Oorlogsoorzaken: Slot


Door: Johan M.G. van der Dennen

Op verzoek van vele geïnteresseerden in de problematiek van oorlog en vrede, zal ik de serie over 'Theorieën van oorlogsoorzaken', die in de laatste nummers van de NVMP/AVV Nieuwsbrief is verschenen, afsluiten met een overzicht van de ontwikkelingen die zich de laatste tien jaar hebben voorgedaan op het gebied van "de oorzaken van oorlog en de voorwaarden voor vrede", zoals Prof. Röling het gaarne uitdrukte. Ik zal in het kort de ontwikkelingen bespreken met betrekking tot de (culturele of evolutionaire) oorsprong van oorlog; het onderzoek naar de oorzaken en correlaten van de 'primitieve' oorlog (d.w.z. in niet-statelijke; voorstatelijke, preïndustriële, egalitaire, anencefale, of 'traditionele' samenlevingen) zowel als de contemporaine oorlog en genocide; en tenslotte het onderzoek naar de condities van vrede bij 'primitieve' volken en contemporaine religieuze groeperingen.

De contemporaine oorlog
De voornaamste (kwantitatieve) studies van de contemporaine oorlog zijn Vasquez (1993), Rummel (1997), Geller & Singer (1998) en Vasquez & Henehan (1999). In deze studies blijkt het belang van (1) territorialiteit/contiguïteit, (2) het aantal etnische en religieuze groepen, en (3) de oververtegenwoordiging van jonge mannen in een populatie (Mesquida & Wiener, 1996), als polemogene factoren (en mogelijk democratie als tegengestelde factor) (uitgebreid overzicht in van der Dennen [1999]). Vooral Vasquez en Vasquez & Henehan hebben de territoriale factor in de contemporaine polemogenese benadrukt en geanalyseerd. Territoriale contiguïteit en grenskonflikten tussen buurstaten lijken vrijwel universele en persistente onderliggende oorzaken van de contemporaine tussenstatelijke oorlog, gedurende tenminste de laatste vier à vijf eeuwen (Luard, 1986; Vasquez, 1993, 1995). Grenskonflikten hebben ook een veel grotere kans in oorlog uit te monden dan andersoortige konflikten.
De vraag is alleen waarom staten zo gemakkelijk en snel bereid zijn territoriale kwesties te militariseren, te escaleren, en daadwerkelijk gewelddadig 'op te lossen'. Vasquez & Henehan noemen een aantal redenen, zoals (1) de intrinsieke waarde van een grondgebied in termen van voedsel- of watervoorziening, delfstoffen of andere natuurlijke hulpbronnen; (2) de strategische waarde van een grondgebied in termen van nationale veiligheid; (3) etniciteit en territoriale aanspraken in termen van de symbolische en historische waarde van een grondgebied (denk bijv. aan Kosovo voor de Serviërs).
Mesquida & Wiener (1996) voerden onlangs aan dat collectief geweld (opstand, rellen, oorlog tussen staten, burgeroorlog, 'ethnic cleansing', genocide) kan worden beschouwd als een poging van jonge mannen om anderszins onbereikbare hulpbronnen te verkrijgen. Geweld überhaupt (huiselijk, crimineel, politiek) lijkt overal ter wereld een monopolie van (coalities van), voornamelijk jonge, mannen.
Van der Dennen (1995) betoogde dat preïndustriële samenlevingen alleen in vrede kunnen leven wanneer ze in staat zijn het externe probleem "met rust te worden gelaten" door andere samenlevingen weten op te lossen, én het interne probleem hoe de jonge, "dappere krijgers" in de hand te houden (vooral urgent in samenlevingen waar oorlogshandelingen - bijv. koppensnellen - worden beloond met status, prestige, en/of toegang tot vrouwen - en daardoor tot differentieel reproduktief succes).
Mesquida & Wiener onderzochten de invloed die verschillende leeftijdscohorten in de bevolkingspyramide hebben op de ontwikkeling van geweldsconflicten. Volgens deze studie kan de leeftijdsamenstelling van de (jonge) mannelijke bevolking dus worden beschouwd als de kritische ecologisch/demografische factor in de oorlogsgenese.
Uit eerder onderzoek in de jaren zestig en zeventig door o.a. Rummel bleek dat ook de heterogeniteit in samenstelling van een bevolking consistent verband houdt met de frequentie van oorlog, militaire acties en het aantal slachtoffers van buitenlands conflict. Landen met veel verschillende etnische groeperingen, taalgemeenschappen, nationaliteiten en religieuze en raciale groeperingen begeven zich vaker in oorlog dan homogene staatsvormen.
Rummel (1997c), tenslotte, vindt dat twee eenvoudige maten, het aantal etnische groeperingen en het aantal religieuze groeperingen van een staat, verband houden met collectief geweld: hoe meer groeperingen hoe meer geweld.
Enkele resultaten van macrokwantitatief onderzoek kunnen als robuust worden beschouwd; alles bijeen genomen ziet het ernaar uit dat we een aantal tamelijk eenvoudige indices voor collectief geweld op het spoor zijn: territoriale contiguïteit, het aantal etnische en religieuze groeperingen, en de cohorten jonge mannen in de bevolkingspyramide (hoewel deze studie nog niet is gerepliceerd).
Ook macht, vooral totalitaire macht, is consistent in verband gebracht met oorlogsvoering en met andere vormen van collectief geweld zoals democide en genocide (Rummel, 1979 et seq.). Zoals Rummel's favoriete uitdrukking luidt: "Power kills, absolute power kills absolutely". Hij wijst op de statelijke 'megamoordenaars' van de twintigste eeuw, zoals Rusland onder Stalin, China onder Mao, Duitsland onder Hitler, en Cambodja onder Pol Pot - om slechts enkele totalitaire massamoordende regimes te noemen. Volgens zeer conservatieve schattingen zijn minstens 170 miljoen mensen hiervan slachtoffer geworden.
Democratie, daarentegen, lijkt een belangrijke vredesfactor te vormen (oorlog tussen democratische dyades komt niet tot nauwelijks meer voor), hoewel er druk wordt gespeculeerd wat daarvan de precieze oorzaak is (van afgenomen en afnemende 'sneuvelbereidheid' tot economische interdependentie).
Het empirisch onderzoek toont ook aan dat er niet één afzonderlijke factor is die oorlog onvermijdelijk maakt. Zoals David Singer graag opmerkt: "Er zijn vele afritten langs de weg die naar oorlog leidt".

Genocide en massamoorden
Wat betreft genocide en massacres zijn van eminent belang de kwantitatieve studies van Rummel (bijv. 1995, 1997), en de sociaal-psychologische studies en overzichten van Staub (bijv. 1996) en Baumeister (1996) (samengevat in van der Dennen, 1999). Hieruit blijkt de rol van dehumanisatie (ontmenselijking), culturele 'pseudospeciatie', en andere psychische 'distancing devices' (psychische afstandscheppende mechanismen) in de verklaring van genocide, massacres, 'war atrocities', 'gross human rights violations', en etnische konflikten. Voor deze laatste categorie is ook Vanhanen (1999) van belang. Vanhanen analyseerde etnische konflikten als konflikten tussen uitgebreide (en hogelijk nepotistische) verwantengroepen of 'superfamilies', en vond - evenals Rummel en andere onderzoekers - een robuuste correlatie tussen het aantal etnische groepen en verscheidene konfliktindices.

De oorsprong van oorlog
Voor de studie van de oorsprong van oorlog en oorlogsgedrag bij 'primitieve' volken zijn de laatste tien jaar van groot belang de publikaties van de 'conventionele' antropologen Otterbein (1993) en Ferguson (1990 et seq.), de paleo-antropologen Keeley (1996) en Gat (1999), en de evolutionaire primatologen en psychologen, en (bio)antropologen zoals Low (1993), Tooby & Cosmides (1994), van der Dennen (1995), Ghiglieri (1999), en Wrangham (1999; zie ook Wrangham & Peterson, 1996). Vooral Wrangham's en van der Dennen's comparatieve (vergelijking met intergroepsagressie bij andere sociale [zoog]dieren) en evolutionaire benadering van de onderliggende mechanismen van oorlogsgedrag (als resultante van natuurlijke selectie, verwantenselectie en seksuele selectie) zijn betrekkelijk 'nieuw'. Zowel Low, Wrangham, Ghiglieri, en van der Dennen reconstueerden de oorsprong van oorlog gedurende de hominide evolutie als reproduktieve strategie van coalities van (jonge) mannen.
Wrangham verdedigt de positie dat de laatste gezamelijke voorouder van de hominiden (mensachtigen) en de gewone chimpansee (Pan troglodytes), die zo'n 5 tot 7 miljoen jaar geleden leefde, al 'lethal male raiding' in zijn gedragsrepertoire moet hebben gehad. Vele experts op het gebied van de 'primitieve' oorlog onderscheiden twee soorten of vormen van oorlogvoering: (1) de geregelde veldslag ('pitched battle'), zoals we die kennen uit de westerse geschiedenis vanaf de Griekse falanx (en die soms een geritualiseerd karakter kan hebben); en (2) de 'stiekeme overval' of 'raaktocht' ('lethal male raiding'), waarbij soms hele nederzettingen worden uitgemoord of vrouwen massaal 'buitgemaakt' en verkracht.
Van der Dennen (1995) laat de mogelijkheid open dat oorlog (althans de 'raiding'-variant) door mensachtigen en chimpansee-voorouders onafhankelijk van elkaar is 'ontdekt' als een reproduktieve strategie van mannelijke coalities. Andere wetenschappers - vooral cultureel antropologen - stellen dat 'oorlog' bij de chimpansees, evenals bij Homo sapiens sapiens, een recente 'culturele uitvinding' is (bij de mens is de empirische evidentie voor oorlogvoering te traceren tot ongeveer 10.000 jaar geleden: Van der Dennen, 1995). Van der Dennen (f.c.) opperde de mogelijkheid dat de geregelde veldslag ('pitched battle'), zoals ook tentoongespreid door groepsterritoriale sociale carnivoren (bijv. hyenas) en primaten (bijv. bavianen en makaken) reeds bij de gezamelijke voorouder van alle zoogdieren - vele miljoenen jaren geleden - is geëvolueerd. Keeley en Van der Dennen vonden onafhankelijk van elkaar dat de lethaliteit van de oorlogvoering bij 'primitieve' samenlevingen - in verhouding tot de contemporaine, tussenstatelijke oorlog - bijzonder dramatisch was (en in bijv. Amazonië en in de hooglanden van Nieuw Guinea nog steeds is), door (a) geringe, maar cumulatieve, sterftecijfers vanwege de voortdurende 'stiekeme' overvallen en wraakexpedities; en (b) door de bijna-genocidale slachtpartijen waarop een (numeriek ongebalanceerde) geregelde veldslag kon uitlopen.

Vrede
Het onderzoek naar vrede bij 'primitieve' volken (zoals de Semai, !Kung San, en Xingu-stammen), en geïsoleerd-levende religieuze groeperingen zoals de Amish, Mennonieten, Hutterieten, enz. (de zogeheten cenobieten) is onlangs bij antropologen als Dentan (1992, 1994), Whitehead (i.p.), en Sponsel & Gregor (1994), en evolutionair geöriënteerde polemologen als van der Dennen (1998) weer aktueel geworden. Controverses betreffen vooral 'negatieve' versus 'positieve' vrede (Sponsel bijv. 'eist' dat vrede tussen groepen gepaard dient te gaan met interne harmonie en geweldloosheid binnen de betrokken groepen, terwijl meer realistisch-uitgevallen onderzoekers zich tevredenstellen met de afwezigheid van oorlogshandelingen tussen groepen), en de soms merkwaardige sampling methoden (vooral Bonta, 1993, 1997), en het (on)belang van niet-agressieve opvoeding (en andere intragroepsmechanismen verantwoordelijk geacht voor de intergroeps-verhoudingen). Geen enkele conventionele vredestheorie - behalve wellicht al dan niet 'splendid' isolatie - lijkt door de empirie te worden ondersteund. Geweldloze opvoeding bijvoorbeeld lijkt nauwelijks relevant voor de verklaring van vredelievendheid of oorlogszucht. Alle vredelievende gemeenschappen lijken kleinschalige, relatief egalitaire, geïsoleerd-levende samenlevingen (in 'refuges' of enclaves), waarbij de pacifistische ideologie of ethiek gepaard lijkt te gaan met defaitisme (de psychologie van een 'defeated people') en etnocentrische xenofobie. De mythe van de 'vredelievende wilde' ('peaceful savage'), zich vermeiend in een arcadisch lustoord, lijkt op sterven na dood, alhoewel Sponsel (1996), als een van zeer weinige antropologen, de neiging heeft de 'condition humaine' wel zeer idealistisch en rooskleurig af te schilderen. Overigens hebben zowel Dentan als van der Dennen erop gewezen dat noch oorlogszuchtigheid noch vredelievendheid als eeuwigdurende essenties mogen worden opgevat. Vredelievende volken zijn wel degelijk in staat tot oorlog, en oorlogszuchtige volken wel degelijk in staat tot vrede - wanneer de omstandigheden dat vereisen of mogelijk maken.


Referenties:

Baumeister, R.F. (1996) Evil: Inside Human Cruelty and Violence. New York: Freeman.
Bonta, B.D. (1993) Peaceful Peoples: An Annotated Bibliography. Metuchen NJ: Scarecrow Press.
Bonta, B.D. (1997) Cooperation and competition in peaceful societies. Psychological Bulletin, 121, 2, pp. 299-320.
Dentan, R.K. (1992) The rise, maintenance, and destruction of peaceable polity: A preliminary essay in political ecology. In: Silverberg & Gray (Eds.), pp. 214-70.
Dentan, R.K. (1994) 'Surrendered Men': Peaceable enclaves in the postenlightenment West. In: Sponsel & Gregor (Eds.), pp. 69-108.
Eibl-Eibesfeldt, I. & F.K. Salter (Eds.) (1998) Indoctrinability, Ideology and Warfare: Evolutionary Perspectives. New York: Berghahn Books.
Ferguson, R.B. (1990a) Explaining war. In: Haas (Ed.), pp. 26-55.
Ferguson, R.B. (1998, i.p.) Anthropological perspectives on war. Paper for 'Study of War' volume.
Ferguson, R.B. & N.L. Whitehead (Eds.) (1992) War in the Tribal Zone: Expanding States and Indigenous Warfare. Santa Fe: School of American Research.
Gat, A. (1999) The pattern of fighting in simple, small-scale, pre-state societies. Journal of Anthropological Research, 55, 4, 563-83.
Geller, D.S. & J. D. Singer (1998) Nations at War: A Scientific Study of International Conflict, Cambridge: Cambridge University Press, 1998.
Ghiglieri, M. (1999) The Dark Side of Man: Tracing the Origins of Male Violence. Reading: Perseus Books.
Gregor, T. (Ed.) (1996) A Natural History of Peace. Nashville: Vanderbildt Univ. Press.
Haas, J. (Ed.) (1990) The Anthropology of War. Cambridge: Cambridge Univ. Press.
Keeley, L.H. (1996) War Before Civilization: The Myth of the Peaceful Savage. New York: Oxford Univ. Press.
Low, B. (1993), An evolutionary perspective on war. In: W. Zimmerman & H.K. Jacobson (eds.), Behavior, Culture, and Conflict in World Politics, Ann Arbor: University of Michigan Press, pp. 13-56.
Manson, J.H. and R.W. Wrangham (1991), Intergroup aggression in chimpanzees and humans, Current Anthropology, 32, 4, 369-377.
Mesquida, C.G. & N.I. Wiener (1996) Human collective aggression: A behavioral ecology perspective. Ethology & Sociobiology, 17, 4, pp. 247-262.
Otterbein, K.F. (1993) The Anthropology of Feuding and Warfare: Selected Works by Keith F. Otterbein. New York: Gordon & Breach.
Otterbein, K.F. (2000) A history of research on warfare in anthropology. American Antropologist, 101, 4, pp. 794-805.
Rummel, R.J. (1995) Statistics of Democide: Estimates, Sources, and Calculations on 20th Century Genocide and Mass Murder. New Brunswick: Transaction.
Rummel, R.J. (1997a), Power Kills. Democracy as a Method of Nonviolence, New Brunswick: Transaction.
Rummel, R.J. (1997b) Statistics of Democide: Genocide and Mass Murder since 1900. Charlottesville: Univ. Virginia School of Law.
Rummel, R.J. (1997c) "Is collective violence correlated with social pluralism?" Journal of Peace Research, 34, 2, pp. 163-76.
Silverberg, J. & J.P. Gray (Eds.) (1992) Aggression and Peacefulness in Humans and Other Primates. New York: Oxford Univ. Press.
Sponsel, L.E. (1996) The natural history of peace: A positive view of human nature and its potential. In: Gregor (Ed.), pp. 95-128.
Sponsel, L.E. & T.A. Gregor (Eds.) (1994) The Anthropology of Peace and Nonviolence. Boulder: Lynne Rienner.
Staub, E. (1996) The psychological and cultural roots of group violence. In: Gregor (Ed.), 129-57.
Tooby, J. & L. Cosmides (1994) Cognitive adaptations for threat, cooperation, and war (Abstract). Ethology & Sociobiology, 15, 1, p. 56.
Van der Dennen, J.M.G. (1995) The Origin of War: The Evolution of a Male-Coalitional Reproductive Strategy. Groningen: Origin Press.
Van der Dennen, J.M.G. (1998) The politics of peace in primitive societies: The adaprive rationale behind corroboree and calumet. In: Eibl-Eibesfeldt & Salter (Eds.), pp. 151-185.
Van der Dennen, J.M.G. (1999) The 'Evil' Mind: Genocide, War Atrocities, Cruelty, and 'Evil'. Manuscript, Univ. Groningen.
Van der Dennen, J.M.G. (1999) Kwantitatief onderzoek naar oorlog en vrede. Transaktie, 28, 2, 296-310.
Van der Dennen, J.M.G. (f.c.) Ritual combat, power parity, and the logic of assessment.
Vanhanen, T. (1999) Ethnic Conflicts Explained by Ethnic Nepotism. Stamford CT: JAI Press.
Vasquez, J.A. (1993) The War Puzzle. Cambridge: Cambridge Univ. Press.
Vasquez, J.A. (1995) Why do neighbors fight? Proximity, interaction, or territoriality?, Journal of Peace Research, 32, 3, 277-294.
Vasquez, J.A. & M.T. Henehan (1999) Why teritorial disputes are war prone. Paper Conf. APLS, Atlanta, Sept. 2-5.
Whitehead, N.L. & R.B. Ferguson (Eds.) (i.p.) Expanding States and Native Warfare.
Wrangham, R. (1999a) Is military incompetence adaptive? Evolution & Human Behavior, 20, 1, 3-17.
Wrangham, R. (1999b) The evolution of coalitionary killing: The imbalance-of-power hypothesis. Yearbook of Physical Anthropology, 42, 1-30.
Wrangham, R. and D. Peterson (1996), Demonic Males: Apes and the Origins of Human Violence, Boston: Houghton Mifflin.