwelijke psyche. Zijn ietwat dronken gehannes en gepotel na een avondje stappen interpreteert hij als onweerstaanbare verleidingskunst, en hij is dan ook stomverbaasd en hevig teleurgesteld als zijn partner dat niet blijkt te vinden. Bovendien vindt hij dat hij recht heeft op instantbevrediging; tenslotte heeft hij zich aan zijn aandeel in de relationele transactie gehouden.
Pas als de hele trukendoos aan vermeend-romantische en niet-gewelddadige verleidingskunsten is uitgeput, neemt hij zijn toevlucht tot zachte aandrang, en als ook dat niet helpt, tot 'passende' maatregelen en instrumenteel geweld (d.w.z. niet meer dan noodzakelijk om het gewenste doel te bereiken).
Tijdens de daad kussen en strelen partnerverkrachters het slachtoffer, complimenteren haar met haar schoonheid en seksuele aantrekkingskracht, vermijden zo veel mogelijk onnodig geweld, en meestal raken ze compleet van slag als de vrouw te veel verzet pleegt of duidelijk haar afkeer toont. Als de daders van dit soort partnerverkrachting later worden geïnterviewd, rapporteren zij dikwijls dat zij tijdens de daad de fantasie hadden dat de vrouw verliefd op hen zou worden (en hun handelingen, zoals kussen en strelen, weerspiegelen deze fantasie) (Westen, zoals geciteerd in Jones, 1999: 882).
Alleen in een mannelijk brein kan zo'n fantasiescenario ontstaan: dat de vrouw verliefd zal worden op haar belager is een wensdroom die verwant is aan de wensdromen die samen het mannelijk-seksuele aards paradijs oftewel Pornotopia uitmaken (zie beneden).

From this evidence, Mosher & Anderson (1986) [cf. Ellis, 1989, 1991; Pollard, 1994] reasoned that it would be more parsimonious to consider all of these male behavior patterns, including rape, as reflecting the same basic goal (i.e. to have sex) than to contend that when they rape, their goal is power and domination, but when they lie or try to get their dates intoxicated, their goal is sex... Overall, while the motivation behind rape is inherently difficult to determine (especially if it is assumed that rapists themselves may not know what their motives are) (Malamuth, 1988), most of the evidence bearing on the matter seems to contradict the hypothesis that domination and aggression, rather than sex, are of paramount importance. This is certainly not to argue that domination and aggression have nothing to do with rape, but that they seem to reflect more of the tactical aspects of rape, rather than the objective of the act... Kanin (1984) also proposed that, while sex appears to be the main motivation in the case of most date rapes, it is possible that domination and power still motivate most predatory rapes (see also Check & Malamuth, 1985) (Ellis, 1989).

Ellis (1989, 1991) ontwikkelde een (synthetische) theorie van verkrachting, waarin zowel seksuele motivatie als de mannelijke neiging om te beheersen en te domineren en de seksuele bezitsdrang een rol spelen. Dergelijke neigingen zijn eveneens bij (andere) primaten uitvoerig gedocumenteerd, bijvoorbeeld bij bavianen en chimpansees.
Volgens deze theorie zijn de meeste gevallen van partnerverkrachting, net zoals andere vormen van courtship violence en geweld binnen het huwelijk, grotendeels tactische of instrumentele manifestaties van deze mannelijke neiging de seksualiteit van vrouwen te beheersen en te bezitten.

[A]lthough force is often used instrumentally to accomplish a rape, excessive force resulting in substantial physical injuries occurs only in a minority of rapes. In their study of 1401 rape victims, McCahill et al. (1979) found that most of the victims reported the use of instrumental force... the evidence appears to be more consistent with Hagen's (1979, p. 87) conclusion: "....in the great majority of rape cases, physical injury, other than that which might be related to penetration is not done to the victim (for example Brownmiller 1975, p. 216; Burgess and Holmstrom 1974). And generally, there is no injury at all. If violence is what the rapist is after, he's not very good at it. Certainly he has the victim in a position from which he could do all kinds of physical damage."
Even when excessive violence does occur, sexual motivation still appears to be a necessary part of the explanation for why a rape rather than a non-sexual assault occurred. As Rada (1978a, p. 22) states, "if aggression were the sole motive it might be more simply satisfied by a physical beating." (Thornhill & Palmer, 2000: 136-7).

Feministische theoretici zien verkrachting, seksueel geweld, en de pogingen van mannen de vrouwelijke seksualiteit te monopoliseren voornamelijk als een uniek menselijk, en 'cultureel bepaald' of 'aangeleerd' fenomeen. Volgens de synthetische theorie zijn echter zowel een ongebreidelde geslachtsdrift als de neiging tot domineren en bezitten wijdverbreid in het dierenrijk, en bovendien worden deze gedragingen gestuurd door tamelijk primitieve hersenfuncties gesitueerd in het limbisch systeem - en juist nauwelijks in staat tot leren. Wat wél geleerd kan worden zijn de technieken en taktieken, zoals het liegen over 'liefde en trouw' en het dronken voeren van de partner, die mannen gebruiken om hun zin door te drijven.
Brownmiller (1975) argumenteerde dat er een aantal overtuigingen in de maatschappij voorkomen die verkrachting legitimeren. Zij somde een aantal van zulke 'verkrachtingsmythen' op, zoals "alle vrouwen willen verkracht worden", "geen enkele vrouw kan tegen haar wil verkracht worden", en "ze vroeg er toch zelf om". Burt (1980) ontwierp een 'Rape Myth Acceptance (RMA) schaal. Zij vond, niet geheel verwonderlijk, dat de voornaamste correlaten van deze schaal waren: 'Acceptance of Interpersonal Violence'; 'Adversarial Sexual Beliefs' en 'Sex-Role Stereotyping'.

'Verkrachtingsmythen' zijn soms een tikkeltje waar

Wat betreft 'verkrachtingsmythen' en attitudes: mannen die geloven dat vrouwen soms 'nee' zeggen als ze 'misschien' of 'ja' bedoelen zullen meer seksuele ervaring opdoen en 'intermittent beloond' worden dan mannen die menen dat het 'nee' van de vrouw inderdaad een 'nee' is, en afdruipen in plaats van aanhouden. Vrouwen rapporteren namelijk zelf in grote getale dat zij dikwijls inderdaad 'nee' zeggen wanneer ze 'misschien' of 'ja' bedoelen, om niet al te 'los', gewillig, happig, of promiscue bij hun nieuwe partner over te komen. Mannen die na een aanvankelijke weigering blijven aandringen en eventueel zelfs een milde vorm van dwang uitoefenen zullen derhalve intermittent bekrachtigd worden met het begeerde doel: seksuele bevrediging. Naarmate deze tactiek meer beloond wordt en steeds beter geleerd zal de man die ook steeds weer bij nieuwe, successieve partners routinematig inzetten.
Bovendien verwachten veel vrouwen een milde vorm van dwang als seksuele ouverture, en een aantal vrouwen en meisjes lijkt dit, volgens onderzoek gerapporteerd in Ellis (1989), zelfs plezierig te vinden, of een legitieme rechtvaardiging van hun eigen lustgevoelens. Mannen die zich niet laten afschrikken door de aanvankelijke weigering van de vrouw zullen derhalve gemiddeld een hoger reproduktief succes hebben dan meer timide mannen. Mannen zijn bovendien gewend in allerlei situaties dwang of geweld te gebruiken. Partnerverkrachting is wat dat betreft niet uniek; het is dwang en afgemeten geweld in een seksuele context. Seksueel assertieve (en ervaren) mannen en seksueel afhoudende (en onervaren) vrouwen zijn in de meeste culturen de 'standaard' (conventionele) seksuele rollen.

Verkrachting (geforceerde copulatie) als alternatieve voortplantingsstrategie

"Wanneer er een harde strijd geleverd moet worden om een vrouwtje te veroveren proberen sommige mannetjes op een goedkopere manier hun genen te verspreiden, namelijk door een vrouwtje te verkrachten. Als een mannetje slecht in de huwelijksmarkt ligt, het een zeer hoge investering vraagt om een vrouwtje tot vrijwillige seks te bewegen en verkrachting relatief goedkoop is, gebruiken mannetjesdieren gedwongen copulatie soms als een soort alternatieve voortplantingsstrategie... Het lijkt sterk van de omstandigheden waarin een soort is geëvolueerd af te hangen of gedwongen copulatie onderdeel wordt van het gedragsrepertoire" (Roele, 1996).
Verkrachting is min of meer 'normaal' bij de solitaire orang-oetan (Pongo pygmaeus), en onderdeel van het gedragsrepertoire van de gewone chimpansee (Pan troglodytes) en de mens (Homo sapiens sapiens). Het niet-menselijk equivalent van verkrachting (gedwongen copulatie - meestal als uitzonderlijke seksuele strategie) is thans gedocumenteerd voor tientallen soorten, variërend van insecten tot mensapen. Dat verkrachting bij mensen niets met seks maar alles met geweld te maken heeft, zoals sommige feministen beweren, wordt op geen enkele manier door de beschikbare evidentie ondersteund. Integendeel, het bestaan van geforceerde copulatie bij zoveel andere diersoorten lijkt er sterk op te wijzen dat verkrachting primair seksueel gemotiveerd is. Een jonge mannetjes-orang wil met een vrouwtjes-orang copuleren en hij gebruikt daarbij zoveel geweld als 'nodig' is om haar - soms zeer heftige - weerstand to overkomen; er is geen enkele reden te denken dat de jonge mannetjes-orang handelt uit een soort gegeneraliseerde vrouwenhaat, of vanuit een complot om vrouwen te intimideren, of vanuit la violence pour la violence. Sanday's (1990: 10) uitspraak dat gedurende een verkrachting "the sexual act is not concerned with sexual gratification but with the deployment of the penis as a concrete symbol of masculine social power" zou bij een jonge orang-man minstens enige vervreemding wekken - als hij al zou begrijpen waar Sanday het over heeft.

De meeste vrouwelijke organismen kiezen (min of meer vrij) een paringspartner en worden moeders. Bij mannelijke organismen ligt de zaak, zoals we al hebben gezien, totaal anders. Zij worden lang niet allemaal vaders. Vooral bij polygyne soorten, waarbij een paar volwassen mannetjes alle beschikbare vrouwen monopoliseren, zullen vele mannelijke exemplaren kinderloos doodgaan. Maar niet zonder slag of stoot, want zij zullen hun reproduktieve belangen tot aan de laatste snik blijven behartigen; de zelfzuchtige genen hebben weinig belang bij een enkele reis naar de reproduktieve vergetelheid. Het is vanuit dit perspectief bezien niet verwonderlijk dat geweld in de natuur op grote schaal voorkomt: geweld tussen mannen die vechten om toegang tot vrouwen; geweld tussen vrouwen om de concurrentie uit te schakelen of om elkaars nakomelingen af te maken, of soms te strijden om toegang tot de schaarse mannen; en geweld tussen man en vrouw om toegang tot de vrouwelijke gameten te forceren als zijn seksuele avances worden afgewezen. Van zachte aandrang tot bruut geweld, de geforceerde copulatie komt bij veel soorten voor van minieme insekten, vissen, vogels, en een groot aantal zoogdieren tot en met onze fylogenetische 'neven' de primaten.
De volgende inventarisatie is gebaseerd op Van der Dennen (1992), aangevuld met referenties van na 1992.

Forced copulation or rape has been described in a variety of species. For example, in insect species like Drosophila (Manning, 1967; Pinkser & Doschek, 1980), Colocoides (Linley, 1972), Panorpa scorpionflies (Thornhill, 1980 et seq.; Thornhill & Sauer, 1991), dragonflies (Tsubaki & One, 1986), greenhouse whiteflies (Las, 1972); dungflies (Allen & Simmons, 1996), thrips (Crespi, 1986), brown planthopper (Oh, 1979), Rhagoletis (Smith & Prokopy, 1980), water striders (Arnqvist, 1989, 1992; Arnqvist & Rowe, 1995; Andersen, 1997), crickets (Cade, 1980, 1985; Sakaluk et al., 1995), beetles (Michelson, 1963; Pinto, 1972; Alcock, 2001), and other insect species (Kepner, Carter & Hess, 1933; Parker, 1979; Thornhill & Alcock, 1983);
in fishes like Cyprinodon (Kodric-Brown, 1977), Gila topminnow (Constantz, 1975), guppies (Farr, 1980), sailfin molly (Farr, Travis & Trexler, 1986), leaf fish (Barlow, 1967), sticklebacks (Van den Assem, 1967), teleosts (Fishelson, 1970), sunfish (Keenleyside, 1972), and bluehead wrasse (Warner, Robertson & Leigh, 1975);
in crustaceans like mole crabs (Subramoniam, 1979) sand bubbler crabs (Hemni, Koga & Murai, 1993); and American lobsters (Waddy & Aiken, 1991);
in bird species like mallard ducks (Barash, 1975, 1977; Titman & Lowther, 1975; Bingman, 1980; Burns, Cheng & McKinney, 1980; Cheng, Burns & McKinney, 1982a,b; McKinney, Derrickson & Mineau, 1983; Titman, 1983; Bosseman & Roemers, 1985), wild ducks (Huxley, 1912); black ducks (Seymour & Titman, 1980), bank swallows (Hoogland & Sherman, 1976; Beecher & Beecher, 1979), snow geese (Mineau & Cooke, 1979; Dunn et al., 1999), lesser scaup (Afton, 1985), bee-eaters (Emlen & Wrege, 1986; Wrege & Emlen, 1987), green-winged teal (McKinney & Stolen, 1982), blue-winged teal (Bailey, Seymour & Stewart, 1978), white-cheeked pintail (Sorenson, 1994), laughing gulls (Burger & Beer, 1975), blackheaded gulls (Van Rhijn & Groethuis, 1985), waved albatrosses (Huyvaert et al., 2000), magpies (Birkhead, 1979), common murre (Birkhead, Johnson & Nettleship, 1985), red jungle fowl (Thornhill & Palmer, 2000), broiler breeder fowl (Millman, Duncan & Widowksi, 2000), and other monogamous colonial birds (Gladstone, 1979; McKinney, Cheng & Bruggers, 1984);
in amphibians like anurans (Wells, 1977), tree frogs (Lutz, 1960), and bullfrogs (Howard, 1978) and in reptiles like lizards (Cooper, 1985) and turtles (Berry & Shine, 1980);
in mammals like tree shrews (Sorenson, 1974), bats (Pearson et al., 1952; Thomas et al., 1979); elephant seals (Cox & LeBoeuf, 1977, 1988; LeBoeuf & Mesnick, 1990; Mesnick & LeBoeuf, 1991), Hawaiian monk seals (Hiruki et al., 1993a,b); feral sheep (Réale, Boussès & Chapui, 1996); bighorn sheep (Geist, 1971; Hogg, 1984, 1988), deer (Severinghaus, 1955), stray dogs (Ghosh, Chouduri & Pal, 1984); in rhesus macaques (Harlow, 1962), talapoin monkeys (Rowell, 1973), vervet monkeys (Struhsaker, 1967), stumptail macaques (Goldfoot, 1977), Japanese macaques (Eaton, Modahl & Johnson, 1981; Soltis et al., 1997), spider monkeys (Milton, 1985), howler monkeys (Jones, 1985), grey langurs (Ripley, 1980); and in gorillas (Harcourt, 1978; Nadler & Miller, 1982; Nadler, 1988), chimpanzees (Pitcairn, 1974; Goodall et al., 1979; Nishida, 1979; Fox, 1980; Tutin & McGinnis, 1981; Goodall, 1986; de Waal, 1982; Nadler, 1988); and orangutans (Fox, 1939; MacKinnon, 1971 et seq.; Pitcairn, 1974; Coffey, 1975; Rijksen, 1975, 1978; Galdikas, 1979 et seq.; Maple, Zucker & Dennon, 1979; Maple, 1980; Nadler, 1982; Konner, 1982; Mitani, 1985; Schuurman & van Hooff, 1986). See also Smuts & Smuts, 1993; Clutton-Brock & Parker, 1995; Alcock, 1997; Jones, 1999; Nadler, 1999; Thornhill & Palmer, 2000; Judson, 2002. According to Thornhill & Palmer (2000: 146) "The widespread occurrence of rape across animal species is both consistent with evolutionary predictions and devastating to the social science explanation").
Although Bercovitch et al. (1987) tried to point out that forced copulations are uncommon among nonhuman primates, the list above shows otherwise. It becomes particularly impressive when we consider the pongids (gorilla, orangutan and chimpanzee), evolutionarily our very 'next-of-kin' (Van der Dennen, 1992).

Ornithologen hebben, behalve bij zwaluwen, meeuwen, reigers en albatrossen, geforceerde copulaties waargenomen bij lachduiven (Streptopelia risoria), sneeuwganzen (Anser caerulescens), grauwe ganzen (Anser anser), en een aantal eendensoorten zoals de wilde eend (Anas platyrhyncha), pijlstaarten (Anas acuta), en blauwvleugeltalingen (Anas discors). Dit zijn dikwijls wat Barash winter rapes heeft genoemd (niet-reproduktieve verkrachtingen, die wel worden geïnterpreteerd als pogingen om het vrouwtje van een gevestigd paar weg te lokken). Maar of het nu gaat om verleiding of pure agressie, de gevolgen voor het vrouwtje van de wilde eend zijn verschrikkelijk en soms dodelijk. De vrouwtjes doen alles om de aanval af te slaan; ze proberen te vluchten door weg te zwemmen of weg te vliegen, maar als dat niet lukt vechten ze met pikken en bijten voor hun leven. Voor veel vrouwtjes is deze tegenstand fataal: zij vechten zich dood door verwonding of uitputting. Soms lukt het hun mannelijke partners om de seksuele belagers af te slaan.
De mannetjestalingen in Manitoba doen aan groepsverkrachting. Waarnemers zagen hoe acht of negen woerden zich op een nestelend paar stortten, en het vrouwtje gewelddadig isoleerden van haar partner. In dit geval dook het ongelukkige en uitgeputte vrouwtje tenslotte onder water om aan haar belagers te ontkomen, maar ze werd daarna niet meer boven water waargenomen (Kevles, 1986).
Vooral triest is het lot van een vrouwtje dat het slachtoffer van een geslaagde verkrachting door een vreemd mannetje is geworden: haar eigen partner doet het daarna nog eens dunnetjes over (een gedrag dat niet moeilijk te interpreteren is als spermacompetitie) (Barash, 1977 et seq.).
Bij de sneeuwganzen, die in dichtopeengepakte kolonies leven, proberen gepaarde mannetjes hun buurvrouwtjes te verkrachten, terwijl ze hun eigen partner tegen opdringerige avances van andere mannetjes verdedigen totdat zij al haar eieren heeft gelegd. Deze gemengde strategie levert gemiddeld één (of iets minder) extra bevrucht ei op, maar in termen van RS is dit toch een significante pay-off (Forsyth, 1993).
Bij de monogame, in kolonies nestelende, rivierzwaluwen zal een mannetje dat een relatie heeft met een enkel vrouwtje proberen om vrouwtjes die bij andere mannetjes horen uit de lucht te slaan en ze te dwingen te copuleren (Daly & Wilson 1983; Fisher, 1997).
Sommige mannetjes bij de grauwe gans zijn zogeheten 'krielen' (runts) die veel eerder seksueel dan lichamelijk en sociaal rijp zijn (m.a.w. zij ontwikkelen hun paringsdrift voordat ze de vermogens ontwikkelen om die te beheersen). Juist deze krielmannetjes proberen copulaties te forceren en vrouwtjes te verkrachten. De runt theory is ook bij mensen aangewend om het gewelddadig seksueel gedrag van seksueel premature jongens te verklaren.
Zeehonden en zeeleeuwen praktizeren eveneens groepsverkrachting. De vrouwen bij deze soorten moeten er voortdurend voor waken dat zij niet door een bende jonge, seksueel rijpe maar nog niet sociaal rijpe, mannen (van wie er sommige zelfs hun eigen halfbroer kunnen zijn) worden ontvoerd en massaal verkracht (Campagna, LeBoeuf & Cappozzo, 1988; Harwood, 1991).
Coalities van jonge tuimelaarsmannen (Tursiops truncatus, een dolfijnensoort) proberen soms een loopse vrouw tussen hen in op te sluiten, waarbij het niet duidelijk is of dat is om haar beschermen tegen andere coalities of om haar te isoleren en monopoliseren om ongestoord met haar te kunnen copuleren. Uit het gedrag van de tuimelaarsvrouw is op te maken dat een en ander niet geheel vrijwillig en con amore verloopt. Concurrerende coalities vormen soms opportunistische 'supercoalities' om de mannen van kleinere groepen te verjagen en de vrouwen voor zichzelf in te pikken (Connor, Smolker & Richards, 1992; Bright, 1999a).
Etholoog Hans Kruuk (1972) nam een merkwaardig geval van seksuele intimidatie-annex-chantage waar bij een jong mannetje van de gevlekte hyena (Crocuta crocuta), die tevergeefs probeerde te paren met een volwassen zogende vrouw die hem steeds afwees. Hij ging tot acht keer naar een van haar jongen toe en ejaculeerde op het schreeuwende jong, waarna hij zich weer tot de moeder wendde.
Bij adolescente mannen van de orang-oetan zijn verkrachtigen, met penetratie van de heftig tegenspartelende vrouw waargenomen. Aan normale copulaties tussen volwassen orang mannen en vrouwen komt voorspel te pas en maken de vrouwen de indruk van seks te genieten. Bij geforceerde copulaties is het tegendeel het geval (Kevles, 1986; Wrangham & Peterson, 1996). MacKinnon (1974), die jarenlang orang-oetan gedrag observeerde, rapporteerde dat zeven van de acht waargenomen copulaties verkrachtingen waren door adolescente mannen. "The females tried to escape but were pursued, caught, and sometimes struck and bitten". Andere waarnemers hebben vergelijkbare schattingen gemaakt. Galdikas (1995) beschrijft zelfs dat een jonge orangman een vrouwelijke kok in haar waarnemerskamp verkrachtte. Dit wordt momenteel gezien als een 'gevestigde alternatieve voorplantingsstrategie' bij de orang-oetans (Fisher, 1997; Wrangham & Peterson, 1996; Ghiglieri, 1999).
Er is ook melding gemaakt van gevallen van gedwongen copulatie bij chimpansees, en bij een aantal andere primaten (zie voor een overzicht Van der Dennen, 1992).

Wright (1994) opperde de veronderstelling dat vrouwelijke weerstand door de natuurlijke selectie bevorderd zou kunnen worden als een soort filter voor sterke, dominante en seksueel agressieve mannetjes.
Vrouwelijke weerstand tegen de avances van opdringerige mannetjes kan vele vormen aannemen. Vrouwelijke primaten kunnen vaak weglopen, of weigeren een mannetje te volgen, of gewoon gaan zitten en daarbij simpel doch efficiënt de toegang blokkeren. Sommige insekten weren ongewenste vrijers met schoppen en bijten. Huisvliegvrouwtjes zijn gewapend met een speciale stekel aan hun middenpootjes waarmee ze de vleugels van opdringerige minnaars ernstig kunnen toetakelen. Een heel leger vrouwelijke kevers produceert voor hetzelfde doel hun eigen biochemische verdovingsmiddelen, equivalenten van 'pepperspray' en zenuwgas, die mannetjes urenlang in coma kan brengen (Batten, 1992).

Als het seksueel misbruik van vrouwen het produkt is van onze cultuur, dan wordt het veroorzaakt door sociale verhoudingen of opvoedingspraktijken die onze cultuur met alle andere gemeen heeft. Want verkrachting is waarschijnlijk een universeel verschijnsel. Tot nu toe is nog geen volk ontdekt waar verkrachting niet voorkomt [Ondanks aanvankelijke claims dat er rape free societies zouden bestaan door Broude & Green (1976) en Sanday (1981). Palmer's (1989 et seq.) heranalyse en nieuw onderzoek heeft deze claims volledig ontkracht (zie ook Wrangham & Peterson, 1996; Ghiglieri, 1999; Jones, 1999)].
Wereldwijd zijn de slachtoffers van verkrachting bijna altijd vrouwen in de vruchtbare leeftijd: tussen de twaalf en veertig jaar...
Het verschil tussen de date rapist en de ladykiller lijkt te zijn dat de eerste minder scrupules heeft om zijn doel te bereiken. In zijn haast om te scoren gebruikt hij misleiding en dwang om vrouwen die een grotere emotionele investering van een potentiële seksuele partner eisen dan hij bereid of in staat is te geven, toch in bed te krijgen.
Net als in de dierenwereld wordt bij de mens verkrachting door een minderheid van de mannen toegepast, zijn de slachtoffers doorgaans vruchtbare vrouwen en de daders verliezers op de seksuele markt of mannen die op een goedkope manier extra seksuele partners proberen te krijgen. Volgens de Amerikaanse socioloog Lee Ellis wijkt deze minderheid psychisch af van de gemiddelde man... (Roele, 1996).

Het persoonlijkheidsprofiel van deze minderheid wordt, volgens deze literatuur, gekenmerkt door gegeneraliseerde vijandigheid ten opzichte van vrouwen - een gemoedstoestand die empathie met het slachtoffer uitsluit - én impulsiviteit én hypermasculiniteit, gecombineerd met een hoge mate van promiscuïteit (in tegenstelling tot de hypothese dat deze mannen seksueel gefrustreerde Einzelgänger en zielepoten zouden zijn).

Verkrachting als uiting van vrouwvijandigheid


De opvatting dat verkrachting voornamelijk seksueel gemotiveerd is sluit natuurlijk niet uit dat er niet ook andere motieven een rol bij kunnen spelen, vooral in de verkrachtingen van 'seksuele roofdieren' (sexual predators: de daders van stranger rapes).
Kanin (1985) typeerde zulke verkrachters als seksuele roofdieren, die veel meer seksueel actief waren dan de gemiddelde man, en een geschiedenis van seksueel molest en dwang achter zich hadden, en zich bovendien aan een hele serie andere versiertruuks en verleidingstaktieken, zoals het dronken voeren van hun partner, schuldig maakten (Pollard, 1994).
Scully & Marolla (1984, 1985) onderzochten veroordeelde verkrachters in de gevangenis en zij presenteren een groot aantal letterlijke uitspraken van deze mannen (inderdaad 'seksuele roofdieren') die vooral opvallen door de totale onverschilligheid voor de slachtoffers die er uit spreekt, en de centrale thema's van macht, verovering, en het genot van onpersoonlijke seks. Door verkrachting kunnen mannen hun macht ervaren en de gevoelens die te maken hebben met intimiteit en tederheid vermijden.
Een aantal studies van (veroordeelde) verkrachters (samengevat in Ward et al. [1997]) duidt erop dat het primaire motief, of prominente co-motivatie, van een hoog percentage verkrachters (en seksueel-gewelddadige mannen in het algemeen) was het vernederen en degraderen van hun slachtoffers. Zij werden volgens eigen zeggen gedreven door ressentiment, woede en wraakzucht t.o.v. vrouwen, en de behoefte om te domineren. Ook uit deze studies blijkt dat seksuele daders vriendelijke signalen van vrouwen misinterpreteren als seksuele invitatie ("ze vroeg erom") en negatieve signalen ontkennen ("ze vond het lekker").
Symons (1979: 283) en Thornhill & Palmer (2000: 135) hebben er op gewezen dat dergelijke uitspraken vrijwel uitsluitend van veroordeelde verkrachters afkomstig zijn en wel eens een hoge mate van sociale wenselijkheid en conformisme aan het psychotherapeutenregime zouden kunnen weerspiegelen.
Seksueel gewelddadige mannen zien zichzelf vaak als slachtoffer van vrouwelijke streken: ze voelen zich door vrouwen afgewezen, gemanipuleerd, bedrogen, en/of verraden.
Malamuth & Heilmann (1998) presenteren een 'confluentiemodel' van seksueel geweld, waarbij seksueel geweld beschouwd wordt als de resultante van twee verschillende eigenschappen: de eerste bestaat uit een relatief hoog niveau van promiscuïteit en onpersoonlijke seks, en de tweede karakteristiek behelst vrouwvijandige en dominerende trekken.
Voor mannen die de status, het geld of andere hulpbronnen die nodig zijn voor het aantrekken van een partner missen, of die door vrouwen voortdurend worden afgewezen vanwege fysieke onaantrekkelijkheid, of handicap, of onvoldoende sociale vaardigheden o.i.d., kan afgedwongen seks of verkrachting een ultiem 'wanhoopsoffensief' zijn.

Groepsverkrachting of gangbang

Verkrachting wordt meestal beschouwd als een individuele (mis)daad, maar epidemiologische studies, waaronder die van Amir (1971) waarschijnlijk het bekendst is, hebben aangetoond dat iets meer dan een derde van alle verkrachtingen een groepsverkrachting is, waarin twee of meer jongens of mannen gezamenlijk een meisje of vrouw alleen overweldigen. Dit leidt tot een situatie waarin de mannen verzekerd zijn van hun dominantie en waarin het slachtoffer nauwelijks kans op ontsnapping heeft - een gruwelijke ervaring. Dikwijls is het een min of meer spontane gebeurtenis die plaatsvindt na een feestje waarin stevig alcohol wordt ingenomen of andere drugs worden gebruikt, en waarbij een enorme groepsdruk op aarzelende of tegenstribbelende individuen meespeelt om de groepssolidariteit te bewaren en om mee te doen met de orgie van gewelddadig machismo. Men moet moreel heel sterk in de schoenen staan om deze groepsdruk te weerstaan.
"The study by Amir (1971) revealed that nearly one fifth of the victims had an arrest record and that over half of these women had been previously charged with sexual offenses. This finding led to Amir's concept of 'victim-precipitated rape' - that is, cases where the offender felt that a sexual invitation was issued but later retracted. These assaults often involved women with previous 'bad reputations', alcohol use by both parties, and situations where the women had been picked up in a tavern or at a party" (Henn, 1978).

Is verkrachting te wijten aan seksuele frustratie en/of partner deprivatie?

LaLumière et al. (1996) onderzochten de hypothese dat verkrachting, en seksuele dwang in het algemeen, het gevolg zouden zijn van seksuele frustratie en/of partner-deprivatie. De resultaten van deze studie konden de hypothese niet bevestigen. Integendeel zelfs; de mannen die dwang toepasten haalden hogere scores in zelf-waargenomen paringssucces en hadden significant meer seksuele ervaring (zoals ook al door Ellis [1989] gevonden). Zij hadden eveneens een grotere voorkeur voor seksuele afwisseling en vrijblijvende seks. Dit alles suggereert volgens de auteurs dat deze mannen korte-termijn taktieken van machogedrag, manipulatie en dwang toepassen in hun 'romantische' betrekkingen, en dat zij daarin ook redelijk goed slagen. Het feit dat er weinig correlaties worden gevonden tussen verkrachting en een hele suite andere seksuele indices wijst erop dat verkrachting weinig te maken heeft met seksuele frustratie, partnerdeprivatie, of psychopathologie (Pollard, 1994).

Het is al meerdere malen beargumenteerd dat de meeste verkrachtingen voorkomen als gevolg van een mannelijke strategie van instrumentele dwang (om zich toegang tot het lichaam van de ander - vrouwelijk of mannelijk - te verschaffen of seksuele bevrediging van de ander af te dwingen), waarbij de dader liever 'ongedwongen' met het slachtoffer had verkeerd (Hamilton & Yee, 1990). De meeste jonge mannen zijn gepreoccupeerd met het versieren van seksueel gewillige meisjes en vrouwen. Voor sommige mannen is de vrouwenjacht, de seksuele trofeeënverzameling, de 'verovering', het 'scoren' met of zonder toestemming van de betreffende persoon, zowel een voorwaarde voor eigen narcisme en eigenwaarde, als voor een reputatie van onweerstaanbare Casanova en onverzadigbare vrouwenverslinder bij de andere jongens en mannen van zijn referentiegroep. "The 'scoring' motif plays a major part in organizing a boy's sexual behavior. male bragging sessions about sexual conquests are very common cross-culturally [Freedman, 1979]. A man with a reputation for sexual prowess may intimidate rivals and capture the attention of women. If admiration for sexual success is respected everywhere among males, it may have an evolved basis" (Weisfeld, 1999).
Machtsmiddelen zijn eenvoudigweg de manieren waarop je dingen te pakken en voor elkaar krijgt, inclusief seksuele toegang en instant-bevrediging. Daarbij komt meestal nog een waarden- en normenpatroon dat vrouwen ziet als lustobject en mannelijk bezit. Vrouwen behoren, in deze wereldvisie, onderhorig, gehoorzaam en onderdanig te zijn, en te allen tijde bereid en gewillig om de man aan zijn gerief te helpen. In sommige kringen (van voornamelijk jonge mannen) is elke gewelddaad, inclusief verkrachting, een bouwsteen aan reputatie en status (Daly & Wilson, 1988; Felson, 1993; Archer, 1994; Pollard, 1994).
"Although this dual interpretation, of an immediate sexual motive with longer term implications for male status, is consistent with the majority of the evidence, there are still cases in which coercive sex may be used for the main or sole purpose of humiliating the victim. This is likely to be the case in some serial stranger rapes" (Archer, 1994).

Vreemdenverkrachting (stranger of predatory rape) en groepsverkrachting in oorlogssituaties

Bij verkrachting van oudere vrouwen en jonge meisjes lijken haat en agressie dus een grotere en lustgevoelens een kleinere rol te spelen dan bij verkrachting van vrouwen in de reproduktieve leeftijdscategorie...
Als vrouwen machteloos en onbeschermd zijn, er geen straf op verkrachting staat, het gevoel voor individuele verantwoordelijkheid voor het gedrag wordt onderdrukt (omdat mannen deel uit maken van een anonieme groep) en het medelijden met het slachtoffer sterk wordt verlaagd (omdat zij deel uitmaken van een vijandelijke groep), dan daalt de drempel voor verkrachting, waardoor zelfs de gemiddelde man dit gedrag gaat vertonen. In 1971 werden gedurende de negen maanden dat het Pakistaanse leger Bangladesh bezette naar schatting zo'n vierhonderdduizend vrouwen door de militairen verkracht. Het merendeel van de daders had waarschijnlijk nooit verkracht als ze niet toevallig deel uit hadden gemaakt van het bezettingsleger; thuis zullen ze zich heel anders hebben gedragen (Roele, 1996).

Groepsverkrachting is niet alleen kenmerkend voor de 'geciviliseerde' oorlog, het komt ook bij preïndustriële volken voor, hoewel het gebruikelijker is dat bij een verraderlijke overval iedereen, ongeacht geslacht of leeftijd, wordt uitgeroeid (Van der Dennen, 1995).
Een groep krijgers die een dorp overvalt bij de Yanomamö ontvoert soms een jonge vrouw als oorlogsbuit. Zij wordt door alle krijgers, soms meermalen, verkracht en daarna meegenomen naar het dorp van de krijgers, waar zij nogmaals door alle mannen wordt verkracht, en daarna aan een van hen gegeven als echtgenote (Chagnon, 1983, 1994; Wrangham & Peterson, 1996; Ghiglieri, 1999). Er is weinig twijfel dat bij verscheidene andere 'primitieve' volken de krijgers reproduktieve voordelen hebben gehaald uit de ontvoering en verkrachting van de vrouwen van 'de vijand' (Wright, 1994).

Tientallen auteurs hebben erop gewezen dat traditioneel verkrachting werd (en soms nog steeds wordt) beschouwd als een eigendomsmisdrijf, een misdaad die de ene man pleegt tegen het bezit of eigendom van een andere man (zoals we hebben gezien is in traditionele culturen een vrouw veelal bezit van haar echtgenoot of vader; verkrachting is in deze optiek niet zozeer geweld tegen het slachtoffer als wel aantasting van haar marktwaarde).
De (feministische) visie op verkrachting en de motieven van verkrachters - namelijk dat verkrachting niet seksueel gemotiveerd is maar voortkomt uit de behoefte vrouwen te degraderen, te vernederen, te 'bevuilen', en collectief te intimideren en terroriseren - is zo prominent en dominant aanwezig in de sociale wetenschappen, dat zelfs een resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties dit gezichtspunt integraal heeft overgenomen: "Rape is an abuse of power and control in which the rapist seeks to humiliate, shame, embarrass, degrade, and terrify the victim. The primary objective is to exercise power and control over another person" (geciteerd in Jones, 1999: 880; zie ook Fein, 1999). De massale verkrachtingen in oorlogssituaties (Bosnië, Ruanda, Bangladesh, Nanking, etc.), door de overwinnaars aan de vrouwen van de verliezers voltrokken, voldoen geheel aan dit verschrikkelijke beeld van opzettelijke vernedering, 'bevuiling', en zelfs sadisme (er wordt geürineerd op het slachtoffer, of borsten worden afgesneden, of de vrouw wordt gepenetreerd met een bajonet).

Groepsverkrachting in oorlogssituaties is al vanaf de oudste historische bronnen een van de 'regels van het spel' en een van de weinige 'geneugten' van het armetierige soldatenleven. Groepsverkrachting in oorlogssituaties wordt gekenmerkt door gratuit geweld, het terroriseren en demoraliseren van de 'vijand', de degradatie en vernedering van de slachtoffers, en soms zeer sadistische demonstraties van macht over de slachtoffers, en niet alleen over de slachtoffers maar, via de vrouwen, over de gehele overwonnen samenleving waarvan de mannen blijkbaar onmachtig waren om 'hun' vrouwen te beschermen; "the rape of the women in a community can be regarded as the symbolic rape of the body of this community" (Seifert, 1994, geciteerd in Fein, 1999).
Het is overwinningsroes, wellust, orgasme, extase, 'zoete' wraakzucht, vernederend geweld tegen vrouwen (en via hen, tegen hun vaders en echtgenoten en de hele overwonnen gemeenschap), plus de kans nog wat van hun genen rond te strooien, in één gigantisch, mannelijk 'pretpakket'.

Research on rape suggests that at least three motives can be important: (1) the desire to hurt of humiliate the victim; (2) the desire to demonstrate power over the victim; and (3) the desire to have sex. Usually, it is difficult to determine which of the three motives predominates in a particular rape. Even in wartime Bosnia, all three played a part. But desires to hurt, humiliate, or demonstrate power seem more central than sexual motives.
According to research on rape in other settings, when sexual motives are most important, rapists usually select attractive victims and use little gratuitous physical violence (Felson, 1993). In Bosnia, survivors of the rapes report that attractive girls were chosen most frequently, but many older and less attractive women were also raped. And there was much gratuitous violence and degradation. One Muslim woman, for example, reports the following ordeal: "I was raped with a gun by one of those men, along with another woman and her daughter, while the others watched. Some of them spat on us; they did so many ugly things to us... There was no passion in this, it was done only to destroy us... If they couldn't rape me, they would urinate on me" (Glenny, 1993: 209).
Even in this barbarous instance, however, one cannot rule out the possibility that perpetrators derived some perverse sexual pleasure from their crime...Most of the time, though, sexual motives were secondary, or tertiary. The Serb rapists sought to inflict humiliation and apparently reveled in their power. Their primary goal was not, as Brownmiller (1975) argues, to reinforce patriarchy, but rather to assert dominance of Serb over Croat and Muslim (Kressel, 1996).

De roemruchte Mongoolse legerleider Djengis Khan (of Djingiz Chan) zou ooit hebben opgemerkt dat het grootste geluk bestond uit het overwinnen en in de pan hakken van je vijanden, hun bezittingen te stelen, hun paarden te berijden, te genieten van hun ongeluk en wanhoop, en je te vergrijpen aan hun vrouwen en dochters.
(Groeps)verkrachting is altijd een integraal bestanddeel van oorlog geweest. Sinds de tijd van de Grieken, Romeinen, Vikingen en andere volken en culturen zijn er maar weinig veroveraars geweest die niet verkrachting als instrument van terreur hebben ingezet. Groepsverkrachting van de overwonnen vrouwen tijdens oorlog, evenals het uitroeien van de mannelijke bevolking, werd zelfs in het Oude Testament niet bepaald verboden. De overwinnaars van de Midianieten moordden alle mannen uit en lijfden de huwbare maagden in voor eigen seksuele en reproduktieve doeleinden (Batten, 1992).

Why do soldiers rape? Is it truly because, as Brownmiller claims, men are designed to hatefully grind women into the mud and to control them in a state of perpetual fear, and war offers men a good opportunity to do this? A closer look shows the issue to be far more complicated. During war, most combat troops are uncertain about surviving. Furthermore, most are young and have not yet sired children. Their prospects for fatherhood, therefore, are doubtful. Yet under these uncertain conditions, they are constantly meeting young, fertile, pretty, and unprotected women. Moreover, rape in war is rarely punished. And if a rape does produce children, the rapist invests neither energy nor resources in child support, because he is never sure the child is his. On top of all this, soldiers who are able to rape their enemies' wives and daughters have obviously won. Such rape is both a vindication of victory and a prize of that victory. In short, mass rape is a massive reproductive victory... What appears to be a crime of hate and control is actually a male strategy to steal a copulation no matter what the cost to the women. That rape is not unique to Homo sapiens supports the argument that men rape women for sex and not because they hate or wish to dominate women (Ghiglieri, 1999; cursief in origineel).

Minachting voor de slachtoffers van de verkrachtingen kan merkwaardigerwijze worden aangewend om de ontkenning van de verkrachtingen te motiveren. Jongman (1999: 67-8) schrijft over de minachting van de Serviërs voor de Kosovo Albanezen bijvoorbeeld: "Diverse politiemannen en militieleden hebben in Kosovo hun minachting voor de Kosovo Albanezen laten blijken. Zo verklaarde Rade Mihajlovic (pseudoniem) die deel uitmaakte van de SAJ, de Servische anti-terreurpolitie en diverse dorpen zuiverde, dat hij meer moeite had om een lam te slachten om op te eten dan het doden van Albanese territoristen. Zijn minachting bleek tevens uit zijn uitspreken over Albanese vrouwen. Hij kon zich niet voorstellen dat Serviërs zich schuldig gemaakt zouden hebben aan verkrachtingen van Albanese vrouwen omdat die zo lelijk zijn en stinken. Hij gaf aan een schaap in het veld te prefereren boven een Albanese vrouw. Ook Servische leiders maakten zich voortdurend schuldig aan minachtende opmerkingen over de Albanezen. Zo verklaarde Vojislav Seselj voor de Servische televisie dat alleen een blinde een Albanese vrouw zou kunnen aanraken, om daarmee de beschuldigingen van verkrachtingen door Serviërs te ontkennen".

Er zijn een aantal cross-cultural onderzoekingen naar verkrachting uitgevoerd (bijv. Broude & Green, 1976; Otterbein, 1979; Sanday, 1981; Rozée-Koker, 1987; Loy & Chick, 1993), maar geen enkele daarvan nam groepsverkrachting in beschouwing. De uitkomsten van deze onderzoeken ondersteunen de zogeheten cultural spillover theorie van seksueel geweld (Loy & Chick, 1993), namelijk dat in algemeen gewelddadige culturen, met bijv. fraternal interest groups en mannelijke suprematie, ook seksueel geweld en verkrachting frequenter zullen voorkomen. Deze auteurs beschouwen deze resultaten - ten onrechte - als ondersteuning van de populaire sociaal-wetenschappelijke opvatting van de culturele gedetermineerdheid van alle menselijke gedrag.


Discussie: hoe verkrachting te begrijpen?

Voor een evolutionist klinkt de bewering dat verkrachting niet seksueel gemotiveerd zou zijn, maar - integendeel - voornamelijk of zelfs uitsluitend een manier om vrouwen te vernederen en te intimideren, bijna als een absurdisme. Allereerst kun je je afvragen, en daar hoef je geen evolutionist voor te zijn, waarom de vernedering en intimidatie via een (omslachtige) seksuele omweg zou moeten gaan. Sterker nog, vernedering en intimidatie gaat beter en efficiënter met de broek aan dan uit.
De spraakverwarring tussen de aanhangers en tegenstanders van de 'mannelijke-samenzwering-tegen-vrouwen'-theorie zou goeddeels verdwijnen als we verschillende vormen en typen van verkrachting (of seksuele dwang in het algemeen) zouden onderscheiden. Allereerst een onderscheid tussen 'stranger rape' (ook wel 'predatory rape' genaamd) en 'acquaintance rape' of 'date rape' (relatie- of verkerings- of partnerverkrachting). Deze typologie betreft de context van de daad: verkrachting door de beruchte 'vreemdeling in de bosjes in het donker' of verkrachting door de partner tijdens of na een romantisch avondje uit.
Haaks daarop staat een andere classificatie: die van motieven - uiteenlopend van voornamelijk seksueel gemotiveerd, via 'zachte aandrang', tot zeer gewelddadige en zelfs sadistische motivatie. Groth en zijn medewerkers (bijv Groth, 1979, 1981; Groth & Birnbaum, 1979; Groth & Hobson, 1997) presenteren al jarenlang hun typologie van 'anger rape', 'power rape' en 'sadistic rape', maar helaas geven zij weinig ruimte aan de mogelijkheid dat de meeste verkrachtingen voornamelijk seksueel gemotiveerd zijn; integendeel, zij beschouwen iedere verkrachting als "a pseudosexual act which expresses issues of anger and power more than sexuality" (hoewel Groth (1979: 28) zelf aangeeft dat de 'power rapist' "may report that his behavior was prompted by a desire for sexual gratification"). Hun 'power rape' komt nog het dichtst bij de partnerverkrachting gezien de omschrijving: de dader "uses whatever force or threat is necessary to gain control of victim and overcome her resistance... Victim may be physically unharmed; bodily injury would be inadvertent rather than intentional" (dit in tegenstelling tot 'anger rape' en 'sadistic rape' waarbij meer dwang en geweld wordt toegepast dan 'strikt' noodzakelijk). Impliciet geeft deze omschrijving meer ruimte aan seksuele motivatie. Ghiglieri (1999) geeft de volgende redenen voor de, op z'n minst merkwaardige, redenatie van Groth:

Professor Nicholas Groth claims, for example, that because rapists' "efforts to negotiate the sexual encounter or to determine the woman's receptiveness to a sexual approach are noticeably absent, as are any attempts at lovemaking or foreplay", they were not, despite their statements to the contrary, interested in sex. Groth justifies this bizarre thinking with his special definition of 'sexual motivation' (as many social scientists define it) as only honest courtship and pair-bonding in which men feel tenderness, affection and joy. (Remember, however, that the research by Heilbrun and Loftus revealed that most men are turned on instead, in a purely sexual way, by damsels in real distress.) Because rapists feel none of these tender emotions, insists Groth, by definition rape must be an aggressive quest for power and control, not sex. Rape, he contends, cannot be aimed at something so simple as sex (Ghiglieri, 1999).

Het overgrote merendeel van de verkrachtingen speelt zich af in de context van de versiertoer en de vrijage: 'date rape' (bijv. Ellis, 1989; Pollard, 1994), en ze kunnen beter worden begrepen als uit de hand gelopen handtastelijkheid - pogingen om tot seksuele intimiteit, of klunzige copulatie, te komen na een avondje samen stappen (meestal samenhangend met beider alcohol consumptie). Dit kan gezien worden in een vergelijkend-fylogenetische kader van het universele conflict tussen mannelijke en vrouwelijke organismen als een conflict omtrent het tijdstip van de paring (waarbij de een wil waar de ander nog niet aan toe is, en waarbij de een denkt met enige overredingskracht zijn zin alsnog te krijgen).
Dit neemt natuurlijk niet weg dat 'echte mannen' en 'stoere binken', (de macho's kortom) vergeven zijn van stereotype ideeën en vooroordelen over vrouwen en verkrachting zoals "ze vragen er toch zelf om" en "als een vrouw 'nee' zegt bedoelt ze 'misschien'". Dergelijke ideeën behoren tot het standaardrepertoire van wat bekend staat als kulturele 'verkrachtingsmythen' (rape myths). Maar dergelijke ideeën kunnen beter worden beschouwd als faciliterende (vergemakkelijkende of meewerkende) dan als causatieve factoren. Ellis (1989) heeft er overigens op gewezen dat sommige 'verkrachtingsmythen' helemaal geen mythen zijn (zie boven).

In zijn boek Power, Crime and Mystification (1983) onderscheidt Steve Box vijf verschillende categorieën relationship rape, waaronder de onderhand bekende seduction turned rape en exploitation rape. Volgens Box is het de maatschappij in het algemeen die mannen voorbereidt op hun carrière als potentiële verkrachters en die hen een hele cultural library of excuses aanreikt om dat gedrag te rechtvaardigen (Goodwin, 1994). Dit lijkt echter nogal overdreven gezien het feit dat het overgrote merendeel van de mannen nooit van hun leven een seksueel delict pleegt of zal plegen.

Volgens de Nederlandse seksuoloog Frenken recidiveert een op de drie vrouwenverkrachters. Daan van Beek, psychotherapeut bij de Dr. Henri van der Hoeven Kliniek in Utrecht waar veel zware zedendelinquenten zijn opgenomen, onderscheidt binnen deze groep drie typen van daders:

Het eerste type is zeer egocentrisch en antisociaal. Zulke mannen nemen wat ze willen en zijn heel impulsief. Vaak hebben ze een lange carrière in de criminaliteit achter de rug en zijn ze gewelddadig. Het leven is een jungle, en zij zijn de roofdieren. Heel moeilijk te behandelen, veel recidive."
Het tweede type is wraakzuchtig. "Vaak gaat het om afhankelijke mannen die in hun relaties vastlopen. Alcoholproblemen komen veelvuldig voor. Dikwijls plegen ze zeer agressieve seksuele delicten bij dreigende of feitelijke verlating. De Assense moordenaar S. lijkt daarvan een prototype. Deze mensen zijn meestal minder persoonlijkheidsgestoord dan de andere typen, maar behoeven wel uitdrukkelijk behandeling."
Een derde type is van de seksualiserende delinquent. "Hier gaat het om mensen met een erg negatief zelfbeeld. Veel gepest in hun jeugd, de houding van een loser, sociaal onhandig en daardoor in een isolement geraakt, vereenzaamd. Zij creëren een compenserende werkelijkheid in hun fantasie. Seksuele contacten vermijden ze, want ze verwachten een afwijzing, omdat ze zichzelf ook niet de moeite waard vinden. Maar ze verlangen wel naar intimiteit en zo schakelen ze geleidelijk aan van fantaseren over naar proberen. Daarbij legitimeren ze zichzelf door hun zelfmedelijden: 'Een gewoon contact met een vrouw is voor mij toch niet weggelegd.' Dat eindigt nogal eens in verkrachting. Een groep met een hoge kans op recidive (geciteerd in Dings, 1999: 32).

Deze typologie van seksuele roofdieren, wraakzuchtige verkrachters en seksualiserende delinquenten komt aardig overeen met andere typologieën van verkrachters zoals geïnventariseerd door Van der Dennen (1992). Het bekendst is waarschijnlijk de power rape, anger rape en sadistic rape typologie van Groth en medewerkers, en Cohen et al. (1971), maar er zijn ook genuanceerder en gedifferentieerder typologieën, zoals die van Gebhard et al. (1965) en Prentky, Burgess & Carter (1986).
Gebhard et al. (1965) presenteren de volgende (mijns inziens meest complete) classificatie van wat zij noemen 'convicted heterosexual aggressors versus adults' (d.w.z. veroordeelde seksueel gewelddadige delinquenten in het algemeen):

1. The Assaultive Variety (about one third of the sample), in which behavior includes unnecessary violence, and in which there is a strong sadistic element.
2. The Amoral Delinquent, not hostile toward females, but looking upon them solely as sexual objects whose role in life is to provide sexual pleasure.
3. The Drunken Variety, ranging from uncoordinated grapplings and pawings which he construes as efforts at seduction, to hostile and truly vicious behaviour released by intoxication.
4. The Explosive Variety, whose aggression appears suddenly and, at the time, inexplicably. The stereotype of this variety is the mild, straight-A high school student who suddenly rapes and kills.
5. The Double-standard Variety, who divide females into good females whom one treats with some respect, and bad females who are not entitled to consideration if they become obstinate. They feel that threat or force is justifiable when applied to females judged to be sexually lax or promiscuous. There are strong philosophical parallels with the Latin American 'machismo' phenomenon.
6. Mental Defectives.
7. Psychotics.

Mannelijke seksuele vanzelfsprekendheid

Gordon & Donat (1992; cf. Goodwin, 1994) beweren dat het sterke ethos van de sociale reciprociteit ('voor wat hoort wat') in de U.S.A. mannen ertoe kan brengen dat zij verwachten dat de vrouw in natura (d.w.z. met seks) dient terug te betalen als de mannen aan hun (meestal financiële) verplichtingen hebben voldaan. Als zij niet aan die verwachting voldoet voelt de man zich gerechtvaardigd als hij neemt wat hem toekomt.
Het enige geschilpunt dat ik met deze uitspraak heb is dat deze mannelijke mentaliteit niet beperkt is tot de U.S.A. en andere 'individualistische' samenlevingen, maar een integraal bestanddeel is van de mannelijke psyche.

Er zijn, ook volgens veel psychologen die niet 'evolutionair-geïnformeerd' zijn, waarschijnlijk verscheidene redenen waarom de hofmakerij en de prille verkering een hoog risico van seksuele agressie met zich meebrengen. Mannen worden bijvoorbeeld gesocialiseerd om tijdens een afspraakje seksueel assertief te zijn en vrouwen om daartegen weerstand te bieden, maar tegelijkertijd is weerstand bieden moeilijk omdat ze tevens worden verondersteld niet-agressief te zijn. Lewin (1985) en vele andere sociaal-psychologen geven de schuld aan de "ideologie van de mannelijke suprematie" die bij hofmakerij tot verkrachting en seksueel geweld zou aanzetten: "until the ideology of male supremacy is overcome and sex is no longer played as a game that he wins and she loses, the rate of unwanted intercourse will continue to be high".
Geen van hen heeft zich blijkbaar ooit afgevraagd waar deze ideologie van mannelijke suprematie dan vandaan is gekomen en waarom die zo universeel is, en elke generatie weer opnieuw de kop opsteekt.

Hamilton & Yee (1990) vonden experimenteel dat de neiging tot seksueel geweld omgekeerd evenredig was met de perceptie van beschadiging van het slachtoffer. In deze studie waren mannen die zich de traumatische effekten van verkrachting en de verschrikkelijke ervaringen van het slachtoffer meer realiseerden veel minder geneigd seksueel geweld toe te passen. De auteurs wezen erop dat deze bevinding haaks staat op de opvatting dat verkrachting voornamelijk agressief gemotiveerd zou zijn. Zij argumenteerden dat: "If rape is to be conceptualized as a form of hostile aggression - if, that is, the motivation for rape is anger or hostility towards women - then realizing that victimized women truly suffer should increase the likelihood of performing the act. If, however, rape is instrumental aggression then realization of victim suffering should decrease rape propensity" (1990).
Ook Thornhill & Palmer (2000: 76-77) hebben de literatuur over de mogelijke relatie tussen geweldsafbeelding en seksuele opwinding als volgt samengevat:

Some evidence that men's sexual arousal is enhanced by physical control of an unwilling woman has been obtained from laboratory experiments in which men's sexual arousal is measured as they view video depictions of consensual sex involving physically restrained women and of rape involving physically restrained women (Thornhill and Thornhill 1992b). This is not to say that men are sexually aroused by violence per se. They aren't (Thornhill and Thornhill 1992a; Lohr et al. 1997; Quinsey et al. 1984). Nor is it to say that the motivation to dominate and brutalize the victim is paramount, or even necessary, in rape causation. Rapists rarely engage in gratuitous violence, defined as expending energy beyond what is required to subdue or control the victim...
But the older literature as well as more recent literature on non-incarcerated men's arousal during exposure to rape depictions indicated that many normal men (college students and community volunteers) are significantly sexually aroused by depictions of coercive sex, including depictions of involving physically aggression (Thornhill and Thornhill 1992a,b; Lohr et al. 1997; Proulx et al. 1994). However, men who report a history of sexual coercion show less inhibition in arousal during exposure to forceful depictions than men who do not report such a history (Lohr et al. 1997). Also, as is indicated by some of the laboratory studies reviewed by Thornhill and Thornhill (1992a) and by some more recent research (Malamuth and Linz, 1993; Lohr et al. 1997), many men's penile arousal during exposure to depictions of rape is reduced by gratuitous violence toward the victim, by signals of the victim's pain and humiliation, and by the risk to the male of detection of his arousal by coercive stimuli... (Thornhill & Palmer, 2000: 76-77).

Onderzoek heeft tevens uitgewezen dat seksuele delinquenten geen grotere consumenten van pornografie zijn, of van meer extreme porno, of dat ze er vroeger mee begonnen dan controlegroepen (Hutchison, 1992; Van der Dennen, 1992). De kreet "Porno is de theorie, en verkrachting de praktijk" is dan ook, niet verwonderlijk, langzamerhand geleidelijk 'uitgestorven'.

[M]any proponents of the social science theory of rape (e.g., Denmark and Friedman 1985; Stock 1991) hold that one specific way in which males in some cultures are taught to rape is through the viewing of violent pornography, which inspires imitative behavior. The social scientists pushing this notion, however, cannot explain why the human brain is purportedly structured so as to respond in this specific way to the specific environmental stimulus of violent pornography. Why, for example, should males seek out and imitate violent pornography but not other human activities depicted in videos? There is no consideration of the ultimate basis for the asserted proximate explanation, no sound theoretical foundation for it. Aside from the obvious fact that violent pornography cannot account for the historical and cross-cultural (indeed cross- species) occurrence of rape, such an arbitrary environmental explanation is refuted by everything we know about biases in human development, perception, cognition, emotions, and motivation... Consequently, although the viewing of violent pornography may figure in the proximate causation of the raping behavior of some men, this view is severely limited in its ability to predict anything useful about rape or related behaviors (Thornhill & Palmer, 2000: 170-71).

Verkrachting als intimidatie van alle vrouwen door alle mannen

Hoewel verkrachters (althans in de Westerse wereld) zwaar worden gestraft (als ze al worden aangehouden), komt verkrachting in alle tot nu toe bestudeerde culturen voor (Palmer, 1989). In haar beroemde, en nog steeds invloedrijke, boek Against Our Will betoogt Susan Brownmiller dat verkrachters handelen als 'vertegenwoordigers' van alle mannen met de bedoeling om alle vrouwen angst aan te jagen en hen zo collectief te intimideren, te terroriseren en 'op hun plaats te houden'. Als deze hypothese hout zou snijden, zouden we kunnen verwachten dat verkrachters het voornamelijk zouden hebben voorzien op rijpe, dominante, welgestelde of anderszins succesvolle vrouwen (of jongere vrouwen met dergelijke aspiraties). Maar de predictie komt niet uit: de meeste verkrachtingsslachtoffers zijn jonge, aantrekkelijke, meisjes en vrouwen voornamelijk uit de lagere socio-economische strata (Thornhill & Thornhill, 1983; Alcock, 1998). De collectieve-intimidatiehypothese kan derhalve worden verworpen.
Het idee dat verkrachting voornamelijk een seksuele functie vervult is door sommige militante feministes (bijv. Fausto-Sterling, 1985) verontwaardigd afgewezen als verontschuldiging van de daders, maar zoals elke hypothese probeert de evolutionaire hypothese alleen te verklaren en niet te verontschuldigen. Maar zelfs als verkrachters alleen maar zouden handelen op grond van vrouwenhaat en de behoefte vrouwen te vernederen is, zoals Alcock (1998) betoogt, een dergelijke proximate verklaring geen alternatief voor de ultimate hypothese dat verkrachting evolutionaire gevolgen heeft: verkrachting resulteert namelijk in zwangerschap ongeveer even vaak als, of wellicht zelfs vaker dan, een normale consented coïtus (Ellis, 1989; Palmer, 1991; van der Dennen, 1992; Alcock, 1998).

Paradoxaal - en 'pervers' - genoeg is mannelijke ouderlijke investering een factor die - fylogenetisch - verkrachting bevordert omdat in een dergelijke situatie de verkrachter reproduktief succes kan behalen zonder de hoge investeringskosten te betalen. Verkrachting kan in deze context worden gezien als parasitaire strategie.

Verkrachting en de Judeo-christelijke patriarchale traditie

Er zijn een aantal varianten in omloop van de (feministische) theorie die verkrachting en andere vormen van seksueel geweld beschouwt als een produkt van de ('fallocentrische' of 'fallocratische') Westerse cultuur, en meer in het bijzonder een 'uitvinding' van de Judeo-christelijke patriarchale traditie. Maar dat is te veel eer: Westerse mannen hebben noch verkrachting, noch oorlog, noch patriarchie 'uitgevonden' (Wrangham & Peterson, 1996). In 1937 verkrachtte het Japanse leger 20.000 vrouwen in de Chinese stad Nanking. In 1971 verkrachtte het leger van Pakistan tussen de 200.000 en 400.000 Bengali vrouwen (Brownmiller, 1975). Gil & Anderson (1999) 'verklaren' zelfs verkrachting in het huidige China uit een patriarchale en fallocentrische Chinese cultuur.
Ook seksuele mutilatie, zoals clitoridectomie en 'faraonische besnijdenis', van vrouwen is bepaald geen Westerse uitvinding. Deze praktijken (die jaarlijks ongeveer twee miljoen meisjes en vrouwen treffen) worden nog steeds voornamelijk in een groot aantal Afrikaanse islamitische landen uitgeoefend.

Despite the admirable intentions of those who believe that patriarchy is solely a cultural invention, there is too much contrary evidence. Patriarchy is worldwide and history-wide, and its origins are detectable in the social lives of chimpanzees. It serves the reproductive purposes of the men who maintain the system. Patriarchy comes from biology in the sense that it emerges from men's temperaments, out of their evolutionarily derived efforts to control women and at the same time have solidarity with fellow men in competition against outsiders. But evolutionary forces have surely shaped women, too, in minds as in bodies, in ways that both defy and contribute to the patriarchal system. If all women followed Lysistrata's injunctions and refused their husbands, they could indeed effect change. But they don't. Patriarchy has its ultimate origins in male violence, but it doesn't come from man alone, and it has its sources in the evolutionary interests of both sexes (Wrangham & Peterson, 1996).

'Und bist du nicht willig...'

Evolutietheorie suggereert dat elk gedrag dat regelmatig of consistent voorkomt, zoals verkrachting bij de orang-oetan, een logica bezit die in de dynamiek van de natuurlijke selectie is ingebed. Eén mogelijk, simpel en direct antwoord op de vraag hoe verkrachting kan bijdragen aan RS is: de verkrachter kan zijn slachtoffer zwanger maken. Verkrachting kan een manier zijn voor sommige mannen om een bevruchting tot stand te brengen, zonder verdere biologische betekenis (Wrangham & Peterson, 1996). Een tweede antwoord is gesuggereerd door Symons (1979): verkrachting zou een bijprodukt kunnen zijn van de 'mannelijke psyche', waarbij macht, kracht en geweld gemakkelijk samengaan met mannelijk hyperseksualiteit (seksuele opwindbaarheid en geilheid).
Een derde antwoord zou de 'seksuele dwang' hypothese van Smuts & Smuts (1993) kunnen zijn. Volgens deze gedachtengang kan verkrachting een middel zijn om vrouwen te beheersen en controleren, niet om hier en nu te bevruchten maar om in de naaste toekomst een bevruchting to stand te brengen. Hier zien we een uiterst merkwaardig rapprochement van evolutiebiologische en feministische argumentatie. Maar helaas deugt deze theorie niet, zoals Thornhill & Palmer (2000: 58-59) betogen:

Another ultimate possibility is that "rape may be an evolved male mechanism whose primary aim is not fertilization in the present, but control - for the ultimate purpose of fertilization in the future" (Wrangham and Peterson 1996, p. 141). Suggested as an explanation of rape in non-human primates (Rijksen 1978; Smuts and Smuts 1993) and in birds (Gowaty and Buschhaus 1998), this theory proposes that the establishment of dominance through demonstration of the male's ability to physically control the female could eventually lead to greater reproductive succes for some or all males through various effects on female behavior. For example, it could force females to trade sexual access to otherwise unchosen males for protection from raping males (Gowaty and Buschhaus 1998). Or it could cause females to acquiescence to future mating attempts by undesired males because the female has learned she cannot prevent a rape and hence has nothing to gain by resisting.
The preceding explanation has a serious theoretical weakness that may make it inapplicable to any species: If demonstration of a male's ability to physically control the female has the proposed effect on the female's behavior, why do the males commit rape instead of just non-sexual aggression? This explanation, when applied to birds, really isn't an explanation of rape at all; it is only an explanation of male aggression, because it is the demonstration of aggression that is claimed to influence the behavior of females in a way that leads to future sexual access... The dominance explanation of rape is based on evidence of one possible effect of rape in some species (a change in the behavior of females), but it not supported by any evidence of rape's being functionally designed to have such an effect. (cursief in origineel).

Seksuele dwang kan ook als verklaring dienen voor vrouwenmishandeling zowel bij mensen (universeel) als bij chimpansees. Zoals Jane Goodall (1986) opmerkte: "Almost always, unless he is crippled or very old, an adult male can coerce an unwilling female into copulating with him". Dwang, zo nodig aangevuld met 'doelrationeel' of 'instrumenteel' geweld, werkt blijkbaar - en dat is een trieste vaststelling.
"Though far from being politically correct, sexual selection favors the genes of male who sire more offspring no matter how they have done it" (Ghiglieri, 1999: 11). Ghiglieri onderscheidt hierbij de 'pretty male strategy' en de 'macho male strategy'.

Het competent gebruik van gewelddadige vaardigheden draagt in veel preïndustriële samenlevingen zowel als contemporaine (sub)culturen bij tot de reputatie nodig om status en macht te verwerven, en tot het reproduktief succes van mannen, zoals Daly & Wilson (bijv. 1994) betogen. Zowel succesvolle krijgers als jagers kunnen bij preïndustriële volken hun maatschappelijk succes vrij direct in seksueel, maritaal en reproduktief succes converteren; zij zijn gewild als minnaar en echtgenoot. Macht erotiseert klaarblijkelijk.

In most social milieus, a man's reputation depends in part upon the maintenance of a credible threat of violence... Having killed is a decided social asset in many, perhaps most, prestate societies. The classic examples are such practices as head-hunting and coup-counting, customs whereby a young man might attain full adult status only by notching his first kill, and experienced killers might add to their honors by running up the list of their victims. Such practices are known from warring tribal societies in all parts of the world... In some societies, willingness to spill blood is virtually synonymous with honor (Daly & Wilson, 1988).

"Verkrachting heeft niets met seks te maken"

Het is moeilijk de verbreidheid en de macht van het dogma dat "verkraching niets met seks(uele motivatie) te maken heeft" te overschatten. Sinds Brownmiller (1975) wordt het kritiekloos als een heilige mantra herhaald door feministes en politiek-correcte sociale wetenschappers (zie bijv. de verzameling citaten verzameld door Thornhill & Palmer, 2000: 124-8). Maar het kan nog bonter: voor een groep die zich radicale feministes noemt staat elke heteroseksuele vrijpartij - of zelfs maar de ouverture hiertoe - zo ongeveer gelijk aan een gewelddadige aanranding.

It is also not clear that even the relatively few feminists who appear to disagree with the "not sex" explanation really do so. A minority of feminists, many known as "radical feminists," appear to have disagreed with the assertion that rapists are not sexually motivated. (See e.g. MacKinnon... Dworkin...). However, these social constructionists assert that "male power creates the reality of the world" (MacKinnon 1989, p. 125) and that "sex is a social construct of sexism" (ibid., p. 140). That is, "sex is constructed... specifically to be male dominance" (Dworkin 1990, p. 138). In view of this particular social construction, "sexuality... is a form of power" (MacKinnon 1989, p. 113), and "violence is sex" (ibid, p. 134). That is, these writers assert that rape is a sexual act, but only "in a culture where sexuality is itself a form of power" (Caputi 1993, p. 7). How literally is the assertion that sex, violence, and power are all the same thing taken by these feminists? Very. For example, MacKinnon (1989, p. 178) states that "a feminist analysis would suggest that assault by a man's fist is not so different from assault by a penis, not because both are violent but because both are sexual." Hence, far from opposing the view that violence and power are the goals of rapists, these authors are actually arguing that power and violence not only are the goals of males engaged in rape; they are also the goals of males engaged in other forms of sex. Instead of really arguing that Brownmiller was wrong about rape, the position of these radical feminists "in effect extends Brownmiller's definition of rape to the sex act itself" (Podhoretz 1991, p. 31). Although the statements of these writers appear to differ from the "not sex" explanation when they are taken out of the context of the social constructionist argument, within that context they actually share the fundamental assumption that rapists are motivated by desire for violence and power - which, according to their theory, just happen to be the same thing as sex...
Concerns about the practical consequences of explanations also appear to be behind the rejection of the "rape as violence" position in favor of the "rape as sexualized violence" put forth by radical feminists. "Radical feminists," notes Torrey (1995, p. 44), "assert that it is a mistake to characterize rape as violence rather than sexualized violence. As a practical matter, prosecuting rapes that may lack physical violence, such as date and marital rape, is more difficult under a characterization of rape as simply violence" (Thornhill & Palmer, 2000: 126-127, 150).

De beruchte drie p's: prostitutie, pornografie, en parafilieën (perversies)

Seksuele parafilieën ('perversies'), inclusief lustmoord (bijv. Stoller, 1975; Glasser, 1996; Meloy, 2000) zijn vrijwel geheel aan mannelijke individuen voorbehouden. Er bestaat hierover een uitgebreide, voornamelijk psychoanalytisch-georiënteerde literatuur waarop ik hier niet nader zal ingaan. Hetzelfde geldt voor het verschijnsel prostitutie dat eveneens vrijwel geheel ten behoeve van de mannelijke clientèle, door de grote discrepantie van vraag (naar seks) en aanbod, floreert. Commerciële aanbieders zijn over de hele wereld vrouwen zowel als (homoseksuele) mannen, maar de 'afnemers' zijn vrijwel uitsluitend mannen (Symons, 1979).

Pornotopia

Welke vrouwelijke eigenschappen en attributen winden mannen op? In een vorige Psychoskoop (10, 4/5, 1999) zijn een aantal hiervan besproken. In een prachtige persiflage somt Miele (1996) ze nog eens op: "Gentlemen prefer young, nubile women, with lips like rubies, eyes like limpid pools, skin like silk, breasts like a milch cow, and legs like a race horse. According to evolutionary theory, this is not the result of either Hollywood or Madison Avenue, but because all of these features have served as cues to a female's health, reproductive potential and sexual availability over the course of human evolutionary history".
De evolutie heeft in elke 'echte en authentieke' man een verlangen ingebouwd naar het seksuele paradijs, het fantasieland 'Pornotopia', waar "sex is sheer lust and physical gratification, devoid of more tender feelings and encumbering relationships, in which women are always aroused, or at least easily arousable, and ultimately are always willing" (Symons, 1979). De kosmetica-, mode- en pornografie-industrie zijn evenzovele pogingen om Pornotopia op aarde te realiseren.
In Pornotopia heerst niet zozeer een fallocratische vrouwvijandigheid - zoals bepaalde feministes ons willen laten geloven - als wel een onrealistische, naar het puberale neigende, mannelijke wensfantasie van de vrouwelijke seksualiteit: in Pornotopia zijn alle vrouwen altijd permanent beschikbaar, altijd gewillig en paringsbereid - soms na een korte, symbolische, tegenstand -, altijd hitsig en geil, en altijd, liefst zeer luidruchtig, orgasmisch. Pornotopia is bedoeld voor mannelijke consumptie en het weerspiegelt derhalve de mannelijke seksuele fantasie: de seksuele utopie, en behalve in zeer specialistische sadomasochistische porno voor een beperkte groep liefhebbers van het genre, speelt geweld daarbij geen bijzondere rol.
Giesen (1999) schreef onlangs in de Volkrant naar aanleiding van Joost Zwagerman's lezing 'Pornotheek Arcadië' over de utopische wereld van de adult movie: "De pornowereld is lelijker, maar ook beter. Er is geen angst en geweld, geen weerzin en jaloezie, geen achterdocht en minachting, geen verraad. Ook geen heftig, romantisch verlangen. Het is een plotloos universum waar alleen de feestelijke uitruil van begeerte bestaat", aldus Zwagerman. 'Pornotopia' wordt louter bevolkt door 'saters en sloeries', willige vrouwen en optimaal presterende mannen die elkaar moeiteloos vinden in 'libidineuze blijheid'.
Bovenstaande voorbeelden kunnen het beste worden opgevat als bijprodukten van de mannelijke psyche en schier onverzadigbare libido:

[M]any human behaviors other than rape clearly are by-products of the intense sexual desires of human males and the sexual choosiness of human females: Sexual abuse of children can be seen as an example of males attempting to gain sexual access to individuals who, because of their age, are relatively unable to control sexual access. Bestiality is a means of experiencing sexual stimulation somewhat like that experienced in intercourse with a human female without having to be chosen by one. Frottage (rubbing a woman's body through her clothing, usually in crowded quarters such as an elevator) and genital exhibitionism give sexual stimulation to male perpetrators by circumventing female choice. Masturbation - far more common among males than among females - is the most widespread male behavior that can be seen as a means of obtaining sexual stimulation without being chosen by a human female as a sexual partner. Although all these acts are examples of males' attempting to gain sexual gratification without meeting the criteria of an adult human female's mate choice, none of them are likely to be adaptations. They are apparently all merely by-products of the adaptations governing male sexual desires (Thornhill & Palmer, 2000: 60).