Vijfentwintig Jaar Geweld in Retrospectief

 

J.M.G. van der Dennen, Universiteit van Groningen

 

Inleiding

De term ‘geweld’ (als afkorting voor het totale spectrum van menselijk gewelddadig gedrag) is een te grove categorie om iets zinnigs over te melden. Daarom wordt geweld gemeenlijk ingedeeld in een aantal categorieën, subcategorieën, domeinen, subdomeinen, niveau’s, etc. Een gebruikelijke categorisering is politiek geweld, crimineel geweld, en huiselijk/familiaal geweld (‘pathologisch geweld’zal hier verder buiten beschouwing blijven). Een andere indeling betreft interindividueel en collectief geweld. Een verder belangrijk onderscheid dat dikwijls wordt gemaakt is instrumenteel geweld (gekenmerkt door proportionaliteit en doelgerichtheid) en expressief geweld (gekenmerkt door disproportionaliteit, excessen, en vaak gruwelijke wreedheid, wraakzucht, vernietigingsdrang, furieuze moordlust, en seksualisering van het geweld). Een algemeen probleem van dergelijke indelingen en taxonomieën van geweld is dat inzichten, theorieën en empirische evidentie niet (of nauwelijks) generaliseerbaar zijn over de verschillende geweldscategorieën, -domeinen, en -niveau’s. Als je bijvoorbeeld de oorzaken en dynamiek van crimineel geweld denkt te weten, dan weet je nog niets van de oorzaken en dynamiek van kindermishandeling, of van “intimate partner violence”, of van pestgedrag op scholen, of van terrorisme, of van oorlog, of van genocide.

In het volgende zal ik kort de lange-termijn trends in crimineel en politiek geweld bespreken met de nadruk op de geweldsontwikkelingen van de laatste vijfentwintig jaar, die zich vooral manifesteren als burgeroorlog en terrorisme.

 

Lange-termijn trends in (crimineel) geweld

Op de schaal van eeuwen moeten we constateren dat crimineel geweld (hier beperkt tot moord en doodslag) geleidelijk, maar onherroepelijk en dramatisch is afgenomen. Cijfers van Gurr (1981, 1989) en van Eisner (2001, 2003) laten in alle Europese landen een gestage daling zien van moord en doodslag. Waar gemiddeld genomen in de Middeleeuwen per 100,000 inwoners ongeveer 40 tot 50 slachtoffers vielen door moord en doodslag, is dat momenteel nog slechts 1 slachtoffer (Leistra & Nieuwbeerta, 2003: 19; Pinker, 2007). Verreweg de meeste plegers van moorden zijn (jonge) mannen: 3,0 op 100.000 mannen is dader en 0,3 op de 100.000 vrouwen. Mannen hebben dus een tienmaal zo grote kans dader te worden als vrouwen. Deze verschillen tussen mannen en vrouwen zijn constant over alle jaren (Leistra & Nieuwbeerta, 2003: 32-33; World Report on Violence and Health [WRVH], 2002). In het jaar 2000 stierf een geschatte 1,6 miljoen mensen als gevolg van geweld (hetgeen een voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer van 28,8 per 100.000 bevolking oplevert). Het grootste deel van deze geweldsslachtoffers leefde in lage-lonen landen (beter bekend als de Derde Wereld). Bijna de helft van deze 1,6 miljoen doden kwam om het leven door zelfdoding, ongeveer een derde door moord en doodslag, en ongeveer een vijfde door oorlogsgerelateerd geweld (WRVH, 2002). Dat mensen over het algemeen eerder geneigd zijn zichzelf te doden dan een ander is een op z’n minst opmerkelijke bevinding. Weinig bekend is dat huiselijk/familiaal geweld van alle geweldscategorieën wereldwijd de meeste slachtoffers eist. Deze cijfers vormen vrijwel zeker slechts het topje van de ijsberg. Niet-dodelijk fysiek en seksueel geweld – vrijwel geheel gepleegd door mannen – komt overal en dagelijks voor op een ongekende schaal maar vele malen meer dan het dodelijk geweld dat in de statistieken terecht komt.

Op de schaal van decennia is, volgens Human Security Brief (2006), het aantal gesneuvelden op het slagveld in interstatelijke oorlogen afgenomen van 65.000 per jaar in de jaren ’50 van de twintigste eeuw tot minder dan 2.000 in het huidige decennium. En volgens Harff (2003) is tussen 1989 en 2003 het aantal massamoorden op burgers met 90 procent gedaald.

Deze scherpe dalingen in de geweldsstatistieken gaan gepaard met een afnemende glorificatie en ‘glamourisatie’ van geweld, met een afnemende tolerantie van openbaar geweld, wreedheden, dierenmishandelingen, lijfstraffen, verkrachtingen in oorlogszones, ‘zinloos’ (of ontremmings)geweld, etc. (althans in de Westerse wereld).

Voor de verklaring van deze interessante cijfers wordt veelvuldig verwezen naar de theorie van het civiliseringsproces van Elias (1936) die een toenemende zelfcontrole impliceert; de logica van de anarchie en anomie van Hobbes (1651) (d.w.z. dat het geweldsmonopolie dat staten zich aanmeten inderdaad gewerkt heeft en nog steeds functioneert); en de expanderende morele cirkels van Peter Singer (1981) (Leistra & Nieuwbeerta, 2003: 22; Pinker, 2007).

 

Lange-termijn trend in oorlogvoering

De evidentie gepresenteerd door Van der Dennen (1981: 143-153) lijkt de notie te onderschrijven dat er een lange-termijn trend bestaat van afnemende frequentie en toenemende concentratie, magnitude, omvang, en intensiteit van de interstatelijke oorlogen sinds het einde van de vijftiende eeuw, toen het moderne Europese statensysteem ontstond, tot nu (d.w.z. een tendens van veel oorlogen met weinig slachtoffers naar minder oorlogen met veel slachtoffers, met de twintigste eeuw als meest verwoestende en bloedige culminatie). Anno 2008 is de interstatelijke oorlog vrijwel non-existent. De grootste oorlogsdreiging op dit moment is India-Pakistan en Israël-Palestina.

 

Collectief geweld

Het WRVH onderkent de volgende vormen van collectief geweld: (1) oorlogen, terrorisme en andere gewelddadige conflicten tussen en binnen staten; (2) staatsgeweld en -terreur zoals genocide, repressie, verdwijningen, martelingen en andere ernstige schendingen van de mensenrechten; en (3) georganiseerde misdaad zoals Maffia en drugkartels, en oorlogen tussen criminele bendes. In de twintigste eeuw zijn er volgens Sivard (1996: 7) zo’n 109,7 miljoen doden gevallen als gevolg van tenminste 250 oorlogen en collectief geweld, inclusief de beide wereldoorlogen, de stalinistische terreur, en de Grote Sprong Voorwaarts en Culturele Revolutie van maoïstisch China. Maar volgens Rummel (1997) 170 miljoen, tot zelfs 300 miljoen (inclusief alle geno-, demo-, en politicides). Bovendien vond Rummel dat zo’n 47 autoritaire regimes elk meer dan 100.000 van hun eigen burgers vermoordden in de twintigste eeuw (buiten de top twaalf van notoire genocidaire staten; zie Tabel 2). De periode sinds 1945 heeft alleen al zo’n 200 “major armed conflicts” gekend, waarvan 90 procent werd uitgevochten in ontwikkelingslanden (Scherrer, 1997: 25). De geïndustrialiseerde landen (waaronder veel democratieën) hebben meer dan 90 oorlogen uitgevochten sinds 1945, waaronder een aantal dekolonisatieoorlogen.

Hoewel gewapende conflicten tussen staten nog steeds voorkomen (bijv. Iran-Irak, Eritrea-Ethiopië, de Golfoorlog [Zwi, Garfield & Loretti, 2002: 218-219]), vindt het merendeel van de gewapende conflicten in toenemende mate binnen staten plaats (en voornamelijk in de landen van de Derde Wereld).

Frerks (2003: 13) constateerde dat de contemporaine intrastatelijke conflicten op minstens tien essentiële punten belangrijke verschillen vertonen met de ‘klassieke’ interstatelijke oorlogen: rol van de staat, conflictpartijen, type wapens en oorlogvoering, slachtoffers, steun onder de bevolking, duur en begin- en eindpunt, kosten, de rol van regels en internationaal recht. Enkele van deze verschilpunten zullen iets uitvoeriger aan de orde komen.

Heupel & Zangl (2004) vonden eveneens dat er inderdaad een transformatie van oorlogvoering heeft plaatsgevonden sinds het einde van de Koude Oorlog: “In contrast to the warfare of the 1980s, in the 1990s one can observe a privatization of the conflict parties, a criminalization of their war economies, and economization of their motives and a brutalization of their strategies”. Ook P.W. Singer (2003) presenteert een aantal transformatieprocessen: “Low intensity conflict, primarily taking place in global areas of transition, has often lost its ideological motivations and instead has become criminalized. In sum, warfare is undergoing several key transformations: ­diversification, technologization, civilianization, and criminalization – each of which creates opportunities for private firms to play increasing roles (P.W. Singer, 2003: 60-61)… The result is a potential complexification of conflict itself (2003: 62).

“The changing reality of the warrior ethos is another aspect of the trans­formation of contemporary warfare, termed by some as a breakdown in the ‘Warrior’s Honor’” (Ignatieff, 1999).

Het profit motive (hebzucht) is volgens vele bronnen de centrale motivator van de nieuwe oorlogen geworden, meer nog dan politieke, ideologische of religieuze inspiraties (bijv. Berdal & Malone, 2001; Münkler, 2005). Volgens Keen (2001: 2) is “Making money… an important – and increasingly prominent – aim in warfare”. En Allen (1999: 317) stelt: “In the ‘new wars’ seizure of assets like land or diamonds, gold and timber appear to be more important than military victories or the control of strategically significant areas… The reasons for the loyalty of the rank-and-file may have far more to do with opportunities for looting, than ideological or ethnic motives”, hoewel religieus/ideologisch fanatisme en indoctrinatie een rol kunnen spelen (bijv., bij het recruteren van kindsoldaten door megalomane krijgsheren – zoals Oeganda’s Verzetsleger van de Heer, LRA).

Volgens Münkler (2002, 2005) zijn de specifieke ontwikkelingen van de ‘nieuwe’ oorlogen (1) allereerst de onstatelijking of privatisering van militaire macht doordat lichte wapens voor een gering bedrag overal te koop zijn en er geen lange training nodig is voor hun gebruik. (2) Deze trend leidt tot grotere asymmetrie tussen de strijdende partijen. Er zijn geen fronten meer en geen veldslagen. Integendeel, de strijdende partijen ontzien elkaar en richten hun geweld op burgers. (3) de derde ontwikkeling van de ‘nieuwe’ oorlogen is de successievelijke autonomisering van vormen van geweld die voorheen deel uitmaakten van een militair systeem, met als gevolg dat de reguliere strijdkrachten de regie over de oorlog verloren hebben (Münkler, 2005: 3).

De contemporaine intrastatelijke gewapende conflicten (burgeroorlogen) worden algemeen beschouwd als een nieuwe ontwikkeling, vandaar termen en militaire eufemismen zoals “nieuwe oorlogen”; “etnische zuiveringen”; “guerrilla oorlogen”, “low intensity conflicts” (LICs), “brushfire wars”; “fourth-generation wars” (4GW), “protracted conflicts”; “intractable conflicts”; “asymmetrische oorlogen”; “low-tech wars”, “wars of the third kind”; “wilde Kriege”; “molecular civil wars”; “neo-Hobbesian wars”; “transnational insurgencies”; “non-state transboundary conflicts”, etc. “The term LIC itself is grossly misconceived. The same applies to related terms such as ‘terrorism,’ ‘insurgency,’ ‘brushfire war,’ or ‘guerrilla war.’ Truth to say, what we are dealing with here is neither low‑intensity nor some bastard offspring of war. Rather, it is WARRE in the elemental, Hobbesian sense of the word, by far the most important form of armed conflict in our time” (van Creveld, 1991: 22).

Volgens Kaldor zijn er vier bijzondere redenen die de term new wars rechtvaardigen, waarvan de voornaamste is dat deze new wars plaatsvinden “in regions where local production has declined and state revenues are very low, owing to widespread corruption. In this context the warring states seek finance from external sources, diaspora support, taxation of humanitarian aid and through negative redistribution of resources locally – looting, pillaging, enforcing unequal terms of trade through checkpoints and other restrictions, exhorting money, etc.” (Kaldor, 2000: 5-6). Maar het meest markante is wel dat “All of these sources of finance depend on continued violence. The consequence is a set of predatory social relations that have a tendency to spread” (2000: 6). “Because the various warring parties share the aim of sowing fear and hatred, they operate in a way that is mutually re-inforcing, helping each other to create a climate of insecurity and suspicion” (1999: 9). “Oorlog is dus niet ‘subrationally unthinkable’ (Mueller, 1989: 240). Integendeel, het lijkt eerder de ultima ratio in een fragmenterende Hobbesiaanse wereld” (Osinga, 2001: 462).

De meeste strijders in deze ‘nieuwe’ oorlogen (zoals ze door Kaldor [1999, 2000], Münkler [2002, 2005], en vele anderen werden genoemd) zijn jonge mannen, soms nog teenagers, of zelfs kinderen. De meeste slachtoffers zijn geen vijandelijke medestrijders maar non-combattanten (burgers, vooral vrouwen en meisjes), die worden blootgesteld aan oorlogsmisdaden, groepsverkrachtingen, plunderingen, opzettelijke hongersnoden, en landmijnen. Er is dikwijls sprake van opzettelijke extreme geweldsdaden om de bevolking te intimideren, te demoraliseren en te terroriseren. The practice of ‘ethnic cleansing’ – driving people from their homes by terror and atrocities – has become an ominous feature of post-modern warfare and can now be found in many places, e.g., former Yugoslavia, the Caucasus, the Great Lakes region of Central Africa and the Rift Valley in Kenya” (Jongman & Schmid, 1998).

De scheidslijn tussen crimineel en politiek geweld is dikwijls verdwenen, en de ‘nieuwe’ strijders zijn eerder te typeren als moordenaars en rovers dan als soldaten. Some states are no longer unitary actors with one people, one government, and one army all moving in the same direction. Rulers distrusting their military might ‘dial an army’ from foreign mercenary supply firms like Executive Outcomes or Sandline International to settle local power struggles” (Jongman & Schmid, 1998; Shearer, 1998; P.W. Singer, 2003). Bovendien “In wars between communities as opposed to armies, everyone is automatically labeled a combatant merely by virtue of their identity” (Holsti, 1996: 39).

Volgens (Frerks, 2001: 501) kunnen de huidige conflicten worden aangeduid als complexe politieke noodsituaties (complex political emergencies of CPEs), die worden gekenmerkt door meervoudige oorzaken en gevolgen, die elkaar weer onderling versterken. Goodhand & Hulme (1999: 16) stellen terecht: “Contemporary conflicts are not merely complex, they are… messes”. Geweld blijkt geen kortstondige, voorbijgaande aberratie; integendeel: “We zullen, althans in veel ontwikkelingslanden, waarschijnlijk eerder moeten uitgaan van een situatie die zich misschien wel structureel en chronisch kenmerkt door maatschappelijke en politieke instabiliteit en economische en institutionele zwakte, of een waarin de staat nauwelijks of in het geheel niet meer functioneert (de zogeheten failed of collapsed states)” (Frerks, 2001: 501-502).

“Ten slotte ontstaat er ten gevolge van deze conflicten een bloeiende political economy of violent conflict, of geweldseconomie, met een duidelijke internationale verwevenheid”. De wapenhandel, de drugshandel en -smokkel, en het plunderen van schaarse natuurlijke hulpbronnen (bloeddiamanten, olie, coltan [columbo-tantaliet], hout, ivoor, goud) zijn recente voorbeelden. “Voorts zijn deze conflicten gewoonlijk langdurig en zijn ze een uitdrukking van bestaande sociale, politieke, economische en culturele structuren en breukvlakken. Tenslotte is er sprake van ‘roofzuchtige sociale formaties’ geleid door krijgsheren en ‘conflict entrepreneurs’ die zich op basis van geweld en criminele praktijken verrijken ten koste van de bevolking… Het is deze economy of violence die het geweld en de noodsituaties in het algemeen bestendigt, vanwege de aanzienlijke belangen die hiermee zijn gemoeid” (Frerks, 2001: 503, 505).

 

Macrokwantitatieve studies

De macrokwantitatieve studies van het ‘nieuwe’ geweld spreken elkaar veelvuldig tegen: zo zijn er studies waarin geen enkele economische indicator correleert met burgeroorlogen of terrorisme, terwijl andere studies juist de oorzaken van alle (burger)oorlogen en terrorisme in economische factoren (overvloedige minerale rijkdommen, armoede, inkomensongelijkheid) situeren. Noch de ‘greed’, noch de ‘grievance’ school kan alle fenomenen van de ‘nieuwe’ oorlogen verklaren. Etnische diversiteit is gecorreleerd met conflict in sommige studies (Rummel), terwijl etnische homogeniteit is gecorreleerd met conflict in andere studies (De Soysa), etc. Kwantitatief empirisch onderzoek suggereert dat een hoog niveau van sociale, religieuze, of etnische polarisatie noch een noodzakelijke noch een voldoende voorwaarde is voor het uitbreken van een burgeroorlog (bijv. Fearon & Laitin, 2000; Laitin, 2001; Collier et al., 2003; Kalyvas, 2006). Desondanks zijn vele theorieën gebaseerd op polarisatie en cleavages. Een lichte mate van politieke liberalisatie leidt tot conflict, maar hogere maten van liberalisatie verlagen het risico aanzienlijk (hetgeen de visie versterkt dat conflict meer wordt bepaald door opportunisme dan door grievance).

Volgens Bannon & Collier (2003) en Collier et al. (2003), in hun rapport Breaking the conflict trap, denkt men ter rechterzijde van het politieke spectrum dat burgeroorlogen wortelen in etnische en religieuze haat. In het politieke centrum is de veronderstelde oorzaak te weinig democratie, en ter linkerzijde figureren ongelijkheid en kolonialisme als oorzaken. Maar geen van deze drie verklaringen strookt met data uit 52 burgeroorlogen (tussen 1960 en 1999). Wél significante factoren zijn de hoogte van het inkomen, de groei daarvan en de aanwezigheid van natuurlijke rijkdommen als olie, diamanten en hout. Een verdubbeling van het inkomen per hoofd halveert het risico op conflicten, blijkt uit statistische analyse.

Het vatbaarst voor een burgeroorlog zijn de ‘gemarginaliseerde’ landen – landen met een zeer lage welvaart, een incapabel en vaak corrupt bestuur en een export die vooral uit grondstoffen bestaat. Tijdens de jaren negentig van de vorige eeuw daalde het gemiddelde welvaartspeil in deze groep, met landen als Ivoorkust en Sierra Leone.

De tweede hoge-risicogroep bevat landen de “gevangen zijn in conflict”, ofwel landen waar eenmaal een burgeroorlog is geweest. Door de verwoestende werking van een gewapende strijd op economische structuren, en door de geringe inspanning van de internationale gemeenschap bij de wederopbouw, herhalen veel burgeroorlogen zich na korte tijd.

“Natuurlijke rijkdommen zijn vaak een vloek (resource curse)”, stelt Bannon. Na de vondst van olie stijgt het risico op een militant afscheidingsbeweging sterk. Dit gebeurde in Angola, Indonesië en Nigeria. Rebellen financieren hun oorlog vaak met diamanten-, hout-, olie- of cocaïnesmokkel – als ze niet door een rijk individu zoals Osama bin Laden, of door ‘de diaspora’, d.w.z. sympathiserende landgenoten in het buitenland, worden gefinancierd (VK, 15-05-03; cf. Münkler, 2005: 7). De literatuur over onciviele oorlogen behandelt greed en grievance meestal in antagonistische termen van ‘of-of”. Korf (2005) stelde een dialectische dynamiek voor waarbij conflict, greed en grievance causaal zijn verbonden en elkaar wederzijds versterken: “in the political economy of conflict, greed and grievances may be causally linked and reinforce each other… These ethnicized entitlements satisfy greed for some war winners and feed grievances among those at the losing end” (Korf, 2005: 201). Collier en zijn medewerkers lijken overigens steeds meer geporteerd voor wat zij hun feasibility hypothesis beyond greed and grievance noemen: daar waar een rebellie financieel en militair uitvoerbaar is zal die ook uitbreken.

De relatie tussen democratie en de frequentie van burgeroorlogen is waarschijnlijk U-vormig. De waarschijnlijkheid van het vóórkomen van burgeroorlog is het laagst zowel in geëtableerde, goed functionerende democratieën als in perfecte autocratieën (dictaturen). In de tussenstadia van democratie en autocratie, en in democratiserende landen, is de kans op burgeroorlogen en anti-regime conflicten het grootst. Het democratiseringsproces is derhalve niet noodzakelijk een vredesbevorderende onderneming (Murshed, 2001).

Een robuuste bevinding van het kwantitatieve onderzoek is dat democratieën na 1945 niet of nauwelijks elkaar beoorlogen. Over het hoe en waarom van deze zogenaamde “democratische vrede” wordt druk gespeculeerd - maar een simpele reden zou kunnen zijn dat democratieën voornamelijk in de welvarende westerse wereld voorkomen en weinig incentieven tot oorlog hebben (zij hebben hun conflicten voornamelijk in de negentiende en twintigste eeuw al uitgevochten). Anderzijds onderscheiden democratieën zich nauwelijks van autoritaire regimes als hun tegenstander geen democratie is - de “body bag” hypothese heeft duidelijke beperkingen.

Bijna alle oorlogen van de afgelopen vijfentwintig jaar hebben zich afgespeeld in de marges en de breuklijnen van de voormalige imperia die tot het eind van de Eerste Wereldoorlog de wereld beheersten en verdeelden: de Balkan (de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie versus het Ottomaanse Rijk), de Kaukasus (Tsaristisch Rusland versus het Ottomaanse Rijk), en het Midden Oosten (Münkler, 2005: 5).

De meerderheid van de interne gewapende conflicten werd zonder interventie van derde partijen uitgevochten. Als er interventies werden gepleegd dan was dat grotendeels ten gunste van de aangevallen partij (meestal de staat of de regering), en niet ten gunste van de aanvallende partij (meestal de separatisten, guerrillero’s, ‘terroristen’, etc.). Dit zou verklaard kunnen worden uit het feit dat de interventiemachten zelf staten of regeringen zijn en geen belang hebben bij uitdagingen van de status quo. Als van alle interventies de balans wordt opgemaakt, dan kan gelden dat ze of militaire successen waren maar politieke mislukkingen, of militaire mislukkingen vanaf het begin.

De oorlogen sinds de Tweede Wereldoorlog duurden of kort (minder dan zes maanden), of – veel frequenter – hadden de neiging zich over jaren en jaren uit te strekken. Een goed voorbeeld van een dergelijk protracted conflict is het Israël-Palestina conflict dat voorlopig nog muurvast zit in wederzijdse vergelding.

Nog slechts een vijfde van alle gewapende conflicten wordt door de aanvallende partij gewonnen. Dit is in vroeger tijden – toen oorlogen (als georganiseerde rooftochten) nog wel eens economisch konden lonen – wel anders geweest (Gantzel & Schwinghammer, 1995).

Alles bij elkaar eisten de 184 (burger)oorlogen die er tussen 1945 en 1992 werden uitgevochten een tol van 17 miljoen oorlogsdoden, of een gemiddelde van 354,000 doden per jaar. Dit betekent uiteraard dat het totale aantal slachtoffers van deze oorlogen vele malen hoger ligt, waarschijnlijk zelfs meer dan 50 miljoen als de regel geldt dat voor elke dode drie gewonden vallen. En het aantal vluchtelingen en indirecte slachtoffers valt nog hoger uit, en is alleen maar in grove getallen te schatten.

De inventarisaties van gewapende conflicten zoals jaarlijks gepubliceerd door SIPRI en voorheen door Jongman en Schmid (World Conflict Map) zijn onvergelijkbaar door de geheel verschillende criteria en operationalisaties die werden gebruikt. In de jaren rond 2000 woedden er volgens Wallensteen & Sonnenberg (2000) per jaar slechts enkele tientallen ernstige conflicten, terwijl Jongman & Schmid (1998, 2001) rond de 140 HICs en LICs en enkele honderden “political  tension situations” rapporteerden.

 

Politiek geweld en ‘moderniteit’

Kershaw (2005) stelde dat het eerste deel van de twintigste eeuw wordt gekenmerkt door ultra-geweld (of mega-geweld), ondanks de Chinese Culturele Revolutie, de Khmer Rouge auto-genocide in Cambodja, en de Hutu-Tutsi genocide in Rwanda, die zich allemaal in de tweede helft van de twintigste eeuw afspeelden. Hij stelde daarvoor de ideologie die een heel volk collectief tot ‘de vijand’ kon degraderen verantwoordelijk. Het dodelijkst was de vermenging van etnische of volkssoevereiniteit met nationalistische ideologie. De tweede dodelijke ideologie was koloniaal imperialisme, en de derde utopisch socialisme.

Een relatief laag niveau van politiek geweld voor het twintigste-eeuwse interbellum blijkt samen te hangen met de volgende condities: (1) diepgewortelde democratische structuur, waarden en normen; (2) het behoren tot de winnende kant (of neutraliteit) van de Eerste Wereldoorlog; (3) weinig ideologisch conflict met daarmee samenhangende afwezigheid van revolutionair of contrarevolutionair potentiaal; (4) afwezigheid van territoriale conflicten, disputen of omstreden claims; (5) vervulde, of afwezige, imperialistische ambities; en (6), tenslotte, een besef van nationale identiteit meer gebaseerd op constitutionele statelijkheid dan op etniciteit en/of cultuur.

In navolging van Bauman (1989), Mann (1999, 2005), en mogelijk ook Kennedy (1987) en Ferguson (1999, 2006), verklaart Kershaw de explosie van staat-gesponsord geweld van de eerste helft van de twintigste eeuw uit ‘moderniteit’: wat ze verder ook zouden kunnen zijn, etniciteit en nationalistische ideologie, en statelijke bureaucratie en planning (plus wetenschap en technologie) zijn a fortiori modern. Voor Mann kon ethnic cleansing vrijwel volledig worden verklaard uit “de donkere kant van de democratie”.

“Was there simply more violence in the twentieth century? Or was it qualitatively different from what had gone before, more modern? Most experts on genocide agree in stressing its modernity. Michael Mann, above all, has argued – convincingly to my mind – that the mass killing of civilians (or less murderous brutal persecution and ‘cleansings’) on ideological grounds ‘in the name of the people’, whether ethnically driven (as against Armenians, Jews, Bosnian Muslims, Albanian Kosovans or Rwandan Tutsis) or class-driven (as in Stalinist anti-Kulak terror or Pol Pot’s ‘classicide’) forms a crucial component of what makes modern political violence modern” (Kershaw, 2005: 117; cursief in origineel). De Holocaust is feitelijk ondenkbaar zonder moderne staatsbureaucratie. Ook voor Wasserstein (2007), in zijn ‘brede visie’ op de twintigste eeuw, geldt dat barbarij en civilisatie twee kanten zijn van dezelfde medaille.

Drie factoren droegen bij aan de relatieve geweldloosheid van de naoorlogse periode in Europa: (1) de Koude Oorlog die als integrerend en stabiliserend element diende; (2) een nieuwe Gouden Eeuw met ongekende rijkdom; en (3) de afwezigheid van etnische wrijvingen en conflicten die vroeger tot gewelddadige uitbarstingen zouden hebben geleid. Aan deze laatste factor kwam een abrupt eind met de implosie van het Sovjet blok in 1989-90 en de destabilisatie van ex-Joegoslavië na de dood van Tito in 1980 die resulteerde in een nieuw en gewelddadig nationalisme, vooral onder de Serviërs (Kershaw, 2005: 120-121).

Vanaf het begin van de 21ste eeuw, na de misdadige/terroristische/oorlogszuchtige aanslagen op de twin towers van het WTC in New York, is de mensheid een nieuwe fase van politiek geweld ingegaan. “Terrorism is in many parts of the world, however appalling, however reprehensible, however detestable, generally the resort of the weak, not the strong, in an unequal struggle… Kalashnikovs are cheap; Semtex is cheap; and… there is no shortage of would-be martyrs for the cause, ready if need be to blow themselves to smithereens along with their targets (who are often innocent civilians, regarded, however, as part of the ‘enemy’)” (Kershaw, 2005: 122). Over het waarom van deze “no shortage of would-be martyrs” laat de auteur zich, helaas, niet uit.

 

‘Nieuwe’ oorlogen en ‘nieuwe’ doders?

In 1424, tijdens de Slag bij Zagonara, sneefden de condottiere Lodovico degli Obizzi, met twee van zijn krijgsgezellen, maar niet door krijgsgeweld, maar doordat ze per ongeluk van hun paard vielen en door het gewicht van hun harnassen stikten in de modder (Rapoport, 1980: 28). De slag verliep geheel bloedeloos. De condottieri hadden er belang bij om zo weinig mogelijk manschappen te verliezen. Niccolo Machiavelli fulmineerde tegen deze ‘nieuwe’ oorlogen in zijn pleidooi voor een stadsmilitie in plaats van deze militaire uitvreters.

Ongeveer twee eeuwen later, tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) is het oorlogsbedrijf gedegenereerd in schier ongebreideld geweld van ongeveer iedereen tegen ongeveer ieder ander. Er wordt op grote schaal, en dikwijls op een gruwelijke manier, gemoord, geroofd, geplunderd, gebrandschat, gemarteld, verkracht, en gemolesteerd. Howard (1976: 37) schrijft over deze ‘nieuwe’ oorlog: “In the Thirty Years War warfare reached the nadir of brutality and pointlessness portrayed in the etchings of Callot and the black humour of Grimmelshausen’s prose. In order to survive at all, mercenary forces had to batten on the civil population. In order to survive at all civilians in their turn, their homes burned and their families butchered, had to turn mercenary. A soldier, in this period, was well described as a man who had to die so as to have something to live on… It was a period in which warfare seemed to escape from rational control; to cease indeed to be ‘war’ in the sense of politically-motivated use of force by generally recognized authorities, and to degenerate instead into universal, anarchic, and self-perpetuating violence”.

In zijn boek Die Neuen Kriege (2002) bespreekt en analyseert Münkler de Dertigjarige Oorlog uitvoerig, en trekt hij een expliciete parallel met de ‘nieuwe’ oorlogen van deze tijd, eveneens gekenmerkt door universeel, anarchistisch en zichzelf instandhoudend geweld, waarbij geen enkele van de betrokken actoren (om de term ‘combattanten’ te vermijden) belang heeft bij de beëindiging van het conflict. In de ‘conventionele’ of ‘reguliere’ oorlog is de overwinning een belangrijk doel van de oorlogvoerende partijen. In de nieuwe uitzichtloze conflicten kan winnen niet eens het doel zijn van de betrokkenen, vanwege verborgen economische agenda’s van afpersing, beroving en plundering – hetgeen de voorzetting van het conflict een prominent doel maakt. Keen (2001: 2) stelt: “Rather than simply being concerned with ‘winning’, many of those helping to shape violence during a conflict have other aims, aims which foster a limited but very enduring violence”. In dit opzicht, becommentarieerde Frerks (2001: 511) “heeft deze vorm van protracted conflict zijn eigen cynische functionaliteit en rationaliteit”.

Het is duidelijk, zo betoogt Münkler (2002: 163), “dass in vielen der neuen Kriege politische Konflikte, die anfangs im Mittelpunkt gestanden haben mögen, im Verlauf des Krieges zunehmend von ökonomischen Interessen überlagert werden. Je länger ein Krieg dauert, desto stärker tritt die Ökonomie der Gewalt als eine das Handeln der Akteure bestimmende Macht hervor, und dabei verwandelt sie die ursprünglichen Motivationen mehr und mehr in Ressourcen eines verselbständigten Krieg”.

Daar komt bij dat huurlingen en private security corporations een steeds grotere rol spelen en steeds meer materieel belang hebben bij het voortbestaan van de gewapende conflicten, en daardoor bijdragen aan de verloedering en ‘immoralisering’ van de strijd: “Although soldiers often serve to prevent wars, mercenaries require wars, which necessarily involves their casting aside a moral attitude toward war” (P.W. Singer, 2003: 41). De voornaamste aanleiding voor de privatisering van militaire diensten was de enorme toename van gewapende conflicten sinds het einde van de Koude Oorlog. Een andere ontwikkeling van de internationale veiligheidsmarkt was de vloedgolf aan voormalige soldaten. Drie patronen kunnen worden onderscheiden in deze expansie van gewelddadige conflicten. Het eerste is de implosie en collaps van staten. Het tweede patroon is dat, ondanks de algehele tendens naar meer burgeroorlogen, veel landen weer interstatelijke oorlogen gaan voeren (meestal over territoriale aanspraken). En tenslotte de globalisering, die slachtoffers eist: “This ‘globalization,’ however, while it has rewarded many, has not produced a homogenous world economy or culture. Instead, it has left many behind. From the 1.3 billion who live in poverty to the 800 million presently starving, the dimension and magnitude of global human insecu­rity is stunning in all its measures” (P.W. Singer, 50-51).

Oorlog is altijd ‘nieuw’; oorlog verandert voortdurend van gestalte – een transformatie of metamorfose die niemand voorheen voorzien had. Maar de ‘nieuwe’ oorlogen van na de Tweede Wereldoorlog, of in elk geval na 1989, hebben inderdaad een karakteristiek gezicht.

Tegenwoordig, anno 2008, zijn vrijwel alle oorlogen burgeroorlogen (etnonationale of etnopolitieke conflicten, antiregime-oorlogen of secessionistische of irredentistische oorlogen, enz.), gevoerd binnen de grenzen van een – voornamelijk Derde Wereld – (natie)staat (bijv. Van Creveld, 1991; Snow, 1996, 1997; Geller & Singer, 1998; Byman & Van Evera, 1998; Allen, 1999; Goodhand & Hulme, 1999; Kaldor, 1999; Collier, 2000; Collier & Hoeffler, 2000; Duffield, 2000; Wallensteen & Sonnenberg, 2000; Douma, 2001; Frerks, 2001, 2003; Keen, 2001; Murshed, 2001; Osinga, 2001; Addison & Murshed, 2002; Møller, 2002; Zwi, Garfield & Loretti, 2002; Ballentine & Sherman, 2003; Bannon & Collier, 2003; Collier et al., 2003; Fearon & Laitin, 2003; Gat & Maoz, 2003; Scholte, 2005). Aldus heeft de burgeroorlog (uncivil war in Snow’s toepasselijke terminologie) internationale of interstatelijke oorlog (de ‘trinitaire’ oorlog van Von Clausewitz) als dominante vorm van oorlog en bijna als enige vorm van oorlog vervangen, toepasselijk door Kaldor (1999) gekarakteriseerd als een mengsel van (guerrilla)oorlog, georganiseerde misdaad en grootschalige schendingen van mensenrechten.

Als de belangen en motieven van de strijdende partijen (de belligerenten) in ogenschouw worden genomen dan kunnen ook oorlog en burgeroorlog als producten van rationele beslissingen worden beschouwd – zij het dan van een kortzichtige en zelfzuchtige rationaliteit.

Het overgrote merendeel van al deze burgeroorlogen en interne gewapende conflicten – voornamelijk etnische afscheidingsconflicten en anti-regime guerrilla’s (zie Tabel 3) – vond en vindt plaats in de lage-inkomsten landen van de Derde Wereld – ook wel, optimistisch, ontwikkelingslanden genoemd – waar oorlog als integraal bestanddeel van falende staatsvorming, onvoldoende maatschappelijke integratie, en mislukte modernisering (“development failures” in de woorden van Murshed) kan worden beschouwd. Oorlog in de krotten van de Derde Wereld; vrede in de paleizen van de welvarende (en grotendeels democratische) landen van het kapitalistische Westen: “Peace for the West, war for the rest”.

Naast dat ze numeriek dominant zijn, zijn de recente onciviele oorlogen (inclusief dekolonisatieoorlogen) ook veel bloediger dan enig andere oorlog sinds 1945 gevochten (van Creveld, 1991: 20-21). Hebzucht (greed) kan onciviele oorlog aansturen, maar armoede en grieven (grievance) spelen eveneens een rol, hoewel potentiële rijkdom, volgens Münkler, veel significanter is als oorzaak van de nieuwe oorlogen dan chronische armoede. Frerks (2001: 510) stelde al vast dat het gezegde “poverty breeds conflict” niet langer meer door iedereen wordt onderschreven. In veel van deze landen concurreren de krijgsheren met elkaar en/of overheidsstrijdkrachten over economisch surplus en/of (monopoliseerbare, ‘plunderbare’) minerale bodemschatten, grondstoffen en hulpbronnen en/of het recht belasting te heffen, verwant aan gang(ster)oorlogen. Een informele gecriminaliseerde economie is ingebouwd in het functioneren van de ‘nieuwe’ oorlogen.

De hedendaagse uitzichtloze conflicten zijn slordig en complex: er is geen duidelijk onderscheid tussen politiek en crimineel geweld meer; niet meer een duidelijk onderscheid tussen de ‘oorlogvoerende’ partijen in kwestie (iedereen is een potentiële vijand die elk moment kan doden); er is niet langer een duidelijk slagveld of ‘theater’ van oorlog (oorlog is gefragmenteerd, de “killing zone” is overal); er is niet meer een duidelijk begin of eind aan het conflict, het is vaak niet mogelijk de grens aan te wijzen waar geweld begint en vrede ophoudt en vice versa; er is zelfs niet meer een duidelijk idee waar het conflict ook alweer over ging, of wat de casus belli zijn. “… there are no fronts, no campaigns, no bases, no uniforms, no publicly displayed honors, and no respect for the territorial limits of states” (Van Creveld, 1991: 202).

Internationale afspraken en regels (bijv. van geweldsproportionaliteit) zijn nauwelijks van toepassing op deze conflicten, en er is geen duidelijk begin en eind aan de vijandelijkheden (door middel van een formele oorlogsverklaring en een vredesakkoord) en er zijn nauwelijks geformaliseerde procedures. De oorlogvoering gebeurt verspreid en is gefragmenteerd, er is niet een duidelijk slagveld of theater of war.

De lichte en kleine wapens (zoals Kalasjnikovs en draagbare raketwerpers) zijn de favoriete wapens. Zelfs ‘primitieve’ wapens, zoals de machete of kapmes, kunnen bijdragen tot massale menselijke vernietiging, zoals de genocide in Rwanda in 1994 liet zien (bijv. Prunier, 1995). “In Rwanda the organizers of the Tutsi genocide ordered their militia to kill not with automatic weapons but with machetes, thereby also making use of the passion of slaughter to establish solidarity among the murderers” (Sofsky, 2003: 165).

Favoriet zijn guerrillatactieken (hit and run) en onverhoedse overvallen, met inbegrip van systematische verkrachting, etnische zuivering en opzettelijke hongersnoden. Er is nauwelijks enig onderscheid tussen reguliere soldaten, paramilitaire eenheden, guerrillero’s, criminele bendes, locale ‘warlords’, terroristen, huurlingen, doodseskaders, geheime politie, ongeregelde troepen, deserteurs, rebellen en burgers (Peters, 1994: 16; Holsti, 1996: 20; Kaldor, 2001: 8; Osinga, 2001: 463; P.W. Singer, 2003: 52; Tilly, 2003: 58). Het is vaak gezegd dat terroristen geen gezicht en geen adres hebben. Alles is vaag, rommelig en smerig.

Het enige patroon dat te ontdekken valt is dat de strijdende partijen de neiging hebben zich te organiseren langs religieuze, tribale of etnische breuklijnen. “The sides involved in contemporary armed conflicts… often follow the boundaries of pre-existing communal – religious, local and notably ethnic – groups. Even scholars who reject that conflicts are ‘ethnically caused’, agree that contemporary armed conflicts are indeed regularly ethnically patterned (Collier, 2003: 40; Mueller, 2001: 98, 117). Frequently the political issues involved are furthermore also ethnically framed by the involved parties and outsiders alike” (Scholte, 2005: 7; cf. Kaplan, 1994). “Most contemporary civil wars in developing countries have an ethnic dimension, in the sense of well-defined and ethnically distinct groups fighting one another. One reason is that it resolves the collective action problem of mobilizing groups to fight one another” (Murshed, 2001: 2).

 

Motieven en oorzaken van de ‘nieuwe’ oorlogen

De oorzaken van onciviele oorlogen (de constellatie van causatieve factoren) verschillen van die van internationale oorlogen. Byman & Van Evera (1998) veronderstelden dat zeven oorzaken van burgerlijk geweld er uit sprongen tijdens de Koude Oorlog en de perioden na de Koude Oorlog. Die zijn: 1. The collapse of post-Second World War empires; 2. A lack of regime legitimacy; 3. State weakness; 4. Communal hegemonism; 5. Revolutionary ideology; 6. Aristocratic intransigence; 7. Superpower proxy wars. “Andere mogelijke oorzaken zijn gebrek aan water, voedsel en economische bronnen van welvaart en een uiterst ongelijkmatige toegang tot en verdeling van deze schaarse bronnen (Homer-Dixon, 1994). Economische factoren zijn dus een belangrijke oorzaak van conflicten” (Osinga, 2001: 459).

Volgens het WRVH (2002) zijn de risicofactoren voor collectief geweld: (1) politieke factoren (gebrek aan democratische processen, ongelijke toegang tot politieke macht); (2) economische factoren (grote ongelijkheid in de verdeling van hulpbronnen en grondstoffen, ongelijke toegang tot hulpbronnen, monopolisering van cruciale hulpbronnen, monopolisering van drugsproductie en drugshandel); (3) maatschappelijke en technologische factoren (ongelijkheid tussen groepen, groepsfanatisme langs etnische, nationale of religieuze breuklijnen, de beschikbaarheid van lichte vuurwapens en ander wapentuig; (4) demografische factoren (snelle demografische veranderingen zoals in bevolkingsdichtheid en bevolkingsopbouw – grotere proportie jonge mannen – in combinatie met het onvermogen van de staat om voldoende scholing en werkgelegenheid te verschaffen. Ook andere bronnen vinden dat snelle demografische veranderingen kunnen bijdragen aan gewelddadige conflicten (Zwi, Garfield & Loretti, 2002: 220-222). Møller (2002: 15) noemt deze demografische druk een Malthusian squeeze. Tenslotte vormt een onevenwichtige opbouw van de bevolkingspiramide, door excessieve aantallen jonge mannen (de zogeheten youth bulges) een demografische tijdbom (Heinsohn, 2008). Urdal (2006), onder anderen, vond robuuste empirische ondersteuning voor de hypothese dat youth bulges bijdragen aan het risico op alle vormen van politiek geweld.

De voornaamste motieven voor gewapende conflicten tijdens de periode na de Tweede Wereldoorlog waren (a) territoriale (grens)conflicten in het geval van internationale oorlogen, en (b) machts- en autoriteitsconflicten in het geval van interne (burger)oorlogen. Hier ging en gaat het om de politieke machtsverhoudingen binnen een staat of conflicten over de staatsvorm. Conflicten over autonomie, afscheiding (secessie), irredentisme (Heim ins Reich), etc. vertonen zowel territoriale als machtspolitieke aspecten. Het lijkt er derhalve op dat de staatsvorming, staatsmacht en territoriale definitie van statelijke autonomie en soevereiniteit de belangrijkste oorzaken zijn van de huidige oorlogen (Gantzel & Schwinghammer, 1995). Wellicht een schrale troost is te bedenken dat het geweldsmonopolie van de staat niet de regel is in de wereldgeschiedenis maar de uitzondering (Van Creveld, 1991; P.W. Singer, 2003).

 

Spoils politics

Veel auteurs zien een zwakke staat, fragile state of failed state of collapsed state als een prominente factor in het ontstaan van de huidige conflicten zien (bijv. Kaplan, 1994; Holsti, 1996; Kaldor, 1999; Ignatieff, 2000; Douma, 2001). Allen (1999: 377) heeft in dit verband voor Afrika opgemerkt dat de fundamentele factor bij het process van state collapse een degenererend systeem van spoils politics is: “Spoils politics occurs when the primary goal of those competing for political office or power is self-enrichment”. In veel gevallen staat het overleven van de machthebbers op het spel (anno 2008 bijv. Mugabe). “In deze fase, aldus Allen, worden etnische tegenstellingen aangewakkerd en neemt geweld intensieve en endemische vormen aan. Geweld wordt het belangrijkste middel van politiek actie en politiek valt samen met geweld” (Frerks, 2001: 508). Geweld wordt een way of life. Oorlogsgeweld degenereert in “one big torture machine whose purpose is to produce pain and suffering but not to enforce a political will” (Münkler, 2005: 86).

 

 

Economische ongelijkheid

Ongelijkheid in inkomen en ontplooiingsmogelijkheden (door bijv. discriminatie en/of onderdrukking) vormt gewoonlijk de basis van collectieve grieven die uiteindelijk in politiek geweld en burgeroorlog culmineren. Maar we zien niet noodzakelijk geweld in landen met verticale of homogene ongelijkheid, maar wel in die landen waar door etnische of andere sociopolitieke groeperingen een grote mate van horizontale ongelijkheid wordt waargenomen en aan den lijve ondervonden (bijv. ongelijke toegang tot scholing, gezondheidszorg, werkgelegenheid, etc.). Voor het uitbreken van een burgeroorlog is bereidheid tot collectieve en georganiseerde actie van de onderdrukten nodig. De organisatie van het collectieve ongenoegen wordt gewoonlijk door professionele conflictondernemers (conflict entrepreneurs) of krijgsheren (of soms charismatische leiders) op zich genomen. Ongelijkheid in landbezit en/of inkomen in agrarische samenlevingen vormt een rijke voedingsbodem voor gewelddadige opstanden – de Chiapas rebellie in Mexico (1994) is daar een voorbeeld van. De grieven worden nog eens versterkt als er een etnische dimensie bijkomt. Ook het schaamteloos profiteren van sociopolitieke elites (dikwijls een bepaalde etnische groep) ten koste van de uitgebuite armen en onderdrukten in gefragmenteerde samenlevingen vormt een overvloedige bron van grieven en potentieel geweld.

In landen waar minerale, of andersoortige hulpbronnen (point resources of lootable resources) relatief gemakkelijk gemonopoliseerd kunnen worden vormt pure hebzucht (van avontuurlijke krijgsheren of andere opportunistische geweldsspecialisten) – nog eens bovenop armoede en grieven – een bron van ellende. In Angola bijv. hebben zowel olieboringen als diamantmijnen beide partijen in de burgeroorlog (de MPLA regering en de UNITA rebellen) de gelegenheid geboden tot een schier oneindig en onoplosbaar conflict (protracted warfare), terwijl de relatieve vrede in Mozambique het simpele gevolg zou kunnen zijn van het ontbreken van betwistbare en toe te eigenen minerale afzettingen. In andere gevallen beconcurreren krijgsheren elkaar om economisch surplus of het recht de burgerbevolking te exploiteren - zoals in gang(ster)-oorlogen (Murshed, 2001; Addison & Murshed, 2002; Van der Dennen & Van Iterson, 2002).

Het plunderen of confisqueren van humanitaire hulpkonvooien voor de slachtoffers van hun eigen geweld is, tot slot, een bron van inkomsten voor krijgsheren en criminele bendes. “… warlords and militia leaders can also use the media presentation of hunger and poverty to start up international relief supplies of food and medicine from which their own fighters can be given first choice” (Münkler, 2005: 97-98; zie ook Polman, 2008; Collier, 2003: 41-42; Collier & Hoeffler, 2001: 1, 16; Kaldor, 2001: 101-104; Keen, 2001). Maar de rol van economische factoren in de ‘nieuwe’ oorlogen moet niet overdreven worden: “… much of contemporary conflict-related violence largely exceeds any economic logic. The torture, mutilation and sexual violence common to contemporary armed conflicts serve no economic goal” (Scholte, 2005: 18). Ook volgens Frerks (2003: 18; cf. 2001: 509, 513) doet een eenzijdige nadruk op economische motieven onvoldoende recht aan de niet-materiële aspecten en motieven van conflict.

Eilanden van overvloed in een oceaan van schaarste (d.w.z. arme landen met kostbare delfstoffen) kunnen eveneens tot (burger)oorlog leiden. Meestal zijn dat afscheidingsoorlogen om te voorkomen dat rijke provincies hun welvaart moeten delen met de armoedige rest, zoals Katanga in de vroege jaren zestig van de vorige eeuw. “Finally, one country’s riches may be seen by neighbouring countries as a prize to be looted” (Møller, 2002: 15-16). Anderzijds zijn er vaak spill-over-effecten, waarbij andere landen bij een interne machtstrijd kunnen worden betrokken, waardoor de vrede en stabiliteit in hele regio’s kunnen worden bedreigd.

 

Conflict als gevolg van falende staatsvorming

Wat rogue states zijn voor de internationale onveiligheid, zijn failed states voor de nationale onveiligheid. Interetnisch conflict kan ook worden verklaard in termen van falende staatsvorming. Het falen van de staat om publieke goederen te verzorgen of veiligheid te garanderen dwingt burgers ertoe terug te vallen op hun meer betrouwbare etnische bindingen. Dit kan leiden tot conflicten tussen de verschillende etnische groepen om hulpbronnen en/of gewapende rebellie tegen de staat of staatsorganen. In Latijns Amerika bijv. zijn revolutionaire groeperingen en drugsbaronnen dikwijls betere voorzieners van publieke diensten dan de staat zelf (Murshed, 2001).

Bij identity politics wordt de macht geclaimd, gehanteerd en veelal misbruikt op bases van en ook ten behoeve van een bepaalde (etnopolitieke) identiteit: “the exclusive claim to power on the basis of tribe, nation, clan or religious community. These identities are politically constituted” (Kaldor, 1999: 6; cf. Douma, Frerks & van de Goor, 1999; Blanton, Mason & Athow, 2001).

 

Conflicten ontstaan met name wanneer bepaalde groepen worden buitengesloten van toegang tot politieke macht en medezeggenschap, en niet meedelen in overheidsvoorzieningen en diensten, terwijl andere groepen juist worden bevoordeeld. Het gaat hierbij om allerlei vormen van cliëntelisme, nepotisme en favoritisme, die uiteindelijk leiden tot een gevoel van relatieve deprivatie, een gevoel van achterstelling ten opzichte van de andere groeperingen. Een belangrijk geschilpunt hierbij betreft heel vaak de achterstelling van de eigen culturele identiteit, bijvoorbeeld op basis van de taal. Waar deze achterstellingen eerst nog leidden tot een strijd voor meer individuele en groepsrechten, ging deze in veel gevallen al gauw over in bewegingen voor meer autonomie en – zeker wanneer de overheid antwoordde in de vorm van repressie – in gewapende strijd voor onafhankelijkheid of afscheiding (Frerks, 2001: 509).

 

These failed states are breeding grounds for instability, lawlessness, and ethnic and religious turmoil as well as havens for terrorists and criminal leaders. The major threats of today come not from major states projecting power but from weak or failed states projecting instability” (P.W. Singer, 2003: 55). Een specifieke manifestatie van de verzwakking van staten en staatsorganen is de ellendige conditie van de meeste reguliere legers in de Derde Wereld. Veel van deze reguliere strijdkrachten zijn slecht getraind, slecht bewapend, en slecht bemand. Daarom zijn ze niet in staat de veiligheid van hun land en bevolking te garanderen.

 

Ancient hatreds?

“Rudimentaire opvattingen over ancient hatreds of doemscenario’s zoals ontwikkeld door Kaplan (1996) helpen ook maar weinig bij het verklaren van de patronen van contemporaine conflicten” stelde Frerks (2003: 19). Het lijkt een tamelijk merkwaardige mode om de rol van ancient hatreds (eeuwen- of decennia-oude tribale of etnische haat en/of animositeit en vijandigheid) in etnopolitieke conflicten als verklarende categorie te ontkennen. “Eeuwenoude haat” kan geen rol spelen in de predictie van plaats en tijd van het uitbreken van een burgeroorlog of genocide, maar dat is een methodologisch probleem, geen ontologisch.

 

Globalisatie

Tenslotte: de toegenomen en nog steeds toenemende oorlogszuchtigheid in de wereld (en dan voornamelijk de Derde Wereld) sedert 1945 kan voornamelijk worden begrepen als uitdrukking van een seculier inhaalproces van staatsvorming, economische modernisering, en maatschappelijke (etnische, religieuze, raciale, politieke) integratie waaraan geen enkel Derde-Wereld-land zich kan onttrekken. De fundamentele concomitant van de kapitalistische expansie of wereldverovering (of ‘globalisatie’ zoals het tegenwoordig eufemistisch wordt genoemd) is de onvermijdelijke en onontkoombare ontwrichting van traditionele, preïndustriële samenlevingen en de vernietiging van lokale markten. “This can be called the ‘durable disorder’ interpretation of globalization” (Duffield, 2000: 70). Dit proces weerspiegelt (of recapituleert) de oorlogszuchtige geschiedenis van wat nu de industriële, kapitalistische, technologische en gepacificeerde (westerse) staten zijn, maar nu nog een graadje bloediger en gruwelijker.

Zoals Dostojewski ooit schreef: “De enige oorzaak van oorlog is vrede” – hetgeen zoveel betekent als: de ultieme oorzaak van alle politieke geweld en oorlog is een – althans voor sommige mensen – onacceptabele status quo (Van der Dennen & Van Iterson, 2002).

 

Klimaatoorlogen

Volgens Welzer (2008/2009) is de klimaatverandering een onderschat, en tot nu toe zelfs verregaand onbegrepen sociaal gevaar dat sociale catastrofen zoals systeem­ineenstortingen, burgeroorlogen en volkerenmoorden kan veroorzaken: een extra externe katalysator van massaal geweld. Welzer presenteert de volgende argumenten:

 

1. Klimaatoorlogen vinden al plaats in regio’s en onder omstandighe­den waarin denationalisatie en het bestaan van particuliere gewelds­markten de normale situatie zijn. Elke negatieve verandering van milieuomstandigheden in zulke regio’s biedt nieuwe gelegenheden en ruimte voor geweldsondernemers en daarmee het gevaar dat de oorlog verduurzaamt en de betreffende grenzen overschrijdt.

2. Gevolgen van de klimaatverandering, zoals bodemdegradatie, over­stromingen, gebrek aan drinkwater, stormen enzovoort, beperken overlevingsruimten en -kansen en intensiveren bestaande probleem­situaties. De asymmetrie tussen de bevoordeelde en benadeelde lan­den groeit.

3. De klimaatveranderingen van kwetsbare samenlevingen alsmede de waarschijnlijkheid van het geweld dat hieruit voortvloeit, zullen de vluchtelingen- en migratiebewegingen doen toenemen, zowel natio­nale als grensoverschrijdende migraties. Beide trekken meer geweld aan.

4. Grensoverschrijdende migraties bereiken de eilanden van voor­spoed en stabiliteit in West-Europa en Amerika en zorgen ervoor dat de betrokken overheidsinstanties hun veiligheidspolitiek moeten in­tensiveren en hun beveiliging moeten versterken. Dat leidt op het ni­veau van de buitenlandse politiek tot grensbeveiligingsstrategieën, waarbij enerzijds wordt geprobeerd grensconflicten verder naar bui­ten te verplaatsen en anderzijds de geweldsmiddelen bij grensschen­dingen toenemen.

5. Het met de globalisering van de moderniseringsprocessen groeiende terrorisme zal door klimaatgerelateerde ongelijkheid en onrecht­vaardigheid worden gelegitimeerd en versterkt.

6. Dat veroorzaakt een voortdurende stijging van de controlebehoeften van het land. De vrijheid vermindert, terwijl het gemonopoliseerde geweldsniveau stijgt.

7. Nieuwe rechteloze ruimten, die als gevolg van de oorlog tegen de ter­reur zijn ontstaan, verhogen het niveau van landelijk uitgevoerd ge­weld en openen maatschappelijke achtertonelen voorbij de normen van de rechtsstaat. Het gebruik van geweld verplaatst; misdadig fei­tenmateriaal wordt naar de periode vóór de daad verschoven.

8. Shifting baselines veranderen de probleemwaarneming en de accep­tatie van oplossingsvoorstellen en maatregelen. Normaliteitsstan­daards en normen verschuiven.

9. Deze processen werken op elkaar in. Groeiende aantallen vluchtelin­gen, verscherpte veiligheidsinspanningen, internationals hulpbron­nenconflicten enzovoort veroorzaken autokatalytische effecten. Plot­selinge milieurampen brengen de oplossingscapaciteiten in OECD- en jonge industrielanden aan hun grenzen, in instortende samenlevin­gen hebben ze een vernietigend effect. Daaruit resulterende gevoelens van dreiging en stress leiden tot onvoorspelbare reacties.

 

Uit dat alles ontstaat een scenario dat de mondiale figuratie van de sa­menlevingen in z’n geheel treft en onder druk zet; verschillende vor­men en intensiteiten van spanningen en gebruik van geweld zullen het gevolg zijn (Welzer, 2009: 198-199).

 

Waarom vechten de ‘nieuwe doders’ eigenlijk?

Scholte (2005) heeft in zijn scriptie “New Killers: Analysing the causes of contemporary conflict-related violence at the level of the individual” de vraag gesteld: waarom vechten deze “new killers” eigenlijk? Merk op dat de auteur de term ‘killers’ (doders) bezigt, en niet ‘soldiers’; niet ‘soldaten’ maar ook geen ‘warriors’ (‘krijgers’), of meer neutraal ‘strijders’. ‘Doders’ of ‘moordenaars’ doet eerder denken aan crimineel dan aan politiek geweld, en misschien is dat ook de bedoeling van de auteur.

Scholte presenteert een catalogus van motivaties (drijfveren) van geweld zoals die in de relevante literatuur te vinden zijn, en de faciliterende factoren van, dan wel remmingen/constraints op, geweldsgebruik. Motivaties zijn bijvoorbeeld zelfverdediging, dwang, machtsstreven of dominantiestreven, hebzucht, gehoorzaamheid, haat en/of wreedheid, en het seksuele motief dat bij verkrachtingen mede een rol speelt.

Ontremmingen en remmingen of inhibities zijn  bijvoorbeeld ‘diffusie van verantwoordelijkheid’, de groepssanctie van geweld, de geografische afstand, maar ook de psychische distantie, tussen dader en slachtoffer, desensitisatie (het verlies van medegevoel), en – vooral – ‘pseudospeciatie’ en dehumanisatie (het vermogen van de mens om zijn medemensen tot ongedierte te reduceren).

Deze motivaties en remmingen/ontremmingen, die zich in steeds wisselende constellaties manifesteren en in de tijd van gedaante veranderen, neemt Scholte als uitgangspunt om een vijftal strijdgroepen of krijgsbendes te analyseren. Dit zijn de ‘Arkan Tigers’, die in het voormalig Joegoslavië huishielden; de reguliere soldaten van het Joegoslavische volksleger; de Bosnische Mujahideen (de ‘heilige krijgers’), onderdeel van een mondiaal netwerk van Islamitische militanten; de employees van de ‘Executive Outcomes’, een Zuidafrikaanse privé-militaire firma die op bestelling huurlingen (vaak vroegere beroepssoldaten) levert; en tenslotte de ‘West Side Boys’, een bende jonge straatkinderen, criminele pubers, en voormalige soldaten, die Sierra Leone teisterde.

Enkele frappante bevindingen van deze scriptie zijn de volgende. In de eerste plaats: hebzucht of het economisch motief (het profit motive zoals de auteur het noemt) speelt bij alle groepen in meer of mindere mate een rol. De Arkan Tigers kunnen zelfs gekarakteriseerd worden als “violent entrepreneurs” die zich verrijkten te koste van alles en iedereen, vriend of vijand.

Ten tweede, morele principes en loyaliteit aan, of identificatie met, de grotere conflictpartij speelden nauwelijks een rol. Alleen bij de Mujahideen speelde geloofsovertuiging en solidariteit mee in de geweldpleging. De Arkan Tigers en de West Side Boys doodden, plunderden, en verkrachtten onder het mom van nationalisme, maar waren in feite onscrupuleuze, wreedaardige, en soms zelfs sadistische ‘killers’, die duidelijk lust beleefden aan zowel het doden an sich als aan de macht over leven en dood.

Ten derde, door de prevalentie van lichte en kleine wapens is de geografische afstandsgradiënt als geweldsfacilitator bij deze ‘nieuwe’ conflicten relatief onbelangrijk. Sofsky schreef al in 2003: “It is not true that human beings can kill each other only from a safe dis­tance. Far from it: they seek close contact, striking the body until the bleeding flesh is visible and the internal organs show… Proximity rather than anonymity incites people to their worst deeds. Far from raising the threshold of inhibition against violence, it heightens the neighbourly spirit of cruelty” (2003: 55, 165; zie ook Kalyvas, 2006: 330: “Intimacy is essential rather than incidental to civil war; it defines ‘civil war in its most basic sense’… it is a ‘fratricidal’ war… In short, civil war is barbaric also because it is the war of neighbor against neighbor, friend against friend”).

Ten vierde, de voornaamste slachtoffers in de nieuwe oorlogen zijn noncombattanten, de gewone burgers. De auteur leidt daaruit af dat de “warrior spirit” en zelfverdediging als motivaties onbelangrijk zijn. De meeste burgers worden afgeslacht, niet gedood in een ‘regulier’ gevecht of veldslag.

Ten vijfde, het is al ter sprake geweest, de wellust van de persoonlijke macht en dominantie kan zich gemakkelijk manifesteren als moord- en verkrachtingslust, door de decentralisatie van de militaire besluitvorming en de verregaande autonomie van de krijgsbendes.

Ten zesde, het slachtofferen van degenen die tot dezelfde gemeenschappelijke groep of conflictpartij behoren impliceert dat noch identificatie met die groep noch enige morele regel die daaraan kan worden ontleend invloed heeft op de geweldpleging. Het geweld is opportunistisch en houdt zich niet aan groepsloyaliteit of aan de Conventies van Genève.

Tenslotte, in de eigen woorden van de auteur: “Even in one conflict, people kill for multiple and diverse reasons”.

In weerwil van de algemene wijsheid is deelname aan het actuele geweld gering. Het stereotype beeld bestaat dat hedendaags geweld bestaat uit buren of hele gemeenschappen die elkaar collectief de hersens inslaan, maar dat is niet het geval. In Bosnië, bijvoorbeeld, schatte Kaldor (1999: 110) het percentage van de bevolking die aan het oorlogsgeweld had deelgenomen op maximaal 6,5 procent. En Mueller (2001: 116) berekende dat de genocide in Rwanda is gepleegd door hoogstens twee procent van de mannelijke Hutu’s boven de leeftijd van 13 jaar, d.w.z. minder dan één procent van de totale Rwandese bevolking. Hierbij moet worden aangetekend dat Smeulers & Haveman (2009: 366-7) en Smeulers & Hoex (2010: 2) tot een geheel ander percentage komen, namelijk 25-30 procent van de volwassen bevolking.

“Hobbesian wars of all-against-all are fictions. So is the neighbour-against-neighbour image of ethnic war currently portrayed in the media and to some extent in mainstream Conflict Studies. In reality the occurrence of an armed conflict does not entail that the whole larger groups – whether denominated ethnically, religiously or otherwise – are actually killing each other. It rather entails that certain individuals and sub-groupings are committing violence while often claiming and being recognised to do so in the name of these larger groups” (Scholte, 2005: 17).

 

De seksualisering van de ‘nieuwe’ oorlogen

De ‘nieuwe’ oorlogen zijn niet alleen goedkoop vanwege de lichte wapens waarmee wordt gevochten maar ook door de beschikbaarheid van grote aantallen ontwortelde jonge mannen die zich bij een krijgsbende aansluiten om te overleven, om een reputatie van viriele en stoere macho te verwerven, en om zich opgenomen te voelen in een “surrogaat familie”. De rol van de kindsoldaat is niet alleen verleidelijk voor ontwortelde kinderen maar is ook een min of meer ‘rationele’ keuze gegeven de omstandigheden. Kindsoldaten, pubers en jonge mannen hebben bovendien nog meer gewenste ‘kwaliteiten’:

 

Young people also display a remarkable insouciance in the face of danger: fear of death rarely touches their thoughts and actions, and their instinct for self preservation, especially in puberty, is considerably less marked than among adults. But this also means that they have fewer inhibitions in using violence, make no allowances for defenceless people and tend to be especially cruel and brutal – characteristics that make them the most feared participants in the new wars. Warlords tend to rely on child soldiers when they are faced with UN peacekeeping troops; this regularly causes great distress to the blue helmets, who hesitate to open fire and even prefer to surrender rather than become involved in fighting (Münkler, 2005: 80).

 

De puberale almachtsfantasieën en de tomeloze libido’s van deze jonge mannen zijn grotendeels verantwoordelijk voor excessen van geweld, verkrachting, wreedheid, (arbitraire) verminking en marteling. In Sierra Leone, bijv. “the especially feared ‘West Side Boys’… high on drugs or alcohol, get their kicks from hacking limbs off civilians completely uninvolved in the war” (Scholl-Latour, 2001: 425; geciteerd in Münkler, 2005: 80). Ignatieff heeft erop gewezen dat de extreme wreedheid en beestachtigheid van de ‘nieuwe’ oorlogen een direct gevolg zijn van de grote aantallen gewapende jonge mannen, pubers en adolescenten. “The particular savagery of war in the 1990s taps into another view of male identity – the wild sexuality of the adolescent male. Adolescents are supplying armies with a different kind of soldier – one for whom a weapon is not a thing to be respected or treated with ritual correctness but instead has an explicit phallic dimension. To traverse a checkpoint in Bosnia where adolescent boys in dark glasses and tight-fitting combat khakis wield AK-47s is to enter a zone of toxic testosterone. War has always had its sexual dimension – a soldier’s uniform is no guarantee of good conduct – but when a war is conducted by adolescent irregulars, sexual savagery becomes one of its regular weapons” (Ignatieff, 2000: 161).

Het geweld tegen burgers is in toenemende mate geweld tegen vrouwen en (jonge) meisjes. De praktijk van etnische zuivering bestaat steeds meer uit systematische verkrachtingen die jonge vrouwen stigmatiseren, hele samenlevingen ontwortelen, en de onmacht van de vaders en/of echtgenoten van de verkrachtte vrouwen om hun dochters en/of echtgenotes te beschermen op een gruwelijke manier duidelijk maken: “The descent into sexual barbarism of which Ignatieff speaks can be seen mainly where new wars shatter and ravage societies with a traditionally rigid sexual morality. Here the opportunities for sex at the point of a gun are especially tempting, and the social consequences especially devastating, since the social groups in question can no longer reproduce once a large part of their young women have undergone the stigma of rape” (Münkler, 2005: 20).

De verkrachting van de vrouwen van de onderworpen tegenstander is ook een prijs, een extra bonus, een plezierige beloning voor overwinnaars en veroveraars. En tenslotte kunnen vrouwen worden misbruikt als seksuele slavinnen en verhandeld om de oorlog te financieren. Vrouwenhandel en gedwongen prostitutie zijn uiterst lucratieve zaken.

“Lust, loot and retaliation are, after all, among the most ancient driving forces of warfare” (Sofsky, 2003: 82).

 

De logica van het geweld in burgeroorlogen: Kalyvas’ (2006) recente theorie

Een nieuwe en veelbelovende theorie over de logica van het geweld in burgeroorlogen is door Kalyvas (2006) geformuleerd. Kalyvas betoogt dat een burgeroorlog niet zozeer één groot binair conflict is langs politieke, etnische, religieuze, ideologische, socio-economische of klasse-breuklijnen, maar in feite bestaat uit een constellatie van kleine privé-conflictjes gemotiveerd door wrok, haat en (brood)nijd, ressentiment, romantische jaloezie, afgunst, hebzucht, opportunisme, rivaliteit en persoonlijke animositeit, grieven en wraak (voor eerdere vernedering, gezichtsverlies, belediging, etc.) en andere al-te-menselijke motieven, via het mechanisme van de kwaadwillige (en dikwijls valse) aanklacht (malicious denunciation).

 

The ubiquitous character of malicious denunciation is consistent with the theory of selective violence, and especially the notion of joint violence. Furthermore, the focus on the dynamics of denunciation allows an understanding of civil war violence as a process taking place because of human aversion to undertaking homicidal violence - as opposed to the widespread Hobbesian view positing that violence in civil war reflects the fundamentally violent nature of human beings. People are generally repelled by the prospect of acting violently, and so they will not, unless someone else handles the gory details while shielding them (Kalyvas, 2006: 350; cursief in origineel).

 

Dit verklaart, volgens Kalyvas, tevens de paradox van de intimiteit en intensiteit van de vijandigheid en het geweld in een burgeroorlog: familielid tegen familielid, buren tegen buren, voormalige geliefden, vrienden, of collega’s tegen elkaar. Het is de gelijkheid, familiariteit, homogeniteit en intimiteit die tot intense wreedheid en ‘barbaarse’ vormen van bizar en ‘atavistisch’ geweld leiden. Het is het Freudiaanse ‘narcisme van de kleine verschillen’ en de wederzijdse afhankelijkheid die maakt dat voormalige geliefden en buren elkaar de hersens inslaan. Het mechanisme verklaart de banaliteit en de trivialiteit van de persoonlijke motieven die, vanuit een ander – macro-niveau – perspectief gezien, de ‘politieke’ oorzaken van de plotselinge conflagratie lijken. Burgeroorlogen bestaan uit een fluïde mozaïek van locale, private, en afzonderlijke mini-oorlogjes (2006: 371).

Deze, stevig empirisch-onderbouwde, theorie verklaart de fenomenen en paradoxen van de geweldsdynamiek in een burgeroorlog inderdaad beter dan conventionele, monocausale ‘single issue master cleavage’ modellen. Thucydides (gevolgd door Machiavelli en Tocqueville) wist al dat persoonlijk-gemotiveerd crimineel geweld (mensen die hun persoonlijke vetes uitvechten en appeltjes te schillen hebben, of uit opportunistische hebzucht), gemaskeerd door een dikke mascara-laag van politieke voorwendselen, een van de essentiële kenmerken van een burgeroorlog was.

“From this perspective, ‘master’ cleavages can be understood as simultane­ously symbolic and material formations that simplify, streamline, and incorporate a bewildering variety of local conflicts - a view compatible with the way outside observers, such as historians, rely on a ‘master narrative’ as a means of ‘emplotment’ - to tell a straight, compelling story out of many complex ones… Civil wars are concatenations of multiple and often disparate local cleavages, more or less loosely arrayed around the master cleavage” (Kalyvas, 2006: 383-384).

 

Enkele aspecten van de Rwandese genocide (1994)

De scherpzinnige synopsis van de oorzaken van de Rwandese genocide van Els de Temmerman (1995) is nog altijd onovertroffen. Zij gebruikt de metafoor van de “explosieve cocktail”, en identificeert de ingrediënten. De basis voor die cocktail vormden armoede en overbevolking. Voeg daarbij een totali­taire staat die een totale controle uitoefende op het volk.

Met de democratisering dreigde de kliek rond de macht haar privileges te verliezen. Het ondermijnen van de oppo­sitie en het etniseren van de politieke strijd behoort tot de typische middelen van Afrikaanse leiders om de democratie te doen mislukken en de macht te behouden, maar hoeft niet noodzakelijkerwijs tot genocide te leiden.

De cocktail begon gevaarlijk te sissen met de inval van het RPF in 1990 en de oorlog met al zijn menselijke ellende (vluchtelingen) en economi­sche gevolgen (hongersnood). Volgde een militaire opbouw: een snel groeiend en weinig gedisciplineerd leger en de vorming van de Intera­hamwe. Ban­dieten en straatjongens konden door het vermoorden van de vijand kans maken op sociale promotie en materieel gewin. Maar de vijand was niet alleen RPF - en dat maakt de Rwandese oorlog verschil­lend van alle andere - de vijand bestond vanaf het begin ook uit onschuldige burgers, oppositiemensen en Tutsi’s, vermeende bondgenoten van het RPF.

Het mengsel werd aan het koken gebracht door de propaganda van de ex­tremistische Hutu’s die de kern uitmaakten van de macht, de radio-om­roepen met hun simplistische, drieledige boodschap: de Tutsi’s komen om de macht te grijpen, ze gaan alle Hutu’s uitroeien, we moeten ze vóór zijn! De propaganda speelde in op een fundamentele angst voor overheer­sing, op de overlevingsreflex van een volk.

De radio’s appelleerden bovendien aan een diepgeworteld minderwaardigheidscomplex van de Hutu’s. De Belgische kolonialen die door allerlei metingen hadden aan­getoond dat de Hutu’s de aangeboren slaven waren, hebben daar een flink deel aan bijgedragen.

Het deksel van de Arusha-akkoorden en het daaropvolgende toezicht van de VN-macht wist het bruisende mengsel even in bedwang te houden maar niet te neutraliseren. Met de aanslag op president Habyarimana kwam het met een verschrikkelijke kracht tot ontploffing: het bracht een gedrocht voort dat de wereld van walging vervulde. Het vertrek van de VN-macht nam de laatste hindernis voor de genocide weg. De soldaten en milities kregen vrij spel in de uitvoering van het goed voor­bereide monsterplan: de uitroeiing van de oppositie en van de Tutsi’s. Waar de bevolking zich verzette tegen het moorden, gingen de president en de eerste minister zelfs persoonlijk op bezoek om de burgers aan te zetten ‘het werk te beginnen’ (p. 237-38).

De Temmer­man (h)erkende ook duidelijk de rol van angst als instigator van de massamoorden, alsmede de nauwe verwantschap van angst en haat in de provocerende propaganda van “Radio milles collines”, en in de stilzwijgende collaboratie van “onschuldige getuigen”: “Ze applaudisseerden voor de moordenaars, uit angst. Of ze deden mee om te kunnen plunderen… De vrouwen waren het ergst” (p. 116). Een relatief nieuw en beangstigend fenomeen van de Rwandese genocide was de actieve rol van Hutu vrouwen, zelfs nonnen, in zowel de participatie aan het bloedbad, als in het aanmoedigen van Hutu mannen om Tutsi vrouwen te verkrachten en op gruwelijke wijze te vermoorden (de Temmerman, 1995: 111; African Rights Report, 1995; Human Rights Watch, 1996, 1999; Prunier, 1997; Gourevitch, 1998; Des Forges, 1999; Hatzfeld, 2005; Straus, 2006; Adler, Loyle & Globerman, 2007; Fujii, 2008, 2009; zie ook: Staub, 1989; Kressel, 1996; en Mann, 2005).

Volgens Verwimp (2005) was hebzucht het hoofdmotief van de daders, maar het complete spectrum aan motieven was, zoals gewoonlijk, veel breder. Smeulers (2008) en Smeulers & Hoex (2010) stelden, op basis van vooral schriftelijk materiaal en persoonlijke interviews, de volgende algemene typologie van daders voor:

 

Ten types of perpetrators emerged from this analysis: the criminal mastermind (defined as the supreme authority), the fanatic (driven by hate and resentment), the sadist (driven by a pleasure to induce pain), the criminal (who was already involved in serious crime), the professional (who has gone through extremely coercive military training in which he was trained to become a torturer or killer), the devoted warrior (driven by a sincere belief in the ideology and the need to obey and conform to an authority), the careerist (driven by careerism), the profiteer (driven by pure self-interest or material gain), the compromised perpetrator (driven by fear) and the conformist and follower (who follow the flow) (see Smeulers 2008 for a more detailed description of the various types and the underlying methodology) (Smeulers & Hoex, 2010: 3).

 

Zelfmoordterrorisme

Paradoxaal genoeg is terrorisme een domein van politiek geweld waar ontzettend veel over is gepubliceerd, maar waarvan we onthutsend weinig van (zeker) weten.

Er zijn honderden boeken en artikelen geschreven over het beangstigende verschijnsel “terreur in de naam van God”, oftewel religieus terrorisme, dat vooral met de radicale of fundamentalistische Islam en kwaadaardige fanatici of godsdienstwaanzinnigen wordt geassocieerd. Voormalig U.S. President Bush noemde de daders van 9/11 “evil cowards”. Klopt dit beeld?

In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat zelfmoordterrorisme geen recent verschijnsel is. Het idee om strijdend ten onder te gaan en tegelijkertijd vele vijanden mee te slepen in de dood is waarschijnlijk al zo oud als de mensheid (de joodse sekte van de Zeloten of Sicari, de islamitische Hashashin of Assassijnen, en de Japanse kamikaze-piloten zijn enkele historische voorbeelden). Zelfmoordterrorisme is ook geen privilege van religieuze groeperingen en evenmin typisch voor de islamitische cultuur, hoewel het verband ontegenzeggelijk gecompliceerd is omdat islamitische terroristische bewegingen religieuze propaganda - voornamelijk de belofte van een paradijs al dan niet met 72 maagden - gebruiken zowel om te rekruteren als om het extreme geweld te rechtvaardigen en te legitimeren (Bond, 2004). Zelfmoordterrorisme is eerder te begrijpen als een oude traditie die gebruikt maak van een nieuwe technologie-plus-elektronica (internet; terrorisme is in de eerste plaats een mediaoorlog).

 

Jannes Mulder vat de kennis die we lijken te hebben als volgt samen:

 

De rationaliteit van zelfmoordmissies – en ik beperk me tot Palestina / Israël – is een gevolg van asymmetrische verhoudingen. De machteloze partij staat tegenover de machtige tegenstander en het doel van de terreuraanslag is om met de weinige beschikbare middelen de onmacht van de vijand zichtbaar te maken. De Palestijnse zelfmoordterrorist is in dit kat-en-muis-spel letterlijk een smart weapon want hij kan het doel tot op het laatste ogenblik bijstellen. Zijn menselijke wapen is simpel en goedkoop en het effect is groot: vele doden, zichtbare panische angst en op termijn een demoraliserend effect op het volk van de tegenstander. De terrorist kan nooit gevangen worden genomen, van verlies van geheime gegevens is geen sprake en een vluchtroute of een reddingsoperatie is niet nodig. Verraad is ondenkbaar want de calculerende opdrachtgever zorgt ervoor dat de dader bij leven al een martelaar is en de video met de laatste wilsverklaring belemmert letterlijk de weg terug. De fuik is compleet. De impact van de aanslagen is disproportioneel. In een paar klappen verandert de verhouding tussen de maandelijkse aantallen in de strijd gewonde en gedode Israëli en Palestijnen getalsmatig in het voordeel van de Palestijnen. Van belang is de feedback naar het thuisfront. Zo is er vaak een mede-terrorist die tijdens de aanslag video opnames maakt opdat het beeld van ‘onze vastberadenheid’ en ‘hun onmacht’ zo snel mogelijk via de media mondiaal verspreid wordt. Dramatische beelden radicaliseren de strijd, versterken de moraal van de Palestijnse achterban en leveren nieuwe rekruten voor zelfmoordaanslagen op. Internationale zichtbaarheid verhoogt de kans op tegenaanvallen en repressie van de kant van Israël, die het bestaan van de organisatie van waaruit de aanslag is gepleegd, legitimeert. De spiraal van geweld blijft in beweging.

De organisatie mag dan uiterst rationeel te werk gaan, er is altijd een ontvanger van de opdracht. Vaak gaat het om jonge mannen zonder veel alternatieven. Eventuele gevoelens van schuld door afzijdigheid, wrok als tweederangs burger, wraak voor vernederingen, frustraties vanwege wegvallende tradities op het terrein van bijvoorbeeld man / vrouw verhoudingen spelen in wisselende mate een rol. Sociaal-psychologisch biedt de status van aanstaande zelfmoordterrorist een nieuwe identiteit. De identiteit van levende martelaar, de status verbonden aan de bereidheid het ultieme te geven en het uitstralende effect van de totale opoffering straks op de familie en nabestaanden bieden uitzicht. De training tot zelfmoordterrorist maakt gebruik van mythes (de permanente onderdrukking van het volk en terreur als onvermijdelijke prijs om een eigen toekomst te creëren), van zelfenscenering en symboliek (mediagenieke kleding, hoofddoek, vaandels), van ceremonies (in het trainingskamp) en van rituelen (afscheidsvideo). Deze training toont grote overeenkomsten met die van Japanse kamikazestrijders en Tamil Tigers. Godsdienst levert weinig extra inspiratie, het hiernamaals met de talrijke maagden blijkt voor Palestijnse jongemannen van marginaal belang. De uiteindelijke zelfmoordaanslag voelt als een opluchting, bevrijding en verlossing. De uitvoerder is niet depressief of suïcidaal maar juist rotsvast in de overtuiging er verpletterend subliem theater van te maken. Zelfmoordterroristen zijn pathologisch gestoord noch irrationeel, in trance of in een roes tijdens de uitvoering van hun werk. Van blinde haat, extreem fanatisme of driest geweld is geen sprake. Met een goede performance is de missie volbracht.

 

Verklaringen van zelfmoordterrorisme hebben zich toegespitst op de volgende categorieën: de persoonlijke kenmerken en karakteristieken van de zelfmoordterroristen; de culturele matrix waarbinnen zij opereren; armoede en (relatieve) deprivatie; en de strategische berekeningen die zij maken om hun ‘winst’ te maximaliseren.

 

Zelfmoordterroristen blijken geen psychopathologische gevallen te zijn en wijken ook niet af wat betreft scholing en economische welstand van de algehele bevolking. Het profileren van persoonskenmerken van potentiële terroristen is dan ook gedoemd te mislukken: ze zijn te normaal; en individuele psychopathologie of persoonlijke gevoelens van hopeloosheid of wanhoop lijken geen significante rol te spelen. Interviews met aanstaande zelfmoordterroristen en reconstructies van biografieën van gewezen zelfmoordterroristen lijken geen hogere ratio van psychopathologie te suggereren dan in de algemene bevolking (bijv. Hassan, 2001; Davis, 2003; Mansdorf, 2003; Stern, 2003; Taarnby, 2003; Victor, 2003; Merari, 2004; Reuter, 2004; Sageman, 2004; Bloom, 2005; McDermott, 2005; Pape, 2005; Brym & Araj, 2006; Joiner, 2006; Silke, 2006; Townsend, 2007; Zimbardo, 2007). Taarnby (2003: 18) stelde zelfs dat “recruits who display signs of pathological behaviour are automatically weeded out for reasons of organizational security”. Overigens moet hierbij worden vermeld dat de opvatting dat zelfmoordterroristen niet pathologisch gestoord zijn of niet irrationeel of niet depressief of niet suïcidaal niet onomstreden is (bijv. Beyler, 2003; Jayatunge, 2009; Merari, 2010; Merari, Diamant, Bibi, Broshi & Zakin, 2010; Merari, Fighel, Ganor, Lavie, Tzoreff & Livne, 2010; Kix, 2010; Lankford, 2010). Volgens Jayatunge bijvoorbeeld zijn de meeste zelfmoordterrorisme-recruten getraumatiseerde mensen die lijden aan depressies, PTSD, en, in het geval van vrouwen, aan Rape Trauma Syndrome. Lankford vond evidentie van suïcidaliteit bij deze mensen. Merari noemde hen “timid, scared loners”.

 

Post (2001, 2008) stelt dat niet individuele psychopathologie maar zoiets als collectieve pathologie een sleutelrol vervult: “Terrorism is not a consequence of individual paychological abnormality. Rather it is a consequence of group or organizational pathology that provides a sense-making explanation to the youth drawn to these groups”.

Het hele onderzoek naar de motivaties van zelfmoordterroristen is bezaaid met voetangels en klemmen, waarbij ‘psychologische’ en ‘politiek-strategische’ verklaarders elkaar over en weer voor gek verklaren. Toch lijkt het, vanuit het perspectief van de evolutionaire (of liever neo-Darwiniaanse) psychologie, niet verkeerd vraagtekens te zetten bij de vermeende normaliteit en rationaliteit van de zelfmoordterrorist.

 

De kern van deze benadering is het begrip indoctrineerbaarheid en intragroep altruïsme (altruistic punisher) (tot zelfopoffering aan toe) en intergroup etnocentrisme en vijandigheid.

De motivatie van de zelfmoordterrorist is een complex mengsel van zowel seculiere als religieuze overtuigingen, materiële (de familie van de zelfmoordterrorist wordt loyaal beloond) als immateriële incentieven; en het gevolg van indoctrinatie en hersenspoeling evenzeer als van oprechte zelfopoffering en martelaarschap. Palestijnse kinderen wordt al van kinds af aan bijgebracht dat ze sterven voor Allah (‘Shahada’: martelaarschap of jezelf opblazen als ultieme geloofsdaad) moeten zien als het enige doel van hun leven. Palestijnse moeders is geleerd om de dood voor Allah voor hun kinderen na te streven. “Ik heb altijd al de eerst vrouw willen zijn die haar leven offert voor Allah. Mijn vreugde zal compleet zijn als mijn lichaamsdelen alle kanten opvliegen”. Dit zijn de woorden van de eerste vrouwelijke zelfmoordterrorist, Reem Reyashi, op video opgenomen voor haar auto da fé. Dit geeft de bereidheid aan om zowel te sterven als te doden voor een ‘groter goed’: de wereldwijde jihad.

Vier factoren lijken een kritische rol te spelen bij de psychologie van de zelfmoordterrorist: loyaliteit aan de ‘surrogaat familie’, ‘uitverkorenheid’, wraak voor diepgevoelde vernedering, en verlangen naar onsterfelijkheid in het collectieve geheugen in combinatie met zelf-glorificatie (ook wel het Herostratos syndroom genoemd [Borowitz, 2005]). “Thus a critical factor determining suicide terrorism behavior is arguably loyalty to intimate cohorts of peers, which recruiting organizations often promote through religious communion. Consider data on 39 recruits to Harkat al-Ansar, a Pakistani-based ally of Al-Qaida. All were unmarried males, most had studied the Quran. All believed that by sacrificing themselves they would help secure the future of their ‘family’ of fictive kin… secrecy of the true knowledge of jihad, helped create a sense of sharing and empowerment vis-à-vis others” (Atran, 2003:1537-38). Groepsdruk (peer pressure) and de dynamica van de kleine groep zouden bij deze ‘uitverkorenheid’ een grotere rol spelen dan bevelen of richtlijnen van ‘boven’. Bij de recrutering van would-be zelfmoordterroristen en ter afschrikking van potentiële ‘deserteurs’ wordt subtiele psychologische manipulatie niet geschuwd: “A club model, portraying voluntary religious organizations as efficient providers of local public goods, explains how they weed out potential defectors by requiring sacrifices as signals of commitment. They are thereby able to succeed in risky terrorist attacks” (Berman & Laitin, 2008: 1942).

Volgens Oliver & Steinberg (1995: 28) worden de recruten maandenlang voor hun uiteindelijke taak en bestemming geïndoctrineerd en geprogrammeerd: “Many who become suicide bombers ‘on the path of God’ and under the banner of the Islamic Resistance Movement, killing themselves and others with seeming ease and zealous eagerness, have been  primed for their deaths for months and sometimes years. Hamas’ system of propaganda and indoctrination encourages its constituency to think of predatory suicide as a form of self-mastery, heroism, and victory, and explicitly calls for death ‘in the service of the highest words’. Youth are especially targeted by the movement to serve as its ‘soldiers’. Some undergo intensive training and programming with the goal of becoming ‘living martyrs’ and eventually dying for the sake of God. Once a youth begins to think of himself as a ‘dead object’ and rehearses his death many times over, a formidable psychological roadblock is passed, and it is then sometimes but a short step to his actual death”.

Ook Post (2001, 2008) beschrijft hoe groepsdruk de recruten motiveert: “The group members psychologically manipulated the new recruits, persuading them, psychologically manipulated them, ‘brainwashing’ them to believe that by carrying out a suicide bombing, they would find an honored place in the corridor of martyrs, and their lives would be meaningful; moreover, their families would be financially rewarded. From the time they were recruited, the group members never left their sides, leaving them no opportunity of backing down from their fatal choice”.

Verder hebben zowel Stern (2003) en Joiner (2006) als Atran (2006) gewezen op de wraakgevoelens tengevolge van diepgevoelde vernedering henzelf en ‘hun volk’ aangedaan: “holy wars are dependent first and foremost on redressing a deep pool of perceived humiliation, not just on military occupation per se and certainly not on simply nihilistic grounds… the theme of humiliation… is important in understanding the Islamists’ rage” (Atran, 2006: 137).

Brym & Araj (2006: 1982-83) presenteerden een interactieve benadering van het Israël-Palestina conflict (dat m.i. gegeneraliseerd kan worden naar de meeste gewapende conflicten) dat er in het kort op neer komt dat beide partijen gevangen zitten in wederzijdse wraak en retaliatie:

 

In the planning offices of the Israeli security services as in the warrens of Gaza City, highly intelligent men strategize about how to maximize gains and minimize losses in the most recent phase of their 125-year battle over territory that both sides claim as their historical and religious birthright. One side is too weak to imagine a balance of power, so instead it concocts a scheme to achieve a balance of horror, justified by the idea that, "A nation whose sons vie with each other for the sake of martyrdom does not know defeat." (quoted in Oliver and Steinberg, 2005: 61) The powerful side responds to martyrdom operations as most of its enraged population demands – by teaching the other side a series of lessons it won't soon forget. The weak side obliges by remembering well and avenging its losses with all the fury it can muster. Some of the strategic thinkers in the Israeli planning offices undoubtedly recognize that murderous retribution is often counterproductive. They must, however, answer to their political bosses, who are in turn obliged to respond to public outrage by getting tough. Some of the strategic thinkers in the warrens of Gaza City undoubtedly know that Israel will not capitulate in response to suicide bombing. But they must answer to their publics too, and so they often forsake the calculation of costs and benefits for political expediency and a culture of mutual destruction. Hence our conclusion that retribution and retaliation often trump strategic calculation in prompting suicide attacks.

 

Tenslotte: “Those who believe suicide terrorism can be explained by a single political root cause, such as the presence of foreign military forces or the absence of democracy, ignore psychological motivations, including religious inspirations, which can trump rational self-interest to produce horrific or heroic behavior in ordinary people” (Atran, 2006: 144).

 

Tenslotte, de oorlog tegen het terrorisme

Bij het huidige terrorisme (waarvan de islamitische jihad van Bin Laden’s Al-Qaida het icoon is geworden) is de tegenstander een pluriform, diffuus, wijdverspreid netwerk, bestaand uit cellen die autonoom maar gecoördineerd optreden. Maar ook sponsorstaten maken er deel van uit evenals criminele organisaties, reguliere strijdkrachten, front-companies en wellicht zelfs legitieme commerciële organisaties. In tegenstelling tot partijen in ‘gewone’ oorlogen, heeft dit netwerk geen specifiek politiek doel voor ogen dat, eenmaal bereikt, leidt tot beëindiging van de oorlog (Osinga, 2001: 468). “De Twin Towers-oorlog is daarmee een zeldzame botsing tussen een Clausewitziaanse en een niet-Clausewitziaanse oorlog. Het is een oude en een nieuwe oorlog, een hybride” (Osinga, 2001: 468).

“Today the world is moving from a two-level to a three-level power system… In this new global structure, war, too, is trisected” (Toffler & Toffler, 1994: 81). Dit model zou dan 3 typen symmetrische en 6 typen asymmetrische conflicten opleveren. Een van deze asymmetrische conflicten is de zogenaamde “oorlog tegen het terrorisme”.

Deze “oorlog tegen het terrorisme” – een ‘totale’ oorlog – is niet te winnen. Het is een illusie te denken dat op een tegenstander die bereid is – en met geringe middelen in staat is – om niet alleen grote aantallen willekeurige slachtoffers te maken, maar ook om zichzelf daarbij op te blazen, en die bovendien geen gezicht en geen adres heeft, een overwinning kan worden behaald. Maar het is nog niet tot de fatsoenlijke McWorld doorgedrongen, of nog niet geaccepteerd, dat de onfatsoenlijke Jihad tot in lengte van dagen terreur kan blijven zaaien (in Barber’s termen). Het reservoir aan haat en onverdraagzaamheid is vrijwel onuitputtelijk.

“Het nieuwe van deze oorlog ligt dan ook vooral in de schok van de ontdekking dat dit een nieuwe vijand is, die in zijn extremistische en suïcidale gedrag nauwelijks is af te schrikken, die zich bovendien al midden in hoogontwikkelde landen kan bevinden, en die ook al een decennium een oorlog lijkt te voeren tegen de Verenigde Staten, maar ook tegen het Westen en zijn waarden in het algemeen. Deze vijand heeft geen nucleaire, chemische, of biologische massavernietigingswapens nodig om terreur te veroorzaken. De wapens blijken voor het oprapen te liggen. De schok ligt in de herkenning van kwetsbaarheid” (Osinga, 2001: 467).

Maar de schok ligt ook een beetje bij de verbijstering over het gemak en het fanatisme waarmee deze “nieuwe doders” de meest gesofisticeerde Westerse technologie gebruiken om hun atavistisch wereldbeeld gewelddadig op te leggen.

Osinga (2001: 470-472) stelt dat de nieuwe oorlog tegen het terrorisme niet begrepen moet worden als één oorlog maar als zes oorlogen in één.

 

 

Een verkorte versie van dit artikel verscheen als “Politiek geweld in perspectief: beschouwingen over de ‘nieuwe oorlog’” in: B. Bomert, Th. van den Hoogen & R.A. Wessel (Red.) Jaarboek Vrede en Veiligheid, 2008. Rozenberg Publ., Amsterdam, 2009, pp. 29-43 (naar aanleiding van het 25-jarig jubileum van dit jaarboek).

 


Literatuur

 

Addison, T. & S.M. Murshed (2002) On the economic causes of contemporary civil wars. In: Murshed (Ed.) Issues in Positive Political Economy. Routledge, London, pp. 22-38.

Adler, R.N.; C.E. Loyle & J. Globerman (2007): A calamity in the neighbourhood: Women’s participation in the Rwandan genocide. Genocide Studies and Prevention, 2/3, 209-234.

Allen, C. (1999) Warfare, endemic violence and state collapse in Africa. Review of African Political Economy, 81, 367-384.

African Rights Report (1995) Rwanda: Not So Innocent: When Women Become Killers. London: African Rights.

Atran, S. (2003) Genesis of suicide terrorism. Science Magazine, 299, 5612, 1534-39.

Atran, S. (2006) The moral logic and growth of suicide terrorism. Washington Quarterly, 29, 2, 127-47.

Azar, E.E. (1990) The Management of Protracted Social Conflict: Theory and Cases. Aldershot, Dartmouth.

Ballentine, K. & J. Sherman (Eds.) (2003) The Political Economy of Armed Conflict: Beyond Greed and Grievance. Lynne Rienner, Boulder CO.

Bannon, I. & P. Collier (2003) Natural Resources and Violent Conflict: Options and Actions. The World Bank, Geneva.

Barber, B.R. (1995) Jihad vs. McWorld: Terrorism’s Challenge to Democracy. Times Books, New York.

Baumann, Z. (1989) Modernity and the Holocaust. Cornell University Press, Ithaca.

Berdal, M. & D. Malone (Eds.) (2000) Greed and Grievance: Economic Agendas in Civil War. Lynne Rienner, Boulder CO.

Berman, E. & D.D. Laitin (2008) Religion, terrorism and public goods: Testing the club model. Journal of Public Economics, 92, 10-11, 1942-67.

Beyler, C. (2003) Messengers of death: Female suicide bombers. International Policy Institute for Counter-Terrorism.

Blanton, R.E.; T.D. Mason & B. Athow (2001) Colonial style and post-colonial ethnic conflict in Africa. Journal of Peace Research, 38, 4, 473-491.

Bloom, M. (2005) Dying to Kill: The Allure of Suicide Terrorism. Columbia University Press, New York.

Bond, M. (2004) The making of a suicide bomber. New Scientist, 182, May 15, 34-37.

Borowitz, A. (2005) Terrorism for Self-glorification: the Herostratos Syndrome. Kent State University Press, Kent.

Brym, R.J. & B. Araj (2006) Suicide bombing as a strategy and interaction: The case of the Second Intifada. Social Forces, 84, 4, 1969-1986.

Byman, D.L. & S. Van Evera (1998) Why they fight: Hypotheses on the causes of contemporary deadly conflict. Security Studies, 7, 3, 1-50.

Collier, P. (2000) Economic Causes of Civil Conflict and their Implications for Policy. World Bank Paper, Washington DC.

Collier, P. & A. Hoeffler (2000) Greed and Grievance in Civil War. World Bank Paper, Washington DC.

Collier, P. & A. Hoeffler (2005) Resource rents, governance, and conflict. Journal of Conflict Resolution, 49, 4, 625-633.

Collier, P. et al. (2003) Breaking the Conflict Trap: Civil War and Development Policy. World Bank. Washington DC.

Cornish, P. (2001) Terrorism, insecurity and underdevelopment. Conflict - Security - Development, 1, 147-151.

Creveld, M.van (1991) The Transformation of War. Free Press, New York.

Davis, J.M. (2003) Martyrs: Innocence, Vengeance and Despair in the Middle East. Basingstoke: Palgrave Macmillan.

Dennen, J.M.G. van der (1981) On war: concepts, definitions, research data. In: UNESCO Yearbook on Peace and Conflict Studies. Greenwood Press, Westport CT, 1981, pp. 128-189.

Dennen, J.M.G. van der & H. van Iterson (2002) Hoe kan oorlog worden voorkomen? (Verslag NVMP symposium met S.M. Murshed en J.M.G. van der Dennen). NVMP/AVV Niewsbrief, 22, 3, 8-10.

Des Forges, A. (1999) Leave None to Tell the Story: Genocide in Rwanda. New York: Human Rights Watch.

Douma, P. (2001) Political economy of internal conflict: A review of contemporary trends. Clingendael, Den Haag.

Douma, P., G.E. Frerks & L. van de Goor (1999) Causes of conflict in the Third World: Synthesis report. Clingendael, Den Haag.

Duffield, M. (1998) Post-modern conflict: Warlords, post-adjustment states and private protection. Civil Wars, 1, 1, 66-102.

Duffield, M. (2000) Globalization, transborder trade and war economies. In: Berdal & Malone (Eds.).

Duffield, M. (2001) Global Governance and the New Wars. Pluto, London.

Eisner, M. (2001) Modernization, self-control and lethal violence: the long-term dynamics of European homicide rates in theoretical perspectives. British Journal of Criminology, 41, 4, 618-638

Eisner, M. (2003) Long-term historical trends in violent crime. Crime & Justice, 30, 83-142.

Elias, N. (1936) Über den Prozess der Zivilisation. 2 Bände. Francke Verlag, Bern.

Elster, J. (2005) Motivations and beliefs in suicide missions. In Gambetta (Ed.), 233-258.

Fearon, J.D. (2004) Why do some civil wars last so much longer than others? Journal of Peace Research, 41, 3, 275-301.

Fearon, J.D. & D.D. Laitin (2000) Violence and the social construction of ethnic identity. International Organization, 54, 4, 845-877.

Fearon, J.D. & D.D. Laitin (2003) Ethnicity, insurgency, and civil war. American Political Science Review, 97, 1, 75-90.

Ferguson, N. (1999) The Pity of War: Explaining World War I. Basic Books, New York.

Ferguson, N. (2006) The War of the World: Twentieth-Century Conflict and the Descent of the West. Penguin, New York.

Frerks, G.E. (2001) Conflicten van de nieuwe eeuw… een nieuwe eeuw van conflicten? Vrede & Veiligheid, 30, 4, 500-516.

Frerks, G.E. (2003) Conflict studies. Werken op het snijvlak van geweld en vrede. Vrede & Veiligheid, 32, 1, 10-26.

Fujii, L.A. (2008) The power of local ties: popular participation in the Rwandan genocide. Security Studies, 17, 568-597.

Fujii, L.A. (2009) Killing Neighbors: Webs of Violence in Rwanda. Cornell University Press, Ithaca.

Gambetta, D. (Ed.) (2005) Making Sense of Suicide Missions. New York: Oxford University Press.

Gantzel, K.J. & J. Mayer-Stamer (Hrgb.) (1986) Die Kriege nach dem Zweiten Weltkrieg bis 1984. Daten und erste Analysen. Weltforum Verlag, München.

Gantzel, K.J. & T. Schwinghammer (1995) Die Kriege nach dem Zweiten Weltkrieg 1945 bis 1992: Daten und Tendenzen. LIT Verlag, Münster.

Gat, A. & Z. Maoz (2003) Global change and the transformation of war. In Z. Maoz & A. Gat (Eds.) War in a Changing World. Michigan University Press, Ann Arbor, pp. 1-14.

Geller, D.S. & J.D. Singer (1998) Nations at War: A Scientific Study of International Conflict. Cambridge University Press, New York.

Goodhand, J. & D. Hulme (1999) From wars to complex political emergencies: Understanding conflict and peace-building in the new world disorder. Third World Quarterly, 20, 1, 13-26.

Gourevitch, P. (1998) We Wish to Inform You that Tomorrow We Will Be Killed with our Families: Stories from Rwanda. Farrar Strauss & Giroux, New York.

Gurr, T.R. (1981) Historical trends in violent crime: A critical review of the evidence. Crime & Justice, 3, 295-350.

Gurr, T.R. (1989) Historical trends in violent crime: Europe and the United States. In: Gurr, Violence in America. Sage, Newbury Park, pp. 21-54.

Gurr, T.R. (1994) Peoples against states: Ethnopolitical conflict and the changing world system. International Studies Quarterly, 38, 347-377.

Harff, B. (2003) No lessons learned from the Holocaust? Assessing the risks of genocide and political mass murder since 1955. American Political Science Review, 97, 1, 57-73.

Harrison, M. (2003) An economist looks at suicide terrorism. Royal United Services Institute Security Monitor, 2, 1.

Hatzfeld, J. (2005) Machete Season: The Killers in Rwanda Speak. Farrar Strauss & Giroux, New York.

Heinsohn, G. (2008) Zonen grijpen de wereldmacht. Terrorisme demografisch verklaard. Nieuw Amsterdam Uitgevers, Amsterdam.

Heupel, M. & B. Zangl (2004) Old and new wars: The transformation of contemporary warfare. Politische Vierteljahresschrift, 45, 3, 346+.

Hobbes, T. (1651) Leviathan. Crooke, London.

Holsti, K.J. (1996) The State, War, and the State of War. Cambridge University Press, Cambridge.

Homer-Dixon, T.F. (1994a) Environmental scarcities and violent conflict: Evidence from cases. International Security, 19, 1, 5-40.

Homer-Dixon, T.F. (1994b) Environmental changes as causes of acute conflict. In R.K. Betts (Ed.) Conflict After the Cold War. Allyn & Bacon, Boston, pp. 425-442.

Howard, M. (1976) War in European History. Oxford University Press, London.

Huntington, S.P. (1989) No exit: The error of endism. The National Interest.

Huntington, S.P. (1993) The clash of civilizations. Foreign Affairs, 72, 3, 22-49.

Ignatieff, M. (2000) Virtual War: Kosovo and Beyond. Vintage, London.

Jayatunge, R.M. (2009) The psychopathology of the LTTE suicide bombers. http://groundviews.org.

Joiner, Th. (2006) Why People Die by Suicide. Harvard University Press, Cambridge MA.

Jongman, A.J. & A.P. Schmid (1998/2001) Mapping dimensions of contemporary conflicts and human rights violations. World Conflict and Human Rights Map, PIOOM, Leiden.

Kaldor, M. (1999/2001) New and Old Wars: Organized Violence in a Global Era. Polity Press, Cambridge.

Kaldor, M. (2000) Introduction. In: M. Kaldor (Ed.) Global Insecurity. Pinter, London.

Kalyvas, S.N. (2006) The Logic of Violence in Civil War. Cambridge University Press, Cambridge.

Kaplan, R.D. (1994) The coming anarchy. Atlantic Monthly, 273, 2,

Kaplan, R.D. (1996) The Ends of the Earth: A Journey at the Dawn of the 21st Century. Random House, New York.

Keen, D (2001) War and peace: What’s the difference? In: A. Adebajo & C.L. Sririam (Eds.) Managing Armed Conflict in the 21st Century. Frank Cass, London, pp. 1-22.

Kennedy, P.M. (1987) The Rise and Fall of the Great Powers: Economic and Military Conflict from 1500 to 2000. Random House, New York.

Kershaw, I. (2005) War and political violence in twentieth-century Europe. Contemporary European History, 14, 1, 107-123.

Kix, P. (2010) The truth about suicide bombers. The Boston Globe (www.boston.com/bostonglobe).

Korf, B. (2005) Rethinking the greed-grievance nexus: Property rights and the political economy of war in Sri Lanka. Journal of Peace Research, 42, 2, 201-217.

Kressel, N.J. (1996) Mass Hate: The Global Rise of Genocide and Terror. Plenum Press, New York.

Krueger, A.B. (2003) Poverty doesn’t create terrorists. New York Times, May 29.

Krueger, A.B. & J. Maleckova (2003) Education, poverty, political violence, and terrorism: Is there a causal connection? Journal of Economic Perspectives, 17, 4, 119-144.

Laitin, D.D. (2001) Secessionist rebellion in the former Soviet Union. Comparative Political Studies, 34, 8, 839-861.

Lankford, A. (2010) Do suicide terrorists exhibit clinically suicidal risk factors? A review of initial evidence and call for future research. Aggression & Violent Behavior, 15, 5, 334-340.

Laqueur, W. (2004) No End to War: Terrorism in the Twenty-First Century. London: Continuum.

Leistra, G. & P. Nieuwbeerta (2003) Moord en doodslag in Nederland, 1992-2001. Prometheus, Amsterdam.

Madsen, J. (2004) The rationale of suicide terrorism. Review International of Social Questions, September 8.

Mann, M. (1999) The dark side of democracy: The modern tradition of ethnic and political cleansing. New Left Review, 235, May/June, 18-45.

Mann, M. (2005) The Dark Side of Democracy: Explaining Ethnic Cleansing. Cambridge University Press, New York.

Mansdorf, I.J. (2003) The psychological framework of suicide terrorism. Jerusalem Letter/Viewpoints, 496, April 15.

McDermott, T. (2005) Perfect Soldiers: The Hijackers: Who They Were, Why They Did it. HarperCollins, New York.

Merari, A. (2004) Suicide terrorism in the context of the Israeli-Palestinian conflict. Institute of Justice Conference, Washington DC.

Merari, A. (2010) Driven to Death: Psychological and Social Aspects of Suicide Terrorism. New York: Oxford University Press.

Merari, A.; I Diamant, A Bibi, Y. Broshi & G. Zakin (2010) Personality characteristics of ‘self-martyrs’/‘suicide bombers’ and organizers of suicide attacks. Terrorism & Political Violence, 22, 1, 87-101.

Merari, A.; J. Fighel, B. Ganor, E. Lavie, Y. Tzoreff & A. Livne (2010) Making Palestinian ‘martyrdom operations’/‘suicide attacks’: interviews with would-be perpetrators and organizers. Terrorism & Political Violence, 22, 1, 102-119.

Miall, H.; O. Ramsbotham & T. Woodhouse (1999) Contemporary Conflict Resolution: The Prevention, Management and Transformation of Deadly Conflict. Polity Press, Cambridge.

Møller, B. (2002) The political economy of war: Privatisation and commercialisation. Copenhagen Peace Research Institute, Working Paper 16.

Mueller, J.E. (1989) Retreat from Doomsday: The Obsolescence of Major War. Basic Books, New York.

Mueller, J.E. (2001) The banality of ‘ethnic war’. In: M. Brown (Ed.) The International Dimensions of Ethnic Conflict. MIT Press, Cambridge MA.

Münkler, H. (2002) Die neuen Kriege. Rowohlt, Reinbek bei Hamburg (Engelse vertaling: The New Wars. Polity Press, London, 2005).

Murshed, S.M. (2001) On the economic origins of contemporary civil wars. Paper Conf. Social Roots of Violent Conflict, UN, New York, Dec. 2001.

Oliver A.M. & P. Steinberg (1995) The rhetoric and symbology of violence in the political slogans, communiques and graffiti of Palestinian youth during the years of the Intifada" Abstract in the Report of the Harry Frank Guggenheim Foundation, pp. 28-30.

Oliver, A.M. & P. Steinberg (2005) The Road to Martyr’s Square: A Journey into the World of the Suicide Bomber. New York: Oxford University Press.

Osinga, F. (2001) Een nieuwe totale oorlog als dialectisch moment. Vrede & Veiligheid, 30, 4, 447-480.

Pape, R.A. (2003) The strategic logic of suicide terrorism. American Political Science Review, 97, 343-361.

Pape, R.A. (2005) Dying to Win: The Strategic Logic of Suicide Terrorism. New York: Random House.

Peters, R. (1994) The new warrior class. Parameters, 24, 2.

Peters, R. (1999) Our new old enemies. Parameters, 29, 2.

Pinker, S. (2007) A history of violence. The New Republic, March 19 (internet: www.edge.org/3rd_culture/pinker07/pinker07_index.html).

Polman, L. (2008) De crisiskaravaan – achter de schermen van de humanitaire hulpindustrie. Uitgeverij Balans.

Post, J.M. (2001) The mind of the terrorist: Individual and group psychology of terrorist behavior. Testimony for the Subcommittee of Emerging Threats and Capabilities, November 15.

Post, J.M. (2008) The Mind of the Terrorist: The Psychology of Terrorism from the IRA to Al-Qaeda. Basingstoke: Palgrave Macmillan.

Prunier, G. (1995) The Rwanda Crisis 1959-1994: History of a Genocide. Columbia University Press, New York.

Prunier, G. (1997) The Rwanda Crisis: History of a Genocide. Hurst, London.

Rapoport, A. (1980) Clausewitz on War. 7th reprint, Penguin, Harmondsworth.

Reuter, Chr. (2004) My Life is a Weapon: A Modern History of Suicide Bombing. Princeton: Princeton University Press.

Rummel, R.J. (1994) Death by Government. Transaction, New Brunswick.

Rummel, R.J. (1997) Statistics of Democide: Genocide and Mass Murder Since 1900. University of Virginia, School of Law, Charlottesville.

Sageman, M. (2004) Understanding terrorist networks. Internet.

Scherrer, C.P. (1997) Intra-State Conflict, Ethnicity and Mass Violence: Outlines of Extreme Contemporary Problems: Types, Causes, Issues, Conflict Escalation and Peace Strategies. Peace Research Institute, Copenhagen.

Scholl-Latour, P. (2001) Afrikanische Totenklage. Der Ausverkauf des schwarzen Kontinents. München.

Scholte, R. (2005) New killers: Analysing the causes of contemporary conflict-related violence at the level of the individual. Master thesis political science, University of Amsterdam.

Shearer, D. (1998) Private Armies and Military Intervention. Adelphi Paper 316, London.

Silke, A. (2006) The role of suicide in politics, conflict, and terrorism. Terrorism and Political Violence, 18, 35-46.

Simmel, G. (1955) Conflict. Free Press, New York.

Singer, P. (1981) The Expanding Circle: Ethics and Sociobiology. Farrar, Strauss & Giroux, New York.

Singer, P.W. (2003) Corporate Warriors: The Rise of Privatized Military Industry. Cornell University Press, Ithaca.

Sivard, R.L. (1996) World Military and Social Expenditures. World Priorities, Leesburg VA.

Smeulers, A. (2008) Perpetrators of international crimes: Towards a typology. In: Smeulers & Haveman (Eds.).

Smeulers, A. & R Haveman (Eds.) (2008) Supranational Criminology: Towards a Criminology of International Crimes. Intersentia, Antwerpen.

Smeulers, A. & L. Hoex (2010)  Studying the microdynamics of the Rwandan genocide. British Journal of Criminology,  50, 3, 1-20.

Snow, D.M. (1996) Uncivil Wars: International Security and the New Internal Conflicts. Lynne Rienner, Boulder CO.

Snow, D.M. (1997) Distant Thunder: Patterns of Conflict in the Developing World. M.E. Sharpe, Armonk NY.

Sofsky, W. (2003) Violence: Terrorism, Genocide, War. Granta Books, London.

Sprinzak, E. (2000) Rational fanatics. Foreign Policy, 120, 66-73.

Staub, E. (1989) Roots of Evil: The Origins of Genocide and Other Group Violence. Cambridge University Press, Cambridge.

Straus, S. (2006) The Order of Genocide: Race, Power, and War in Rwanda. Cornell University Press, Ithaca.

Stern, J. (2003) Terror in the Name of God: Why Religious Militants Kill. HarperCollins, New York.

Taarnby, M. (2003) Profiling Islamic suicide terrorists: A research report for the Danish Ministry of Justice. Aarhus: Centre for Cultural Research.

Temmerman, E. de (1995) De doden zijn niet dood. Rwanda: een ooggetuigenverslag. Arbeiderspers, Amsterdam.

Tilly, C. (1990) Coercion, Capital, and European States, AD 990-1990. Blackwell, Cambridge.

Tilly, C. (2003) The Politics of Collective Violence. Cambridge University Press, Cambridge.

Toffler, A. & H. Toffler (1994) War and Anti-War: Survival at the Dawn of the 21st Century. Little, Brown, Boston / London.

Townsend, E. (2007) Suicide terrorists: Are they suicidal? Suicide & Life-Threatening Behavior, 37, 1, 35-49.

Urdal, H. (2006) A clash of generations? Youth bulges and political violence. International Studies Quarterly, 50, 3, 607-629.

Verwimp, P. (2005) An economic profile of peasant perpetrators of genocide. Journal of Development Economics, 77, 297-323.

Victor, B. (2003) Army of Roses: Inside the World of Palestinian Women Suicide Bombers. Emmaus PA: Rodale Press.

Wallensteen, P. & M. Sonnenberg (2000) Armed conflict, 1989-99. Journal of Peace Research, 37, 5, 635-649.

Wasserstein, B. (2007) Barbarism and Civilization: A History of Europe in Our Time. Oxford University Press, New York (Nederlandse vertaling: Nieuw Amsterdam, 2008).

Welzer, H. (2008) Klimakriege. Wofür im 21. Jahrhundert getötet wird. Fischer Verlag, Frankfurt am Main (Nederlandse vertaling: Ambo, Amsterdam 2009).

WRVH (2002) World Report on Violence and Health. WHO, Geneva.

Zimbardo, Ph. (2007) The Lucifer Effect: How Good People Turn Evil. Rider Books, New York.

Zwi, A.B.; R. Garfield & A. Loretti (2002) Chapter 8: Collective violence. In: WRVH, Geneva.

 

Internet:

List of terrorist incidents: http://en.wikipedia.org/wiki/Terrorist_attack

List of terrorist organizations: http://www.cdi.org/terrorism/terrorist-groups.cfm

List of wars: http://en.wikipedia.org/wiki/List_of_wars

 

 

Tables
Tekstvak: Table 1: Taxonomy of wars (after Møller, 2002: 10)

1.	International wars
a.	Over sovereignty
i.	Wars between states, one in the role of the aggressor and the other as defender.
ii. Wars of collective defence, i.e., wars between opposing coalitions, or between coalitions and aggressor states.
iii. Wars of collective security, fought on behalf of ‘the international community’ against an aggressor.
b.	Over other values
i.	Humanitarian interventions, defined either as interventions with humanitarian motives or such as have ‘humanitarian consequences’.
2.	Intra-state wars
a.	Secessionist wars
b.	Wars over political power, i.e., for control of the State
c.	Wars of ethnic cleansing or genocide
d.	Wars over the control of resources
3.	Internationalised intra-state wars
a.	Intrastate wars with external military intervention
i.	in support of the State against insurgents
ii. in support of insurgents against the State
b.	Wars of fluid or permeable borders
4.	International wars between states and sub-state actors
a.	International terrorism
b.	Transnational organized crime

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



Table 2: Twelve Worst Twentieth Century Democides, Number of Deaths (x 1,000) (Rummel, 1994: 4).

 

Soviet Union (USSR), 1917-1987:

61,911

Communist China (PRC), 1949-1987:

35,236

Nazi Germany, 1933-1945:

20,946

Chinese nationalists (Kuomintang), 1928-1949:

10,075

China, Mao’s guerrilla period, 1923-1949:

3,466

Japanese imperialists, 1936-1945:

5,964

Cambodian Khmer Rouge, 1975-1979:

2,035

Turkey, 1909-1918:

1,883

Vietnam, 1945-1987:

1,670

Poland, 1945-1948:

1,585

Pakistan, 1958-1987:

1,503

Yugoslavia (Tito), 1944-1987:

1,072

 

 

Table 3: Frequency of Different Types of Armed Conflicts, 1985-1994 (after Scherrer (1997) in Jongman & Schmid (1998)) (n = 102)

 

A. Anti-Regime Wars or Political and Ideological Conflicts

(State vs. insurrection):                                                                                      19,6%

B. Ethno-nationalist Conflicts

(mostly infra-state conflicts, State vs. Nation):                                                    44,1%

C. Interstate Conflicts (State vs. State):                                                             11,8%

D. Decolonization War or Foreign-State-Occupations

(mostly Afro-Asiatic cases):                                                                              04,9%

E. Inter-ethnic or Tribal Conflicts (Communal conflicts):                                     13,7%

F. Gang Wars (non-state actors, mixed with criminal elements,

esp. in state collapse situations):                                                                        03,9%

G. Genocide (inc. politicide, democide – state-organized mass murder

& crimes against humanity):                                                                               02,0%

 

Table 4: Conflicts since 1950 with over 10,000 Fatalities (compiled by Heinsohn)*

1

40,000,000

Red China, 1949-76 (outright killing, manmade famine, Gulag)

2

10,000,000

Soviet Bloc: late Stalinism, 1950-53; post-Stalinism, to 1987 (mostly Gulag)

3

4,000,000

Ethiopia, 1962-92: Communists, artificial hunger, genocides

4

3,800,000

Zaire (Congo-Kinshasa): 1967-68; 1977-78; 1992-95; 1998-present

5

2,800,000

Korean war, 1950-53

6

1,900,000

Sudan, 1955-72; 1983-2006 (civil wars, genocides)

7

1,870,000

Cambodia: Khmer Rouge 1975-79; civil war 1978-91

8

1,800,000

Vietnam War, 1954-75

9

1,800,000

Afghanistan: Soviet and internecine killings, Taliban 1980-2001

10

1,250,000

West Pakistan massacres in East Pakistan (Bangladesh 1971)

11

1,100,000

Nigeria, 1966-79 (Biafra); 1993-present

12

1,100,000

Mozambique, 1964-70 (30,000) + after retreat of Portugal 1976-92

13

1,000,000

Iran-Iraq-War, 1980-88

14

900,000

Rwanda genocide, 1994

15

875,000

Algeria: against France 1954-62 (675,000); between Islamists and the government 1991-2006 (200,000)

16

850,000

Uganda, 1971-79; 1981-85; 1994-present

17

650,000

Indonesia: Marxists 1965-66 (450,000); East Timor, Papua, Aceh etc, 1969-present (200,000)

18

580,000

Angola: war against Portugal 1961-72 (80,000); after Portugal’s retreat (1972-2002)

19

500,000

Brazil against its Indians, up to 1999

20

430,000

Vietnam, after the war ended in 1975 (own people; boat refugees)

21

400,000

Indochina: against France, 1945-54

22

400,000

Burundi, 1959-present (Tutsi/Hutu)

23

400,000

Somalia, 1991-present

24

400,000

North Korea up to 2006 (own people)

25

300,000

Kurds in Iraq, Iran, Turkey, 1980s-1990s

26

300,000

Iraq, 1970-2003 (Saddam against minorities)

27

240,000

Colombia, 1946-58; 1964-present

28

200,000

Yugoslavia, Tito regime, 1944-80

29

200,000

Guatemala, 1960-96

30

190,000

Laos, 1975-90

31

175,000

Serbia against Croatia, Bosnia-Herzegovina, Kosovo, 1991-1999

32

150,000

Romania, 1949-99 (own people)

33

150,000

Liberia, 1989-97

34

140,000

Russia against Chechnya, 1994-present

35

150,000

Lebanon civil war, 1975-90

36

140,000

Kuwait War, 1990-91

37

130,000

Philippines: 1946-54 (10,000); 1972-present (120,000)

38

130,000

Burma/Myanmar, 1948-present

39

100,000

North Yemen, 1962-70

40

100,000

Sierra Leone, 1991-present

41

100,000

Albania, 1945-91 (own people)

42

80,000

Iran, 1978-79 (revolution)

43

75,000

Iraq, 2003-present (domestic)

44

75,000

El Salvador, 1975-92

45

70,000

Eritrea against Ethiopia, 1998-2000

46

68,000

Sri Lanka, 1997-present

47

60,000

Zimbabwe, 1966-79; 1980-present

48

60,000

Nicaragua, 1972-91 (Marxists/natives etc,)

49

51,000

Arab-Israeli conflict 1950-present

50

50,000

North Vietnam, 1954-75 (own people)

51

50,000

Tajikistan, 1992-96 (secularists against Islamists)

52

50,000

Equatorial Guinea, 1969-79

53

50,000

Peru, 1980-2000

54

50,000

Guinea, 1958-84

55

40,000

Chad, 1982-90

56

30,000

Bulgaria, 1948-89 (own people)

57

30,000

Rhodesia, 1972-79

58

30,000

Argentina, 1976-83 (own people)

59

27,000

Hungary, 1948-89 (own people)

60

26,000

Kashmir independence, 1989-present

61

25,000

Jordan government vs. Palestinians, 1970-71 (Black September)

62

22,000

Poland, 1948-89 (own people)

63

20,000

Syria, 1982 (against Islamists in Hama)

64

20,000

Chinese-Vietnamese war, 1979

65

19,000

Morocco: war against France, 1953-56 (3,000) and in Western Sahara, 1975-present (16,000)

66

18,000

Congo Republic, 1997-99

67

10,000

South Yemen, 1986 (civil war)

 

*All figures rounded. Sources: Brzezinski, Z., Out of Control: Global Turmoil on the Eve of the Twenty-first Century, 1993; Courtois, S., Le Livre Noir du Communism, 1997; Heinsohn, G., Lexikon der Völkermorde, 1999, 2nd ed.; Heinsohn, G., Söhne und Weltmacht, 2006, 8th ed.; Rummel. R., Death by Government, 1994; Small, M. and Singer, J.D., Resort to Arms: International and Civil Wars 1816-1980, 1982; White, M., Death Tolls for the Major Wars and Atrocities of the Twentieth Century, 2003.