Pinker, Steven (2011) The Better Angels of Our Nature: Why Violence Has Declined. New York: Viking (Penguin Group). ISBN 978-0-670-02295-3 (hardback), xxviii + 802 pagina’s, met bibliografie en index.

 

Johan M.G. van der Dennen

 

Pinker’s testimonium: waarom geweld is afgenomen en de ‘betere engelen van onze natuur’ winnen van de ‘innerlijke demonen’

 

Na de publicatie van zijn volumineuze en succesvolle werk The Blank Slate: The Modern Denial of Human Nature (2002), verrast Steven Pinker (Harvard University) vriend en vijand met een waar – en ook nog eens toegankelijk en fascinerend – meesterwerk: The Better Angels of Our Nature: Why Violence Has Declined (New York: Viking, 2011). De algemene strekking van dit opus magnum van ruim 800 pagina’s is dat geweld, crimineel en politiek, individueel en collectief, intranationaal en internationaal, spectaculair is verminderd en dat de gemiddelde mens nog nooit in de geschiedenis van de mensheid zo’n kleine kans heeft gehad om door geweld om het leven te komen. Of, met andere woorden, dat de wereld nooit eerder zo vreedzaam is geweest. Pinker toont overtuigend aan, met behulp van harde cijfers en inzichtelijke statistieken, dat neonaticide, infanticide, homicide, femicide, politicide, democide, genocide (en alke andere –cide die men kan bedenken), massamoorden, oorlogen, burgeroorlogen, vetes en vendettas, wrede en sadistische martelpraktijken, ketterjachten, heksenverbrandingen, lynchings en andere (raciale, etnische, homofobe) hate crimes, kannibalisme, mensenoffers, duellen, pogroms, (politieke, raciale of etnische) zuiveringen, intentionele hongersnoden, wraakacties, dodelijke opstanden, rebellieën en rellen, executies als publiek vermaak, doodslag, ketterkruistochten en moralistisch geweld tegen heretici, apostaten en blasfemisten, despotisme, terreurregimes, (zelfmoord)terrorisme, … alsmede de minder dodelijke – maar daarom niet minder afgrijselijke en weerzinwekkende – vormen van geweld zoals zware mishandeling, verminkingen, sadistische lijfstraffen (zoals kielhalen, steniging, en afranseling waarbij het slachtoffer tot pulp werd geslagen), kindermishandeling, pesterijen, dierenbeulerij als publiek vermaak, (massa)verkrachtingen, aanrandingen en ander seksueel geweld, huishoudelijk geweld, slavernij, etc. etc. in toto recentelijk substantieel zijn afgenomen en soms zelfs gigantisch gekelderd. Vandaar Pinker’s uitspraak dat de afname van geweld weleens de belangrijkste en de meest ondergewaardeerde ontwikkeling in de geschiedenis van onze soort zou kunnen zijn. Voor veel lezers – zowel sceptici als diegene die zich op hun gezond verstand beroepen – is deze conclusie ronduit belachelijk. Maar de trends wijzen wel degelijk in die richting.

 

Pinker onderscheidt zes trends (of overgangen) in de afname van het geweld in het algemeen: (1) het Pacificatieproces dat zich voltrok op de schaal van millennia en dat min of meer samenvalt met de Landbouwrevolutie en statenvorming. Met deze transitie verminderde het dodelijk geweld in vergelijking met de chronische wraaktochten van niet-statelijke samenlevingen vijfvoudig; (2) het Civilisatieproces dat een half millennium omspant en dat door Norbert Elias voor het eerst werd erkend en geanalyseerd. Op de schaal van eeuwen moeten we constateren dat moord en doodslag geleidelijk, maar onherroepelijk en dramatisch zijn afgenomen, als gevolg van dit civiliserings- en zelfbeheersingsproces. Cijfers van Gurr (1981, 1989) en van Eisner (2001, 2003) laten in alle Europese landen een gestage daling zien van moord en doodslag. Waar gemiddeld genomen in de Middeleeuwen per 100,000 inwoners ongeveer 40 tot 50 slachtoffers vielen door moord en doodslag, is dat momenteel nog slechts 1 slachtoffer; (3) de Humanitaire Revolutie die zich afspeelde op een schaal van eeuwen en grotendeels samenvalt met de Europese Verlichting en het Tijdperk van de Rede; (4) de Lange Vrede, het overgangstijdperk na de Tweede Wereldoorlog; (5) de Nieuwe Vrede, het overgangstijdperk sinds het einde van de Koude Oorlog; en tenslotte (6) de Mensenrechten Revolutie die een vloed van rechtenbewegingen met zich meebracht, zoals vrouwenrechten, kinderrechten, homorechten en dierenrechten, etc.

Onze menselijke natuur bestaat, volgens Pinker, uit vijf ‘innerlijke demonen’, zoals instrumenteel geweld, dominantiestreven, wraakzucht, sadisme (wreedheid), en in potentie zeer gewelddadige utopische ideologieën; en vier ‘betere engelen’ (de uitdrukking is ontleend aan een speech van Abraham Lincoln): empathie/sympathie, zelfbeheersing, moreel besef, en ratio. Omdat onze menselijke natuur in deze tijdspanne niet wezenlijk is veranderd, moeten deze positieve ontwikkelingen aan andere (constellaties van) oorzaken worden toegeschreven. Ik kom hier op terug.

 

Het is ondoenlijk om Pinker’s omvangrijke werk in een korte recensie recht te doen, daarom zal ik mij beperken tot de afname van oorlogen, inclusief burgeroorlogen, in het internationale systeem.

In eerdere nummers van de NVMP/AVV Nieuwsbrief heb ik de macrokwantitatieve literatuur over de frequentie van oorlogen en trends in oorlogvoering al eens uitvoerig gepresenteerd. Een korte terugblik:

Een poging om gewelddadige conflicten te onderzoeken en te classificeren werd ondernomen door Lewis Richardson in zijn Statistics of Deadly Quarrels (1960). Richardson verzamelde grondige statistieken over gewelddadige conflicten (dodelijke of fatale ruzies, zoals hij ze noemde) van 1820 tot 1929 (en aanvullende statistieken over de periode van 1930 tot 1949). De omvang van een fatale ruzie wordt bepaald door het logaritme met grondtal tien van het aantal mensen dat vanwege die ruzie omkwam. Deze omvang wordt aangeduid met μ [mu]. Het bereik van omvang breidt zich uit van log 0 voor een moord die slechts één dode impliceert, tot log 7,4 voor het aantal dode slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog (tegenwoordig geschat tussen 50 en 70 miljoen). Hij vond dat slechts 1,6 percent van alle sterfgevallen aan ruzies, met inbegrip van oorlogen, toe te schrijven was. Richardson becommentarieerde: “This is less than one might have guessed from the large amount of attention which quarrels attract. Those who enjoy wars can excuse their taste by saying that wars after all are much less deadly than disease” (Richardson, 1960: 153). Eckhardt (1992: 173-174) vond overigens een nog kleiner percentage: slechts 0,4 procent op oorlog betrekking hebbende sterfgevallen sinds 3000 v. C.

Wilkinson (1980) analyseerde de gegevens van Richardson opnieuw, d.w.z. de 315 oorlogen die tussen 1820 en 1952 eindigden. Sommige van Wilkinson’s bevindingen zijn de volgende:

 

1. Er is een patroon in het aantal uitbarstingen van oorlog per jaar hetgeen suggereert dat er per jaar veel vooroorlogse crises zijn, maar dat er voor elke crisis een lage waarschijnlijkheid is dat die echt uitbarst in een oorlog. De aanvang van oorlogen per jaar toont een Poissonverdeling (bevestigd door Singer & Small, 1972), net als de beëindiging van oorlogen.

2. Oorlogen werden korter over het interval van Richardson.

3. Er was geen duidelijke trend in de frequentie van oorlogen.

4. Kleinere oorlogen komen veel meer voor dan grote oorlogen; frequentie varieert omgekeerd evenredig met omvang.

5. Er is evidentie dat over Richardson’s interval oorlogen groter werden, dat wil zeggen, er waren meer doden per oorlog; ook dat het totale aantal doden van alle oorlogen in een gegeven tijdsspanne groeide.

6. Het totale dodental van oorlogen is grotendeels het product van de weinige extreem grote oorlogen. Een groep van elf naties (vroegere plus werkelijke plus would-be grootmachten) hebben het meest gevochten en hadden de meeste slachtoffers te betreuren. Singer & Small (1972: 287) concludeerden daarom terecht dat: “most of the wars in the system has been accounted for by a small fraction of the nations, most of which would be found near the top of any hierarchy based on diplomatic status, military-industrial capability, or related indicators”.

 

Ook Beer (1974: 20-21) vond een algemeen historische tendens in de richting van de ‘concentratie’ van oorlog. Een vroege studie, gepubliceerd nabij het begin van de Eerste Wereldoorlog (Woods & Baltzly, 1915: 2), vermoedde deze tendens al.

Rummel (1967: 178, 180, 182) concludeerde: “er is een of andere tendens waardoor de hevige conflicten tussen verschillende groepen intenser worden” in termen van meer oorlogsdoden. Levy (1982, 1983, 1989; Levy, Walker & Edwards, 2003; Gat & Maoz, 2003) vonden dat oorlog tussen grootmachten sinds het einde van de vijftiende eeuw, toen het moderne Europese grootmachtensysteem ontstond, in frequentie aanzienlijk is afgenomen maar in toenemende mate ‘ernstig’ is geworden in omvang, magnitude, zwaarte (severity), intensiteit en concentratie in tijd en ruimte - eigenlijk in elke mogelijke dimensie behalve duur (duration).

Als we door de tijd gaan van 3600 v. C. tot A.D. 1980, impliceert de verspreiding van oorlog en vrede dat de vredesperiodes langer en minder frequent zijn geworden (Beer, 1981: 39-40).

De evidentie gepresenteerd door Van der Dennen (1981: 143-53) lijkt ook de notie te onderschrijven dat er inderdaad een lange-termijn trend bestaat van veel oorlogen met weinig slachtoffers naar minder oorlogen met veel slachtoffers, met de twintigste eeuw als meest verwoestende en bloedige.

 

Deze laatste observatie nu – en dat is de grootse verrassing van dit magistrale werk – wordt door Pinker terecht bestreden, met de volgende argumenten:

1. Een eeuw duurt honderd jaren, geen vijftig. De eerste helft van de twintigste eeuw was weliswaar uiterst bloedig, maar de tweede helft (meer concreet de ontwikkelingen sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog) vertoonde een ongekende en historisch ongeëvenaarde vermijding van oorlogen tussen de grootmachten, gevolgd door een even verbazingwekkende vreedzame beëindiging van de Koude Oorlog.

2. Maar veronderstel for the sake of argument dat de Tweede Wereldoorlog werkelijk de meest destructieve en bloedigste gebeurtenis in de menselijke geschiedenis is geweest, wat zegt dat dan over de lange-termijn trend van oorlog en vrede? Het verbluffende antwoord is: niets. De verdeling van oorlogen in de tijd is in essentie een Poisson-proces, dat wil zeggen dat de gebeurtenissen (a) continu (b) onafhankelijk van elkaar, en (c) toevallig (random) plaatsvinden (het proces heeft geen geheugen). Pinker legt uit wat dat inhoudt:

 

“in a Poisson process the intervals between events are distributed exponentially: there are lots of short intervals and fewer and fewer of them as they get longer and longer. That implies that events that occur at random will seem to come in clusters, because it would take a nonrandom process to space them out. The human mind has great difficulty appreciating this law of probability” (p. 203)… “The Poisson nature of war undermines historical narratives that see constellations in illusory clusters. It also confounds theories that see grand patterns, cycles, and dialectics in human history. A horrible conflict doesn’t make the world weary of war and give it a respite of peaceable exhaustion. Nor does a pair of belligerents cough on the planet and infect it with a contagious war disease. And a world at peace doesn’t build up a mounting desire for war, like an unignorable itch, that eventually must be discharged in a sudden violent spasm” (p. 206).

 

Maar waarom denken we dan dat de twintigste eeuw de meest verwoestende en bloedigste was? Pinker wijst op het nabijheidseffect (historical myopia), de illusie (of perspectivistische vertekening) dat wat recentelijk is gebeurd enorm veel groter/intenser/verschrikkelijker is dan wat is weggezakt in de mist van de geschiedenis. De beide wereldoorlogen bezetten ons collectieve geheugen, maar de An Lushan Rebellie (China, 8ste eeuw), de Mongoolse veroveringen (Eurazië, 13de eeuw), de slavenhandel in het Middenoosten (7de tot de 19de eeuw), de val van de Ming dynastie (17de eeuw), de val van Rome (derde tot 5de eeuw), de veroveringen en massacres van Timur Lenk (of Tamerlane) (14de-15de eeuw), de uitroeiing en vernietiging van de Amerikaanse Indianen (15de-19de eeuw), en de Atlantische slavenhandel (15de-19de eeuw) scoren qua miljoenen slachtoffers boven de Tweede Wereldoorlog, en de Taiping Rebellie (19de eeuw) en de Dertigjarige Oorlog (17de eeuw) waren vernietigender dan de Eerste Wereldoorlog. De An Lushan Rebellie (feitelijk een burgeroorlog) zou, gecorrigeerd voor de wereldpopulatie, het ongelofelijke aantal van zo’n 429,000,000 slachtoffers hebben gemaakt. In de Oorlog van de Triple Alliantie in Zuid Amerika (1864-1870) werd tenminste 60% van de totale bevolking van Paraguay weggevaagd, hetgeen deze oorlog proportioneel de meest destructieve en bloedigste in de recente menselijke geschiedenis zou maken.

 

 

Welsprekender dan woorden is de grafiek (Figure 6-2) op pagina 301, waarop duidelijk te zien is dat (de)kolonisatieoorlogen na de Tweede Wereldoorlog rond 1976 ophouden te bestaan, en dat de “rate of battle deaths in state-based armed conflicts” van interstatelijke oorlogen, burgeroorlogen en geďnternationaliseerde burgeroorlogen vanaf 2000 nauwelijks nog van de nullijn te onderscheiden zijn.

Op de schaal van decennia is, volgens Human Security Brief (2006), het aantal gesneuvelden op het slagveld in interstatelijke oorlogen afgenomen van 65.000 per jaar in de jaren ’50 van de twintigste eeuw tot minder dan 2.000 in het huidige decennium. En volgens Harff (2003) is tussen 1989 en 2003 het aantal massamoorden op burgers met 90 procent gedaald.

Deze scherpe dalingen in de geweldsstatistieken gaan gepaard met een afnemende glorificatie en ‘glamourisatie’ van geweld, met een afnemende tolerantie van openbaar geweld, van wreedheden, van dierenmishandelingen, van lijfstraffen, van verkrachtingen in oorlogszones, van ‘zinloos’ (of ontremmings)geweld, etc. (althans in de Westerse wereld).

 

In het laatste hoofdstuk identificeert Pinker vijf exogene historische krachten die de Neergang van Mars hebben aangestuurd: (1) de consolidering van de Staat (Leviathan) met het monopolie op het rechtmatig gebruik van macht en geweld; (2) de handel (gentle commerce) als een positieve-som onderneming (of win-win situatie) waarin alle betrokkenen profiteren; (3) de feminisatie van de samenleving waarin het machismo van jonge mannen (geweld is voornamelijk een mannenaangelegenheid) wordt getemperd evenals de verering van oorlog en geweld; (4) de krachten van cosmopolitisme, zoals alfabetisme, massamedia en mobiliteit, die mensen gelegenheid bieden om zich met anderen te vereenzelvigen en de cirkel van medemenselijkheid uit te breiden; en tenslotte (5) de ‘lift’ van de ratio: het steeds meer en steeds intensiever toepassen van rationaliteit, kennis en wetenschap teneinde het aardse tranendal voor iedereen iets draaglijker te maken.

 

Pinker wijst er herhaaldelijk op dat deze ontwikkelingen conditioneel zijn, niet deterministisch. “Declines of violence are a product of social, cultural, and material conditions. If the conditions persist, violence will remain low or decline even further; if they don’t, it won’t” (p. 671). Er zijn derhalve weinig redenen om genoegzaam achterover te leunen of onszelf arrogant op de borst te kloppen. Onze ‘innerlijke demonen’ moeten wel de uiterlijke condities meehebben om gepacificeerd te worden en te blijven.

 

“I am sometimes asked, ‘How do you know there won’t be a war tomorrow (or a genocide, or an act of terrorism) that will refute your whole thesis?’ The question misses the point of this book. The point is not that we have entered an Age of Aquarius in which every last earthling has been pacified forever. It is that substantial reductions in violence have taken place, and it is important to understand them. Declines in violence are caused by political, economic, and ideological conditions that take hold in particular cultures at particular times. If the conditions reverse, violence could go right back up” (p. 361).