Boekbespreking

 

Schaap, Sybe (2012) Het rancuneuze gif. De opmars van het onbehagen. Budel: Damon. ISBN: 978 94 6036 047 3. Paperback. 286 pagina’s. € 19,90.

 

Johan M.G. van der Dennen

 

Sybe Schaap (1946) is hoogleraar waterbeheer aan de TUDelft en aan de LUWageningen. Daarnaast is hij lid van de Eerste Kamer voor de VVD. Als filosoof doceerde hij aan de VU te Amsterdam en de Karel Universiteit te Praag.

 

Het rancuneuze gif gaat over een typisch kenmerk van de mens. Rancune, ook wel ressentiment of wrok genoemd, is een uiting van onvrede die zich kenbaar maakt door slachtoffergevoel, boosheid en beschuldigingen. De oorzaak van deze boosheid zoekt men in een ander. Deze treft het verwijt, heeft het gedaan en wordt dus als schuldig gezien. Daders laten zich altijd wel vinden, verdachtmaking is erg vindingrijk.

Het boek gaat in op de actualiteit van dit verschijnsel. Aan de hand van een groot aantal voorbeelden wordt duidelijk gemaakt hoe rancune de samenleving kan ontwrichten. Ook nu infecteert dit gif de onderlinge verhoudingen in Nederland. Rancuneus gedrag dreigt zelfs normaal te worden en zich zonder schaamte te mogen uiten. Als de remmen wegvallen kan dit tot gevaarlijke uitwassen leiden, zoals het afwentelen van opgeklopte boosheid op gehele bevolkingsgroepen. Het spookbeeld van de jaren dertig dringt zich weer op. Het rancuneuze gif biedt een analyse van dit probleem, maakt de vele gevaren duidelijk en wijst op mogelijke uitwegen (aldus de achterflap).

 

In Schaap’s eigenzinnige, en bij vlagen scherpzinnige, analyse blijken populistische onwaarachtigheid/zelfbedrog, ressentiment/rancune, kwaadaardige wraakzucht/vergelding, (etnocentrische, racistische) haat/vijandschap, paranoia, en ideologische terreur/vernietigingsdrang nauw verwant, en elkaar onderling te versterken.

 

In de visie van Schaap heeft vooral de filosoof Friedrich Nietzsche als geen ander doorzien hoe zeer de belevingswereld van de moderne mens beheerst wordt door rancune en ressentiment. Deze nieuwe mens zoekt het geluk, maar vindt veeleer onvrede, die afgewenteld wordt op de ander. Deze rancune is in Schaap’s visie in de 21e eeuw gepolitiseerd geraakt en op die manier erg gevaarlijk geworden.

Schaap verwijst naar een publicatie van de historicus Maarten van Rossem, getiteld Waarom is de burger boos? Het zou beter zijn, zegt Schaap, de vraag te stellen: Waardóór is de burger boos? “Het waarom suggereert een bedoeling van de boosheid, een reden, een inherente zin”, alsook “de wil om van die boosheid verlost te worden”. Maar zou het niet zo kunnen zijn, aldus Schaap “dat de wrok zelf het probleem is en de boosheid een negatief, destructief oogmerk heeft? Wrok wil geen oplossing, maar teert op boosheid en bijt zich daarin vast” (p. 12-13). Deze benadering van het moderne levensgevoel is noch opwekkend noch geruststellend, maar misschien wel realistisch (Prillevitz, op website Historiën, 2012).

 

Het rancuneuze gif gaat in op de aanstekelijkheid van rancuneuze boosheid. Het boek dankt de titel aan de gevaren die er in de besmettelijkheid zouden zitten. Schaap wijst erop dat verbaal geweld een fysiek gevolg kan krijgen, zoals dat gebeurde tijdens de aanslagen in Noorwegen in 2011. Volgens Schaap is het afdoen van dit drama als een waanzinnige uitspatting van een psychopaat een “bedenkelijke vorm van escapisme”. Deze uitspraak over Breivik blijft echter wat – gratuit – in de lucht hangen (Wikipedia, 2012).

Volgens Schaap is rancune weliswaar iets van alle tijden, maar sinds het tijdperk van de Franse revolutie en de daarmee gepaard gaande secularisering is de grote opmars van het onbehagen pas echt begonnen. Het kernargument van Schaap’s denken over kwaad, rancune en ressentiment is, mijns inziens, het volgende:

 

“De christelijk geïnspireerde leer legt het kwaad ten diepste in de mens zelf: in de mens als zodanig, in elk individu. Het kwaad is de mens eigen, wordt dus ook door een ieder bedreven… In de wending die met de Romantiek en de Franse revolutie wordt ingezet, ondergaat de christelijke verlossingsleer een expliciete gedaanteverandering. Het verlangen naar verlossing ondergaat een geseculariseerde wending en wordt activistisch. De mens eigent zich de aloude goddelijke macht toe. Het delgen van het kwaad ondergaat een ideologische herinterpretatie: het wordt maakbaar, een zaak van interpreteren en doen. Het interpreteren maakt ideo­logische perspectieven leidend voor de waarheidsvraag. De aloude zondigheid zetelt niet langer in de individuele mens zelf maar wordt nu toegeschreven aan een wereld die in haar fundamenten niet deugt. Door een alom aanwezig, alles doordringend kwaad niet langer als een eeuwige menselijke conditie te zien, kan het worden toegeschreven aan de maatschappelijke realiteit en haar machthebbers. Dan wordt het moeilijk dit kwaad te verdragen. De slachtoffers van het kwaad wordt nu namelijk een ding duidelijk: de schuld van al dit nega­tieve draagt een ander (pp. 20-21)… Ressentiment is de mens eigen, het is van alle tijden. Altijd weer zoekt de rancuneuze ontlading de ander. Altijd weer ervaart de ontevredene zichzelf als slachtoffer, van wie dan ook. De afwenteling van de eigen onvrede op de ander beschouwt Nietzsche als de typisch creatieve daad van het ressentiment (GB:284v), een creativiteit die altijd wel een ander, een schuldige vindt. De blikwending naar buiten loopt door in acties: een oordeel, een aanklacht, een veroordeling en dus vergelding, wraak. Om deze wending te rechtvaardigen schept het ressentiment een eigen moraal, een die gegrond is in reactieve waarden” (p. 26; GB staat hier voor Nietzsche’s Jenseits von Gut und Böse).

 

Volgens Beerends (recensie op website Vice-Versa, 2012) is dit een stelling die door Schaap te gemakkelijk wordt geuit. Ook de Middeleeuwse inquisitie, de kruistochten tegen het Jodendom en de Islam en de godsdienstoorlogen tussen protestanten en katholieken waren vervuld van wederzijdse haat, wrok en het demoniseren van tegenstanders.

Schaap gaat vervolgens uitgebreid in op het binnendringen van het rancuneuze gif bij het ontstaan en de ontwikkeling van het communisme, fascisme, nazisme, populisme en de politieke bewegingen van de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw. De psychologische drijfveren van de rancuneuzen worden uitgebreid beschreven en de bewegingen waar zij zich bij aansluiten worden met filosofische argumenten aangeduid als bewegingen die vanaf hun ontstaan in haar diepste kern drijven op rancune. Voor hem komt deze maatschappijkritiek voort uit “het nostalgisch verlangen naar een totaal ander leven, een utopische levensvervulling in een geïdealiseerd maatschappelijk verband”. Het marxisme/communisme plaatst deze utopische volmaakte samenleving in de toekomst, het nazisme/fascisme wilde terug naar de huns inziens volmaakte situatie in het verleden.

Waar deze nostalgie, zo waarschuwt Schaap, vanwege zijn onbereikbaarheid “omslaat in teleurstelling en frustraties volgen er snel verbeten reacties”. In dat verband wijst hij op de activiteiten van de milieubeweging, de derde wereldbeweging, de vrouwenbeweging, het dierenactivisme en bewegingen die ijveren voor een ander consumptie- en productiepatroon.

 

Schaap over ressentiment

Res­sentiment is onwaarachtig. De onmachtige is niet in staat de realiteit onder ogen te zien, te erkennen hoe het er werkelijk aan toe gaat (p. 35). Ressentiment maakt ziek, creëert steeds weer nieuwe noodsituaties. De rancuneuze nood vergiftigt niet alleen het eigen gevoelsleven, maar werkt ook naar buiten, vergiftigt ook de relatie tot de medemens (p. 36). Ressentiment is infectueus, dat maakt het zo kwaadaardig (p. 38).

 

Schaap over wraakzucht

Het uit onmacht tot leven gewekte affect dat compenserende vergelding zoekt, is de wraakzucht  Het grootste kwaad dat de mens weet te scheppen wordt bedreven uit wraak. Dit wraakzuchtige kwaad wil geen evenwicht of proportionaliteit, maar overreact­ie. Het slachtoffer wil boosaardig reageren en daarvan het resultaat zien: een boosaardige vorm van genieten… Wraak mag een boosaardig gevoel van genoe­gen bieden, echte bevrediging blijft uit. Dit omdat ressentiment de eigenlij­ke, ziekelijke oorzaak is van de wraakzucht. Wraak delgt deze ziekelijkheid niet. Wraak neemt innerlijke onvrede niet weg (p. 79).

 

Schaap over haat

Ook haatdragendheid komt voort uit onmacht (p. 33)… Haat schept kwaadaardige vijanden (p. 34). Zo kunnen ook gehele volkeren tot een object van haat worden, zelfs een religieus beleefde haat. Het vermeend tolerante multiculturalisme kan in korte tijd omslaan in een oorlogstemming. Wat in dit alles gelijk blijft is de volle ruimte van de verbeeldingskracht Ze voedt het ressentiment al te gemak­kelijk met een patriottisch, religieus doorleefd haatpathos (p. 94).

 

Schaap over de Terreur (Franse Revolutie)

Als het gepassioneerde revolutionaire bloed een­maal begint te stromen, wil het ook bloed zien, meer bloed: het bloed van het kwaad, de kwaden, wie het ook mogen zijn. Schuldigen worden niet zozeer veroordeeld om wat ze deden, maar veeleer om wat ze zijn: hatelijke vijanden. Achterdocht, angst en weerzin leiden tot een onbeheersbare vijandigheid. Uiteindelijk kan een ieder in volledige willekeur tot vijand worden verklaard. Zo deugdzaam en creatief kan wraakzucht zich presenteren. Daarbij wordt de vij­and elke waarde en dus ook elk respect ontnomen. De vijand is slechts de beli­chaming van wat niet mag zijn, niet had mogen zijn. Maar omdat hij toch is, is zijn lot bezegeld.

Het zij herhaald, uiteindelijk is de diepere grond van de wraakzucht niet zozeer wat de vijand doet of heeft misdaan. De eigenlijke voedingsbodem is de rancuneuze behoefte aan vijandschap. Deze behoefte is voldoende grond om wie dan ook tot vijand te verklaren (p. 104).

Deze bevrijding creëert echter een vrije ruimte voor de meest primitieve instincten van de mens: egoïsme, achterdocht, jaloezie, rancune. Door de ero­sie van de institutionele verbanden krijgen deze instincten vrij spel. Als de gehate vijanden van bet volk verdwenen zijn, zoeken deze instincten nieuwe vijanden, zichtbare en onzichtbare… In twee opzichten laat de Franse revolutie zien wat de moderne politisering uitlokt. Enerzijds verwacht de nieuwe mens alles van de nieuwe, gepolitiseerde staat. Het is echter ondenkbaar dat deze staat het volk vrede kan bieden zonder repressie. Het is ook ondenkbaar, dat de staat de nieuwe mens de volle bevrediging van zijn behoeften kan bieden. Als de staat de modernistische verwachtingen niet nakomt, groeien als vanzelf ontevredenheid en cynisme (pp. 108-9).

 

Schaap over marxisme

Het marxisme verenigt hoop en strijd… Conflict en strijd wor­den niet alleen niet geschuwd: ze worden hartstochtelijk gezocht en verbitt­erd uitgevochten (p. 115).

 

Wie mocht denken dat de uitwassen van de communistische praktijk een per­vertering van de marxistische theorie zijn, in het bijzonder die van de grond­legger zelf, vergist zich. Het perverse is een beoogd, een vereist kernbestand­deel van deze filosofie (p. 122)…

Alle energie en ook alle intellect worden in dienst gesteld van bet primaire proces, de dictatuur van her proletariaat. Anders gezegd, de gedreven strijd tegen vijanden maakt heel wat meer energie los dan de strijd voor het verheven doel… De revolutionaire strijd zoekt sublieme wraak, daarom draait het. Er moet worden afgerekend, vergolden en wel teugelloos. Alle rancuneuze sentimenten zijn in deze strijd welkom, zelfs geboden. Schuld en vergelding, haat en wraakzucht, zijn niet zomaar nodig om het proces gaande te houden: ze wor­den tot een overweldigende motor… Totalitaire heersers in de twintigste eeuw lijken te hebben gewedijverd, wie het meest wrede revolutionaire geweld kon inzetten. Ze waren bezeten door een cynische immoraliteit en werden gedreven door een onbeheerst ressen­timent. Wat dit betreft kunnen lieden als Stalin, Mao en Pol Pot zich aan elkaar meten. Stalins missie sluit aan op de beweging die Marx en Lenin heb­ben ingezet (p. 130).

 

Populisme

“Populisme kan worden gezien als een werkwijze waarmee politieke leiders onbehagen en onvrede weten te mobiliseren” (p. 201). Schaap waarschuwt dat populisme niet identiek is aan rancune, maar de verleiding om aan rancu­neuze opwellingen een populistische vertaling te geven en deze openlijk en gedreven in de publieke arena te uiten is groot (p. 203). Vandaar dat in de praktijk van het populistische activisme rancune een belangrijke drij­vende kracht blijkt te zijn (p. 202). “De populist weet, met een scherp, en sluw instinct, verontruste delen van de bevolking te bespelen. Hij neemt daarin breed gedeelde, maar tegelijk ook krachtig versterkte gevoelens van onvrede mee en vertaalt dit in gekleurde analyses van de bedreigende problemen en aan te wijzen schuldigen” (p. 201).

Populisme mag zich in Nederland en Vlaanderen niet alleen verheugen in een grote schare vrijwel kritiekloze aanhangers, maar ook in min of meer kritische reflecties, pamfletten en andere publicaties die het verschijnsel trachten te analyseren (of zo men wil, te diagnosticeren). Een kleine greep: S. Koenis: “De democratisering van het ressentiment” (NRC, 2012); P. Lucardie: “Rechts-extremisme, populisme of democratisch patriotisme?” (2007); P. Lucardie & G. Voerman: Populisten in de polder (2012); C. Mudde: Populist Radical-Right Parties in Europe (2007); D. van Reybrouck: Pleidooi voor populisme (2009); R. Riemen: De eeuwige terugkeer van het fascisme (2010); M. van Rossem: Waarom is de burger boos? (2010); K. Vossen: “De populistische verleiding” (2009); A. Zijderveld: Populisme als politiek drijfzand (2009). In Nederland zijn dergelijke analyses al decennia lang geleden voorafgegaan door bijvoorbeeld Menno ter Braak’s beroemde pamflet “Het nationaal-socialisme als rancuneleer” (1937), en gelegenheidspublicaties door J. de Kadt, Th. von der Dunck, B. Heyne, en vele andere politici, filosofen en wetenschappers.

Wat is populisme eigenlijk? Politicologen zoals M. Canovan (Populism, 1981), G. Ionecu & E. Gellner (Populism: Its Meaning and National Characteristics, 1970), P. Taggart (Populism, 2000), Lucardie & Voerman, Mudde, en Vossen), kennen de volgende kenmerken toe aan populistische politici: 1. afkeer van het partijestablishment; de corrupte “linkse elite” heeft bijvoorbeeld het zuivere gewone volk verraden; 2. het volk staat op een voetstuk en aan haar wil wordt constant gerefereerd; 3. charismatisch leiderschap; en er wordt een beroep gedaan op eenheid en vaderlandsliefde. In het algemeen beweren de theoretici dat populisme eerder een politieke stijl of communicatiestijl en mentaliteit is dan een specifieke ideologie of politieke stroming zoals liberalisme en conservatisme.

Dit zijn, in mijn opinie, nogal formalistische criteria; en ze ontberen wat ik zelf – en, naar ik veronderstel, ik niet alleen – inhoudelijk met de term ‘populisme’ associeer, namelijk “gesundes Volksempfinden”, “völkische” sentimenten, vox populi, onderbuikgevoelens, zondebokken, volkstribunen, etc.

Maarten van Rossem noemt de populisten “de griep van de democratie”. Populistische (volksver)leiders varen op provocatie, theater, een sterk crisisbesef en anti-intellectuele uitspraken. Het populistisch nationalisme heeft zijn oorsprong, in de woorden van Zijderveld (2009: 33), in het “bijna metafysische, absolute gelijk. Dit gelijk mag niet abstract en complex zijn”. Vandaar de simplificaties en de ongenuanceerde grofheden.

 

In de inleiding van zijn boek schrijft Schaap: “De hedendaagse rancuneuze boosheid krijgt gevaarlijke effecten nu deze gepolitiseerd raakt en de publieke ruimte verovert. De Partij voor de Vrijheid is een uitgesproken exponent van dit proces. Deze partij teert op slachtoffergevoelens, verbreidt dit gevoel en intensiveert het. Zonder schroom wordt de slachtofferbeleving afgewenteld op daders en worden dezen gestigmatiseerd. De boosheid richt zich op daders in persoon. Het gaat daarbij niet eens zozeer om werkelijke bedreigingen of wandaden, het gaat veeleer om het genoegen van de uitvergrote beschuldiging. De daarbij gehanteerde formule lijkt veel op die uit de jaren dertig van de vorige eeuw. Er worden vijandbeelden gecreëerd, beelden die duidelijk moeten maken hoezeer het eigen bestaan wordt bedreigd. De vijand loert niet alleen van buiten, maar heeft ook complotterende handlangers in het eigen domein. Externe vijanden te over: de Europese Unie, buitenlandse arbeiders, allochtonen, maar voor alles de Islam en de representanten daarvan” (p. 7-8).

Hier wordt, zonder term expliciet te noemen, de PVV als populistische partij gekarakteriseerd.

De volkstribuun voelt dat wantrouwen tussen de kiezers en de gekozenen feilloos aan. Hij of zij maakt zich tot tolk van het ongenoegen en profileert zich als antipolitiek. Politici zijn oplichters die de problemen niet bij hun naam durven noemen en de belangen van het volk onder het tapijt moffelen. De affectieve band tussen de charismatische leider en zijn of haar achterban heeft zo ook weer het karakter van een samenzwering: nu tegen de gevestigde orde.

Wansink (VK, 2012) noemt als belangrijke voorwaarde voor de populistische logica het psychologische klimaat waarin grote groepen het gevoel hebben door de gevestigde politieke partijen in de steek te zijn gelaten. De stenen des aanstoots kunnen veranderen – van Mekka tot Brussel en van Wallstreet tot het Catshuis – de onvrede blijft.

 

Waar de meeste auteurs over populisme het roerend met elkaar eens zijn is dat het populisme of het populistisch nationalisme vegeteert op rancuneuze, zinderende gevoelens van onvrede, en drijft op angsten en ressentimenten die uiteindelijk reactionair en contraproductief zijn.

 

Algehele waardering

Het boek biedt, naast een aantal scherpe observaties en diepgravende analyses, ook veel redundantie: herhalingen en breedsprakige en wijdlopige uitweidingen die de vaart en het momentum er regelmatig uithalen, zodat het lezen ervan meer een kwelling wordt dan een genoegen. Zo zijn de hoofdstukken over “De tragische waarheid” (over de waarachtige en de onwaarachtige leugen), “De geketende wil” (over wils-sterkte en wils-zwakte), “Melancholie en agitatie” en “Het einde der tijden”, bijvoorbeeld, vakfilosofische exercities en weinig relevante of zelfs overbodige excursies die het leesplezier soms danig kunnen vergallen.

 

Verder worden alle linkse groepen en denkbeelden, ook de meer gematigde, rancuneus genoemd. Schaap ziet in elke wereldverbeteraar een mens die door rancune wordt gedreven (Prillevitz). Niet alle wereldverbeteraars zijn rancuneus. Hier slaat Schaap duidelijk door. Door elke politieke beweging die zich keert tegen politiek-maatschappelijke misstanden en misdaden af te doen als een uiting van rancune, “verlaat Schaap het liberale gedachtegoed en ontpopt hij zich als een conservatieve denker” (Beerends).

 

In het boek wordt weinig aandacht geschonken aan ressentiment dat niet het gevolg is van de projectie van de eigen situatie, maar een grond heeft in de werkelijkheid. Het RD van 10 maart 2012 gaf, vanuit haar optiek, het volgende commentaar: Dat onbehagen staat bij een deel van de kiezers niet los van angst. Angst voor de snelle veranderingen in de samenleving, voor globalisering en modernisering, die de ontwortelde, geseculariseerde en geïndividualiseerde mens doen snakken naar houvast. Dat houvast zoekt hij dan weer bij de LPF, dan bij het CDA, dan bij de PVV of de SP…

 

Om dergelijke gevaarlijke, rancuneuze ideeën te bestrijden pleit Schaap voor zelfkennis (gnothi seauton – ken uzelf); zelfoverwinning; de Nietzscheaanse omarming van het noodlot of Amor fati; en het matigen van de politieke toon. Of dat tot veel zal leiden, is echter zeer de vraag. Schaap’s pleidooi voor matiging, zelfkennis en Amor fati doet sympathiek aan, maar lijkt toch onhaalbaar. Waarom zou de mens nu wel opeens zijn/haar toon en het ressentiment kunnen matigen als dat al eeuwen niet is gelukt? Kortom, de remedie is niet overtuigend.

Sjoerd de Jong bespreekt het boek in NRC en de kop luidt: “Dank u voor de diagnose, waar is het recept?” Het eindoordeel klinkt als volgt: “Het boek eindigt dan ook met een zucht, en niet met een klap. Genezing blijkt een persoonlijke aangelegenheid… Het begin van de therapie is een preventieve maatregel, meent hij: een mens moet zichzelf immuniseren tegen de lokroep van de rancune… Een povere conclusie voor een dokter – en ook voor een filosoof”.

 

Misschien is Schaap’s ‘probleem’ wel simpelweg onoplosbaar en heeft de mens gewoon een vijand nodig waar hij of zij zich tegen af kan zetten. Misschien had de politiek filosoof Carl Schmitt gelijk (vijandschap is de essentie van de politiek). Evenals de roemruchte Nederlandse apologeet van de oorlog Steinmetz die schreef: “Zu den besten Gottesgaben gehört ein guter Feind”. Voor de alledaagse frustraties, verontwaardigingen en teleurstellingen zijn zondebokken en vijanden bijzonder nuttig. Het zondeboksyndroom drijft op grove simplificaties en generalisaties. De zondebok moet ook een gezicht hebben – dat wisten de vroege hominiden reeds. Bovendien verschaft het koesteren van een ‘slechte’ vijand mensen een machtig gevoel van morele superioriteit (Prillevitz).

 

Take-home message

“In een brief aan zijn werkgever en beschermheer Karel de Grote schreef de theoloog, dichter en leraar Alcuin van York, Northumbria (735-804) in 795 de volgende waarschuwing: ‘Men moet niet luisteren naar lieden die voortdurend zeggen vox populi, vox dei, de stem van het volk is de stem van god, want de onrust van het gewone volk – de tumultuositas vulgi – grenst altijd aan de waanzin’.” (Zijderveld, 2009: 7).

 

Cover: Peter Paul Rubens (1577-1640) Cronus/Kronos verslindt een van zijn kinderen. Prado, Madrid.