Massaslachting en genocide:
een inleidend literatuuroverzicht


Sonja N.M. Tijthoff en Johan M.G. van der Dennen


Personalia
Dit literatuuroverzicht is gebaseerd op een engelstalig manuscript "The Evil' Mind. Part 1: Genocide" (1999) van Dr. Johan M.G. van der Dennen, vakgroep rechtstheorie, sectie politieke wetenschappen van de Universiteit van Groningen. Samenvatting en vertaling: Sonja N.M. Tijthoff, studente sociologie, faculteit sociale wetenschappen, Erasmus Universiteit Rotterdam.
Dit artikel is gepubliceerd in Vrede en Veiligheid - Tijdschrift voor Internationale Vraagstukken (v/h Transaktie), 29, 4, 2000, pp. 526-53.

Samenvatting
Het artikel beoogt een representatief overzicht te geven van de wetenschappelijke literatuur die betrekking heeft op massaslachting en genocide. Het overzicht is geordend aan de hand van de partijen die gewild en ongewild een rol spelen in een genocide; de staat, politieke bewegingen, de daders, de slachtoffers en de toeschouwers. Vanuit sociologisch en psychologisch perspectief wordt bekeken welke rol deze partijen volgens de verschillende wetenschappers in een genocide spelen. De nadruk ligt hierbij op de theoretische aspecten.



Inleiding

1,5 miljoen Armeniërs, 3 miljoen Oekraïners, 6 miljoen joden, 6 miljoen zigeuners en Slaven, 5 miljoen Russen, 5 miljoen Chinezen, 1 miljoen Ibos, 1,5 miljoen Bengalesen, 1,7 miljoen Cambodjanen, 500.000 Oegandesen, 250.000 Burundesen, 1 miljoen Soedanesen, 800.000 Rwandesen, 200.000 Bosnische Moslims.    (Zie noot 1)  1 Deze opsomming is een niet-volledige weergave van het aantal slachtoffers dat tijdens genociden in de twintigste eeuw is omgekomen. Volgens Rummel hebben genociden in de twintigste eeuw ongeveer negenendertig miljoen slachtoffers geëist.    (Zie noot 2)  2 De impact van genociden op de wereld is, zoals uit de cijfers blijkt, dusdanig dat de wetenschappelijke wereld niet om dit verschijnsel heen kan. Opvallend is echter dat genocide pas de laatste decennia intensief wordt bestudeerd. In deze studies ligt de nadruk voornamelijk op het beschrijven en verklaren van het verschijnsel. In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de betreffende literatuur.    (Zie noot 3)  3 Om een ordening aan te brengen in de literatuur is de keuze gemaakt om de partijen te bespreken die gewild en ongewild betrokken zijn bij een genocide. De partijen vervullen op verschillende niveaus van de samenleving (macro, meso, micro) hun rol in de genocide. Deze niveaus vormen de leidraad in dit artikel.

In de bespreking van de niveaus komen verscheidene factoren ter sprake die genocide beschrijven en verklaren. In het laatste deel van het artikel worden verklaringen en theorieën van verscheidene auteurs beschreven, waarin deze verschillende factoren worden geïntegreerd. De verhandeling begint met een uitleg en definitie van het woord genocide. Vervolgens komt het macro niveau ter sprake, waarin de staat de belangrijkste rol speelt. Daarna worden politieke bewegingen en groepen besproken die op het meso niveau een belangrijke rol spelen. Vervolgens komen de partijen op het micro niveau ter sprake die gewild en ongewild betrokken zijn bij een genocide: de daders, de toeschouwers en slachtoffers. In het laatste deel worden dus aan de hand van verschillende theorieën de daarvoor besproken factoren geïntegreerd.

Genocide

De term 'genocide' is afgeleid van het Griekse woord 'genos' (ras, stam, volk) en de Latijnse stamvorm 'cide' (doden, moorden). Het betekent letterlijk 'het vermoorden van een groep'. Het woord stamt uit de twintigste eeuw;    (Zie noot 4)  4 het verschijnsel is daarentegen eeuwenoud.    (Zie noot 5)  5 In klassieke Griekse en Romeinse werken zijn al gevallen van genocide opgetekend. Ook de bijbel verhaalt over massaslachtingen; zoals de afslachting van de inwoners van Jericho. In de Romeinse tijd heeft Caeasar tijdens zijn campagnes in Gallië naar schatting zo'n miljoen 'barbaren' afgeslacht. In de godsdienstoorlogen van de Middeleeuwen en de Reformatie waren massacres ook geen onbekend verschijnsel. Ten tijde van de kolonisatie roeiden de kolonisten zonder scrupules de inheemse volkeren uit die zij in de veroverde gebieden tegen het lijf liepen. Ook dekolonisatie en de eruit voortvloeiende machtsstrijd vormde in vele landen de grondslag voor genocide, waarvan de gevolgen heden ten dage nog zichtbaar zijn in landen zoals Rwanda en Burundi.    (Zie noot 6)  6 Genocide is dus geen nieuw verschijnsel dat alleen voorkwam in de twintigste eeuw. De wetenschappelijke en juridische aandacht voor dit verschijnsel is echter pas in de laatste decennia ontstaan. Een onderdeel hiervan vormde de aanname van'het verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van de misdaad genocide' in 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Het tweede artikel van dit verdrag bevat de definitie van genocide. Deze definitie luidt:
“In het onderhavige verdrag wordt met de term genocide aangeduid elk van de volgende daden, bedreven met als doel een nationale, etnische, raciale of religieuze groep als zodanig, geheel of gedeeltelijk, te vernietigen:
-Leden van de groep vermoorden;
-Het toebrengen van zwaar lichamelijk of geestelijk letsel aan leden van de groep;
-Het aan de groep bewust opleggen van levensomstandigheden die de gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging ten gevolge hebben;
-Het opleggen van maatregelen die erop gericht zijn geboortes te voorkomen;
-Het gewelddadig overbrengen van kinderen van de ene groep naar een andere groep.”    (Zie noot 7)  7

Deze definitie van genocide is voor vele onderzoekers te beperkt. Politieke, economische en sociale groeperingen kunnen bijvoorbeeld volgens de definitie geen doelgroep van genocide zijn.    (Zie noot 8)  8 Daarbij spreekt de definitie ook niet over de dader(s). De beperktheid van de juridische definitie heeft geleid tot het gebruik van ruimere en empirisch gevalideerde begrippen zoals: 'democide' en 'megamoord',    (Zie noot 9)  9 'ethnocide' en 'politicide',    (Zie noot 10)  10 en massacre of massaslachting of massamoord ('mass killing'),    (Zie noot 11)  11 een meer omvattend begrip waarvan genocide een speciale subcategorie vormt. Ook termen als 'culturele genocide', omnicide en linguicide zijn voorgesteld om bepaalde subcategorieën van genocide te benoemen.    (Zie noot 12)  12

De definitie binnen het genocide verdrag heeft tot veel discussie geleid over aspecten die wel en niet betrokken dienden te worden in een definitie van genocide. Verscheidene wetenschappers die zich bezighouden met het verschijnsel genocide hanteren over het algemeen inhoudelijk verschillende definities.

De verschillende definities bevatten echter ook een aantal punten waarover wel concensus bestaat. De belangrijkste aspecten zijn:
de groep slachtoffers worden eenzijdig door de daders gedefinieerd en geselecteerd;    (Zie noot 13)  13
de groep wordt op directe of indirecte manier fysiek vernietigd.    (Zie noot 14)  14
Jonassohn, bijvoorbeeld, formuleerde zo een 'consensus'-definitie die min of meer expliciet door veel onderzoekers wordt gehanteerd: intentionaliteit van de dader(s); fysieke vernietiging van de doelgroep en eenzijdige victimisatie.    (Zie noot 15)  15

Een van de vele controverses betreft de intentionaliteit (de vraag of genocide altijd een vooropgezet plan van een dader is). Veel definities, zoals de bovenstaande van Jonassohn, stipuleren dat genocide een intentionele daad moet zijn, maar in de praktijk is dat nauwelijks aan te tonen of met bewijzen te staven (Bovendien is er ten minste één vorm van genocide - die op inheemse volken tijdens de kolonisatie - die niet noodzakelijk gepland of georganiseerd is). Een belangrijk discussiepunt is ook de vraag of de staat altijd, direct of indirect, verantwoordelijk is voor genocide. Een andere langlopende controverse betreft de status van terreurbombardementen, oorlogsmisdaden, en etnische zuiveringen. Tenslotte is er een rancuneus debat over de uniciteit van de holocaust.    (Zie noot 16)  16

Zoals aan het einde van het artikel betoogd zal worden, bestaat er geen allesomvattende theorie van genocide.    (Zie noot 17)  17 Er zijn wel diverse typologieën en taxonomieën van genocide ontwikkeld.    (Zie noot 18)  18 Een relevant onderscheid is die tussen pragmatische en ideologische genocide.    (Zie noot 19)  19 Pragmatische of ookwel instrumentele genocide houdt in dat als een genocide een duidelijk economisch of politiek doel heeft, de genocide zal voortduren totdat dat doel bereikt is. Als genocide een transcendentaal doel heeft, zal de genocide voortduren totdat alle leden van een categorie vermoord zijn of totdat de daders zijn gearresteerd. Dit wordt door DuPreez ideologische of transcendentale genocide genoemd. In het nu volgende artikel komen beide typen ter sprake; de nadruk ligt echter op ideologische genocide.    (Zie noot 20)  20

Macro niveau

De staat

Op het macro niveau speelt de staat    (Zie noot 21)  21 (regeringen, overheden, regimes, politieke elites of individuele besluitvormers in het geval van totalitaire regimes) de belangrijkste rol in een genocide. De rol van de staat in een genocide is, in zijn uiterste vormen, direct en actief of indirect en passief. Veel tussenliggende rollen zijn echter denkbaar. Dat de staat een belangrijke rol speelt in genocide (vooral in totalitaire en communistische staten) staat echter voor veel - zoniet vrijwel alle - wetenschappers vast. Volgens Horowitz kan een genocide niet anders dan met toestemming of inmenging van het staatsapparaat uitgevoerd worden, omdat genocide een systematisch en georganiseerd karakter heeft.    (Zie noot 22)  22 De staat heeft dus een rol in een genocide ongeacht of deze actief of passief is. Zoals Chalk & Jonassohn het stellen, het plegen van een genocide vereist “een hoge mate van gecentraliseerde autoriteit en quasi- bureaucratische organisatie, omdat de meeste mensen onwillig zijn om een massaslachting onder weerloze slachtoffers uit te voeren”.    (Zie noot 23)  23 Drost stelt zelfs expliciet dat genocide een 'crime of state' is.    (Zie noot 24)  24

Een punt van discussie vormt de vraag of een massaslachting genocide kan worden genoemd als de staat niet actief en direct betrokken is bij de organisatie en/of uitvoer van een genocide. De meeste onderzoekers beschouwen genocide als een uigesproken daad van de staat.    (Zie noot 25)  25 De staat heeft volgens hen een actieve rol in een genocide. Palmer beweert echter dat in bepaalde omstandigheden de staat niet direct betrokken is bij een genocide, maar stilzwijgende toestemming geeft aan lokale autoriteiten, burgerwachten of doodseskaders voor het uitvoeren van een massaslachting.    (Zie noot 26)  26 Een voorbeeld hiervan is de uitroeiing van de Tasmaanse inheemsen. Zij werden uitgeroeid door kolonisten met de stilzwijgende instemming van koloniale autoriteiten. In het geval dat de staat geen bescherming biedt aan kwetsbare minderheden die worden aangevallen door moorddadige bendes is de rol van de staat passief.    (Zie noot 27)  27

Harff kent de staat ook een actieve rol toe in een genocide; zij ziet genocide als een uitgesproken voorbeeld van staatsterrorisme.    (Zie noot 28)  28 Zij beweert daarbij dat de kans op genocide wordt vergroot in landen waar een plotselinge en radicale verandering optreedt in de interne ontwikkeling van de staat en/of het systeem. Deze verandering is het gevolg van bijvoorbeeld een revolutie of een verloren oorlog. De empirische evidentie hiervoor is overweldigend.    (Zie noot 29)  29 In zulke perioden van verandering ontstaat vaak een machtsvacuüm. In combinatie met andere condities zoals het weren van buitenlandse invloeden en het passief reageren van interne en internationale organisaties, krijgt de staat de mogelijkheid om genocide te plegen. Kuper, Fein, Mazian en Chalk & Jonassohn ondersteunen de bewering van Harff    (Zie noot 30)  30 . Zij voegen hieraan toe dat in staten waar al enige tijd sprake is van interne problemen, de dominante groep geneigd is om uitgesloten raciale, religieuze en/of etnische groepen tot doelwit van genociden te selecteren. De heersende elite speelt hierin een belangrijke rol. Veelwetenschappers leggen de verantwoordelijkheid voor een genocide bij de heersende, politieke elites. De elites mobiliseren hun achterban in hun strijd om de macht. Wanneer zij ervan overtuigd zijn dat hun macht en het voortbestaan daarvan alle andere economische en sociale waarden overtreft, dan wordt de kans op genocide vergroot. Er bestaat echter discussie over het gegeven of een elite 'uit het niets' een genocide kan plegen. Kuper is van mening dat de elite gebruik en misbruik maakt van de sociale ontwikkelingen en krachten in de samenleving.    (Zie noot 31)  31 Ze zijn volgens hem niet in staat om in een evenwichtige samenleving een genocide te plegen.

Een aantal sociale wetenschappers dat genocide bestudeert, beweert dat geen enkele samenleving immuun is voor genocide; het is ingebouwd in de instituties van de soevereine staat. Zoals Kuper het stelt: “de soevereine territoriale staat claimt, als een integraal deel van zijn soevereiniteit, het recht om een genocide te plegen of deel te nemen aan een genocidale massaslachting”.    (Zie noot 32)  32 Rummel beweert echter dat democratische elites te weinig macht bezitten om (een groep) mensen uit te roeien.    (Zie noot 33)  33 De democratische cultuur verzet zich hiertegen. In zijn betoog legt hij, zoals de hiervoor beschreven auteurs, de nadruk op het behouden en/of verkrijgen van macht van een regime. Volgens hem bezitten vooral totalitaire regimes de macht om een genocide te plegen. Zij maken misbruik van deze macht om bepaalde doelen (waaronder het consolideren van macht, of verkrijgen van meer macht) te bereiken. Genocide wordt door Rummel zodoende gezien als een vooropgestelde grootschalige moord van een bepaalde groep mensen wier bestaan als bedreigend wordt beschouwd voor de samenleving door degenen die het geweldsmonopolie bezitten.    (Zie noot 34)  34 Een oorlog of revolutie kan volgens hem dienen als een dekmantel voor de uitroeiing van bepaalde sociale of politieke groepen. Wanneer de macht van een regime zo groot is geworden dat het regime alle aspecten van de samenleving beïnvloedt en er een absolutistische ideologie of religie bestaat, dan worden massamoorden een praktisch middel om doelen te bereiken ("Power kills, absolute power kills absolutely" is een typisch Rummeliaans adagium). Als de staat van mening is dat bepaalde sociale groepen de doelen of de overtuigingen van het regime bestrijden en/of dat zij de weg naar macht blokkeren, dan stelt de totalitaire macht het regime in staat om de groep te vernietigen. De conclusie van Rummel houdt in dat de mate van totalitarisme van een regime en omgekeerd evenredig het democratische gehalte van een regime de kans op genocide bepaalt. Genocide als gevolg van machtsmisbruik van een staat is door de geschiedenis heen geen zeldzaam verschijnsel.    (Zie noot 35)  35 Andere auteurs leggen eveneens de nadruk op het machtsmisbruik van een totalitair regime. In een staat die een monopolie van politieke macht bezit,    (Zie noot 36)  36 wordt deze macht volgens Hedrick-Wong vrijwel altijd door individuen of instituties misbruikt.    (Zie noot 37)  37 Genocide is, volgens deze auteurs, een daad van sociale controle in zijn meest extreme vorm die alleen uitgevoerd kan worden door een totalitaire staat.    (Zie noot 38)  38 Het is "een unieke strategie van een totalitair regime."    (Zie noot 39)  39

In tegenstelling tot de bewering van Rummel en andere auteurs is genocide (althans pragmatische genocide,    (Zie noot 40)  40 zoals bijvoorbeeld de geleidelijke uitroeiing van de Amazone Indianen door particuliere entrepreneurs) volgens Keeley niet het gevolg van machtsmisbruik van een staat, maar juist een gevolg van het ontbreken van macht.    (Zie noot 41)  41 Hij beweert dat door de zwakte of het ontbreken van staatscontrole massaslachtingen uitgevoerd kunnen worden. De staat is volgens deze theorie economisch gezien het meest gebaat bij het behoud van de levens van de vijand. Zij kunnen namelijk onbetaalde arbeid verrichten voor de staat. De slachtingen vinden vooral plaats doordat bevelhebbers van het leger geen controle meer hebben over hun soldaten. Een voorbeeld van zwakte van staatscontrole die kan leiden tot eenmassaslachting is de onderdrukking van de Herero-Nama opstand door de Duitse overheid in Zuidwest-Afrika in 1904. De lokale gouverneur gaf opdracht tot het uitroeien van de Herero's. De rijkskanselier en de Duitse koloniale machthebbers eisten dat dit bevel zou worden teruggedraaid door de keizer; het was inhumaan, slecht voor de public relations en door het uitmoorden van de inheemse arbeidskrachten zou “de mogelijkheid van (economische) ontwikkeling worden ondermijnd”. Hoewel de keizer het bevel terugdraaide, werd de slachting onder verantwoordelijkheid van de gouverneur voortgezet. Toen de gevechten een aantal jaren later eindigden, had slechts de helft van de Nama en een zesde van de Herero het overleefd.    (Zie noot 42)  42

Ideologie
De staat kan een genocide niet of nauwelijks uitvoeren als deze geen gebruik maakt van een legitimerend principe of een ideologie om de menselijke vernietiging te rechtvaardigen. Het pan-Turkisme vormde voor de Turken de rechtvaardiging voor het afslachten van de Armeniërs; de nazi's gebruikten het antisemitisme en de mythe van de Arische superioriteit als rechtvaardiging en legitimering van de holocaust. De leiders van een staat stellen over het algemeen de ideologie op, daarom vormt het een belangrijk onderdeel in de bespreking van het macro niveau. Het dringt echter door tot andere niveaus van de samenleving. Het gebruik en de inhoud van een ideologie zullen daarom ook besproken worden in de behandeling van de andere niveaus.

De sociale ineenstorting van een samenleving heeft het wegvallen van de bestaande normen en waarden tot gevolg. In deze situatie gaan mensen op zoek naar 'verlossing'. Een partij of groep die in een dergelijke periode opkomt verkondigt deze verlossing. De groep verheft fantasie tot werkelijkheid en wet.    (Zie noot 43)  43 De charismatische leider van de groep wijst een (gedemoniseerde of gedehumaniseerde) zondebok aan die verantwoordelijk is voor de crisis en verkondigt het aanbreken van een nieuw tijdperk na de eliminatie van de 'schuldigen'. Volgens Storr is het patroon van sociale ineenstorting waarna een charismatische leider opstaat een bekend fenomeen in de wereldgeschiedenis.    (Zie noot 44)  44 De leider maakt gebruik van een ideologie of mythe om de genocidale daden, die na de omwenteling volgen, te verantwoorden. Volgens Cohn en Kuper is de legitimering van genocide door middel van een ideologie een noodzakelijke voorwaarde voor genocide.    (Zie noot 45)  45 Beide stellen dat de daders de ideologie gebruiken om hun daden uit te kunnen voeren. Kuper beweert echter ook dat de ideologie na de massaslachting als rechtvaardiging voor de slachting kan worden geconstrueerd. Beide veronderstellen dat de daders een ideologie nodig hebben, omdat mensen een afkeer zouden hebben van het afslachten van de eigen soortgenoten. Cohn bijvoorbeeld beschouwt genocide niet als het resultaat van berekende daden, maar als resultaat van handelen vanuit Messiaanse, apocalyptische fantasieën die verlossing beloven.    (Zie noot 46)  46 Deze fantasieën veronderstellen dat alleen door het offer van de massaslachting de wereld gezuiverd kan worden van het kwaad en de onderdrukking. Ze veronderstellen een 'Manicheïsch universum'    (Zie noot 47)  47 , waarbij de potentiële slachtoffers gestigmatiseerd worden als de belichaming van het kwaad: niet-menselijk, onrein en duivels. Zulke fantasieën bestaan volgens Cohn al eeuwen.

Binnen en door een ideologie worden twee groepen schismatisch tegenover elkaar gezet: de dominante groep die de ideologie opstelt en de ondergeschikte groep die beschreven wordt als de vijand en uiteindelijk het slachtoffer van de genocide vormt. De dominante groep verwerkt in zijn ideologie twee elementen die de vijandigheid tussen de twee groepenversterkt. Deze elementen zijn: uitverkorenheid en trauma.    (Zie noot 48)  48 Het 'uitverkoren volk' is volgens Galtung en Volkan    (Zie noot 49)  49 uitverkoren dankzij goddelijke of andere transcendentale machten; ze zijn begiftigd boven anderen en gezalfd om een licht te zijn voor anderen met het recht en de plicht om hen te regeren. Uitverkorenheid leidt tot collectieve sentimenten van superioriteit ten opzichte van anderen. Het trauma bevat het idee dat men tot een volk behoort dat heeft geleden door toedoen van anderen. De trauma's worden gebruikt om het idee van uitverkorenheid te versterken; 'wij hebben zoveel geleden, dat er wel een diepere betekenis moet zijn voor dit lijden.' De toekomst voorspelt nieuwe trauma's. Door een mix van angst en 'self-fulfilling prophecy' worden deze trauma's bewaarheid. De groep verenigt de mentale representatie van de traumatische gebeurtenis(sen) in zijn identiteit. Dit leidt tot de intergenerationele overdracht van historische vijanden en/of vijandsbeelden. Als een trauma een uitverkoren trauma wordt, geldt de historische waarheid niet meer.

De ideologie kent de ondergeschikte groep ook een plaats toe. Het beschrijft een definitieve omwenteling die de grondslag vormt voor een utopische samenleving. De ondergeschikte groep is voor de realisering van dit uiteindelijke doel onbruikbaar.    (Zie noot 50)  50 De groep wordt afgeschilderd als een “kleine en geheime samenzwering die binnen de samenleving bestaat. Deze geheime samenzwering vormt een dodelijke bedreiging van de grote samenleving. De samenzweerders voeren onmenselijke praktijken uit,” zoals bijvoorbeeld de rituele slachting van jonge kinderen en het houden van kannibalistische feesten.    (Zie noot 51)  51 De geheime samenzwering vertegenwoordigt het absolute kwaad. Zulke beschuldigingen ontstaan volgens Storr, aansluitend bij Cohns theorie, uit een bepaald type fantasie die vergeleken kan worden met paranoïde waanideeën die gevonden worden bij psychotische personen.    (Zie noot 52)  52

Het meest bekende voorbeeld van een ideologie die een rol speelt in genocide is antisemitisme. Cohn beschrijft dat Middeleeuwse paranoïde waanideeën over een joodse samenzwering in een nieuw jasje werden gestoken en bijdroegen aan het motief voor de holocaust.    (Zie noot 53)  53 “(Uitroeiings)-antisemitisme ontstaat wanneer joden worden gezien als een collectieve belichaming van het kwaad, een samenzwerend lichaam dat zich wijdt aan het domineren en vernietigen van de mensheid. Ongeacht de daadwerkelijke situatie van de joden in een samenleving kan deze vorm van antisemitisme in een samenleving aanwezig zijn.”    (Zie noot 54)  54 Deze fantasie werd het fundament van de nazi propaganda. De aantrekkingskracht van het nazisme was gebaseerd op fantasieën die 'bedacht' waren om gevoelens van ongerustheid, angst, mislukking en demoralisatie te kunnen uiten. “Een anti-Duitse samenzwering van joden en hun achterban bedreigde het bestaan van de Duitse natie. alleen de totale vernietiging van de joden kan de Duitsers redden en stelt hen in staat om het beloofde land te betreden.”    (Zie noot 55)  55 De rol van het antisemitisme in de holocaust is echter onderwerp van discussie. Goldhagen stelt bijvoorbeeld dat een belangrijke oorzaak van de holocaust 'het uitroeiings- (of eliminatie)-antisemitisme'    (Zie noot 56)  56 is en dat de daders participeerden omdat zij dachten dat de vernietiging van de joden sociaal gewenst was.    (Zie noot 57)  57 Fein beweert echter dat "...het niet de groei van antisemitisme en de jodenhaat was maar de groei van morele onverschilligheid en uitsluiting van joden van de politieke gemeenschap waardoor de Duitsers de deportatie en vernietiging van de joden door de vingers zagen en negeerden.”    (Zie noot 58)  58

Meso niveau

Politieke bewegingen

Op het meso niveau bevinden zich de politieke bewegingen. Zij spelen ook een belangrijkerol in genocide. Politieke bewegingen onderscheiden zich door verschillende kenmerken. Een van die kenmerken is het (potentieel) gebruik van geweld om vooropgestelde doelen te bereiken. De ene politieke beweging is geweldloos terwijl de andere volledig gewelddadig is. Elk van deze politieke bewegingen bevindt zich op een continuüm van pacifistisch tot genocidaal. Als een samenleving zich in een onstabiele periode bevindt, kunnen de gewelddadige bewegingen de overhand krijgen. DuPreez noemt dit het 'genocidal potential': een gebeurtenis heeft kans om tot een genocide te escaleren als er een genocidale beweging is en als er zich bepaalde situaties voordoen waarin deze bewegingen tot genocide worden aangezet.    (Zie noot 59)  59 Deze situaties zijn volgens DuPreez: economische crises en moeilijke tijden in een land, een gewelddadige geschiedenis van een land, een langdurende geschiedenis tussen de groepen die de daders en slachtoffers representeren, het ineenstorten van het politiek centrum, oorlog en polarisatie. De situaties die ook tot genocide kunnen leiden zijn situaties waarin de bestaande regering niet als legitiem wordt beschouwd en/of de politiek niet in staat of van plan is om het paramilitaire straatgeweld in bedwang te houden. De gewelddadige bewegingen komen juist in deze tijden op omdat zij de vijand duidelijk definiëren. De bewegingen selecteren de groep(en) die in de loop van de geschiedenis altijd als vijand zijn beschouwd. De verantwoordelijkheid van het lijden van het volk wordt op deze groep geschoven. Zulke bewegingen hebben aantrekkingskracht op de bevolking omdat zij de oude sentimenten verwoorden in nieuwe ideologieën. Daarentegen suggereert Hoffer dat "een opkomende massabeweging een volgeling niet aantrekt en/of behoudt door zijn doctrines en beloften, maar dat de beweging als toevluchtsoord dient om de onvruchtbaarheid en zinloosheid van het individuele bestaan te ontvluchten."    (Zie noot 60)  60 Staub beweert eveneens dat men zich aansluit bij massabewegingen om persoonlijke behoeften te vervullen.    (Zie noot 61)  61 Hij is echter van mening dat de persoonlijke behoeften al vervuld worden, doordat de beweging een ideologie uitdraagt die een visie, hoop en een gevoel van eigenwaarde verstrekt.

Binnen de beweging of groep worden vaak dezelfde opvattingen gedeeld. Deze opvattingen bestaan uit overtuigingen ten aanzien van bepaalde problemen, motieven en 'oplossingen'. Ze worden verdedigd met behulp van verschillende mechanismen zoals: ontkenning, selectieve perceptie, selectieve blootstelling aan informatie en andere methoden. De opvattingen van een groep dragen bij tot het opzetten van de ene groep tegen een andere groep. De minderheidsgroep krijgt zodoende de schuld van de problemen van de andere groep. De opvattingen verworden vaak tot een irrationele ideologie. Bigelow beschrijft dat “elke groep iets intiems, unieks moet bezitten, waardoor de samenhang in de groep behouden blijft.    (Zie noot 62)  62 Irrationele ideeën dienen dit doel beter dan rationele; zij zijn niet alleen eenvoudiger te bedenken en uit te dragen, maar worden ook minder snel verward met ideeën van de vijand". Een irrationele ideologie heeft een belangrijke functie voor de groep. Ze legt nadruk op het ontstaan en voortbestaan van gelijkheid binnen een groep; ze behoudt en bevordert de interne cohesie binnen de groep en de segregatie tussen de groepen. “Personen krijgen een onderlinge binding dankzij een ideologie.”    (Zie noot 63)  63 Men zou verwachten dat 'normale' mensen een ideologie niet ondersteunen als deze niet op waarheid berust; de geschiedenis bewijst echter het tegendeel. Hele samenlevingen hebben de meest bizarre lasterpraat en gruwelverhalen over 'vijandige' minderheden aan- en overgenomen. Ideologieën mobiliseren personen en moedigen ze aan tot het plegen van genocide.
De interne cohesie van een groep wordt niet alleen versterkt door een ideologie, maar ook door het gebruik van geweld.    (Zie noot 64)  64 In het proces van ideologische transformatie komen beide factoren naar voren.    (Zie noot 65)  65 Het proces bestaat uit twee delen. In het eerste deel wordt het leed dat door mensen individueel wordt ervaren, tot collectief leed verheven en ervaren. Lijdenverenigt een groep. Het vormen van politieke bewegingen en het opstellen van ideologieën heeft tot gevolg dat persoonlijke ervaring en lijden gecollectiviseerd en geïdeologiseerd worden; het individueel leed verwordt tot collectieve misère. Het tweede deel van het proces is de ideologische versnelling. Als mensen zich aansluiten bij een groep verstevigt de band met de groep en verzwakt de verbondenheid met anderen buiten de groep. Het gebruik van geweld verstevigt de onderlinge band. De leden van de groep bevinden zich in een gewelddadige negatieve spiraal. Zij nemen in het begin deel aan activiteiten zoals het uitschelden van buitenstaanders en het dragen van uniformen. Langzamerhand worden deze activiteiten gewelddadiger; zoals het vernielen van andermans bezit, het vernederen van vijanden en grootscheepse optochten. Het proces eindigt met het vermoorden van andere mensen. Een combinatie van beloningen en straffen, van festiviteiten en terreur wordt gebruikt om de beweging te profileren en de leden aan zich te binden. Degenen die de gewelddadige weg zijn ingeslagen, worden met het zetten van een nieuwe stap op twee manieren onder druk gezet. Aan de ene kant wordt gedreigd met straf en terreur als men de stap niet neemt en aan de andere kant wordt men indien men wel de stap neemt verleid met beloningen. De ideologische versnelling verdeelt de wereld in twee kampen: de eigen groep en de vijand die het absolute kwaad vertegenwoordigt.
Omdat massaslachtingen worden uitgevoerd door collectief opererende individuen, stelt juist een beweging mensen in staat om massaslachtingen uit te voeren.    (Zie noot 66)  66 Het zijn leden van een politieke beweging die in een onstabiele en bedreigende sociale omgeving gewelddaden plegen. Zij voeren de genocide uit in naam van de samenleving, de natie, het leger, de politie of de kerk.    (Zie noot 67)  67

Micro niveau

Inleiding

Op het micro niveau bevinden zich drie verschillende partijen. Ten eerste de daders die het moorden uitvoeren. Zij worden tot moorden aangezet door groepsprocessen en individuele psychologische processen. De tweede partij zijn de toeschouwers die door hun passiviteit een belangrijke rol vervullen in het moorden. De derde partij die onwillig bij een genocide betrokken worden, zijn de slachtoffers.

Daders
Elke verklaring van genocide gericht op het sadistische (of anderszins pathologische) karakter van de daders is ontoereikend. Arendt beweert dat de daders die participeerden in de nazi slachtingen "niet sadistisch of moordenaars van nature waren; in tegendeel, een systematische poging werd ondernomen om degenen die er plezier aan beleefden te verwijderen.”    (Zie noot 68)  68 Bauman beweert dat de meesten van ons in staat zijn tot gruwelijkheden en in rollen vervallen die de samenleving ons toeschrijft.    (Zie noot 69)  69

Groepsprocessen
Groepsprocessen kunnen een bijdrage leveren aan de totstandkoming van geweld. Sommige interne groepsprocessen zijn universele psychologische tendensen, zoals het maken van een onderscheid tussen de 'in-' en 'outgroup' en etnocentrisme. Het 'wij' - 'zij' ('in-' en 'outgroup') onderscheid is het onderscheid die personen maken tussen de eigen en de andere groep. Dit onderscheid kan een vaststaand gegeven worden van een cultuur. Het onderscheid versterkt daarbij andere factoren zoals het zoeken van een zondebok (zie ideologie en bewegingen) en het 'just-world' denken; het denken in termen van een rechtvaardigewereld.    (Zie noot 70)  70 Genocidale samenlevingen hebben een tendentie naar 'just-world' denken. Het houdt de overtuiging in dat de slachtoffers het lijden aan zichzelf te danken hebben ten gevolge van hun daden of door hun slechte karakter. Ze verdienen zodoende wat ze krijgen en krijgen wat ze verdienen.    (Zie noot 71)  71

Etnocentrisme is de overtuiging van de superioriteit van de eigen groep of samenleving ('ingroup') en gaat over het algemeen samen met het degraderen van de andere groep ('outgroup'). Antropologische evidentie laat zien dat etnocentrisme een universeel verschijnsel is.    (Zie noot 72)  72 Etnocentrisme is een voldoende voorwaarde om vijandige gedragingen tussen groepen te creëren. Etnocentrisme en het maken van onderscheid tussen de 'in-' en 'outgroup' zijn niet de enige groepsprocessen die leiden tot geweld. Groepsdruk kan ook een belangrijke oorzaak zijn voor het plegen van moorden.    (Zie noot 73)  73 Browning beschrijft de massaslachting van joden in de bossen van Jozefow (Polen) tijdens de tweede wereldoorlog. De mannen van het Reserve Politie Bataljon 101 waren van middelbare leeftijd. Ondanks dat zij nog nooit hadden gemoord, schoten zij van dichtbij mensen neer. Doordat de majoor moeite had met het moordbevel wat hij van hogerhand had ontvangen, gaf hij de mannen voor het moorden begon de gelegenheid om niet te participeren. Slechts een handvol mannen van de vijfhonderd gaf aan dat zij niet wilden meedoen. Een belangrijke factor in de verklaring van Browning is conformisme. “Toch gaven veel politiemannen toe dat ze gereageerd hadden op de druk van het conformisme; hoe zouden de kameraden hen zien?..” “Tachtig tot negentig procent van de mannen is overgegaan tot doden, hoewel ze vrijwel allemaal - althans in het begin - geschokt waren over hetgeen ze deden. Uit het gelid treden, openlijk non-conformistisch gedrag aan den dag leggen, dat ging eenvoudig de kracht van de meeste mannen te boven. Dan was het nog gemakkelijker om te schieten.”    (Zie noot 74)  74

Individuele psychologische processen
Renwick Monroe, Van der Dennen en vele andere theoretici beschouwen het psychische afstand creëren tussen de dader en het slachtoffer als de belangrijkste psychologische factor voor het plegen van genocide.    (Zie noot 75)  75 Psychologische of emotionele verbondenheid met een slachtoffer kan de bereidwilligheid om te participeren in gewelddadig gedrag gericht op het slachtoffer beïnvloeden. Er bestaan verschillende mechanismen die tot doel hebben om deze psychische afstand te creëren. Deze mechanismen rationaliseren, sussen, ontkennen of vermijden de verantwoordelijkheid en schuld van de dader ten aanzien van zijn gewelddadige gedragingen. Deze psychisch afstandsscheppende mechanismen zijn bijvoorbeeld autorisatieprocessen, gehoorzaamheid, bureaucratie, routine, dehumaniseren, degraderen, het anonimiseren van het slachtoffer en het slachtoffer buiten de wereld van verplichtingen plaatsen.    (Zie noot 76)  76 Andere psychologische mechanismen zoals 'just-world' denken kunnen bovenstaande processen faciliteren.    (Zie noot 77)  77

In sommige situaties verschuift de verantwoordelijkheid van de daders op de organisatie of autoriteit. Autorisatieprocessen creëren namelijk een situatie waarin mensen betrokken raken bij gewelddadige acties zonder over de gevolgen na te denken.    (Zie noot 78)  78 Als de dader de eerste stap heeft gezet, is hij 'gevangen' in het proces van geleidelijke en escalerende betrokkenheid waarin de druk om door te gaan groot is. Sabini & Silver noemen dit de betrokkenheidsval ('committment trap').    (Zie noot 79)  79 Het gegeven van autorisatie van gewelddaden draagt de rechtvaardiging al in zich; de individuele dader hoeft geen oordeel te vormen over zijn daden. Individuen voelen zich verplicht om te gehoorzamen aan de bevelen van de autoriteiten; het gehoorzamen van de leiding vormt de norm.    (Zie noot 80)  80 Toen de beruchte nazi, Irma Grese,geconfronteerd werd met haar wreedheden, zei ze: "Het was onze taak om alle antisociale elementen te vernietigen, zodat de toekomst van Duitsland verzekerd zou zijn.”    (Zie noot 81)  81 Het onderzoek van Milgram laat zien dat gehoorzaamheid de doorsnee burger overhaalt om te participeren in gewelddaden. In dit onderzoek “kregen proefpersonen van een 'wetenschappelijk gezagspersoon' bij een zogenaamd leerexperiment instructies om een toenemende reeks gesimuleerde elektrische schokken toe te brengen aan een acteur/ slachtoffer.”    (Zie noot 82)  82 Milgram was verbijsterd dat gewone individuen zo ver gingen in het gehoorzamen van de bevelen van de onderzoeker. "Het is het oude verhaal van 'doen wat er opgedragen wordt' wat men tijdens het Neurenbergproces voortdurend hoorde van de verdachten. Voor een groot aantal mensen is het een fundamentele vorm van denken wanneer ze in een ondergeschikte positie in een autoritaire structuur (vast)zitten. Het verdwijnen van een gevoel van verantwoordelijkheid is het meest verreikende gevolg van onderwerping aan autoriteit."    (Zie noot 83)  83 "Wanneer men de lange en mistroostige geschiedenis van de mensheid in beschouwing neemt, vindt men meer verborgen misdaden die uitgevoerd zijn in de naam van gehoorzaamheid dan in naam van rebellie."    (Zie noot 84)  84 Hannah Arendt concludeert eveneens dat Eichmann geen monster was maar een plichtsgetrouwe burger die gehoorzaamde aan het 'Befehl ist Befehl'.    (Zie noot 85)  85

Andere mechanismen waardoor de daders niet of nauwelijks verantwoordelijkheid nemen voor hun gewelddadige acties en die afstand tot het slachtoffer creëren zijn bureaucratisering en routine. Degenen die de genocide plannen, zijn op de hoogte van het gegeven dat het moordproces effectiever verloopt als de mensen die de besluiten nemen over wie er vermoord worden, gescheiden worden van degenen die het daadwerkelijke moorden uitvoeren. De morele weerstand neemt grotendeels af door de acties te veranderen in routinematige, mechanistische, voorgeprogrammeerde handelingen. Door het routinematige proces versterken de verschillende eenheden elkaar in de zienswijze dat wat is opgestart en draait, volkomen normaal, correct en legitiem is. De gedeelde illusie dat men betrokken is bij een legitieme onderneming heeft tot gevolg dat de participanten zich richten op andere doelen zoals de efficiëntie van hun arbeid, de productiviteit van hun eenheid of de cohesie in de groep.    (Zie noot 86)  86 Het individu kan daarnaast persoonlijke doelen nastreven zoals welvaart, status en macht - of meer altruïstische doelen - zorg voor de familie.    (Zie noot 87)  87 Zij concentreren zich op de directe taak, waarbij ze de ethiek en de gevolgen van hun handelingen, de uitkomst van het proces, ontlopen en/of ontkennen. Bureaucraten maakten de regels en treinschema's voor het transporteren van de slachtoffers. Ze beschouwden de slachtoffers steeds meer als lichamen die geteld en genoteerd moesten worden in hun rapporten; als personen zonder gezicht die hun productiecijfers en promotie bepaalden. De commandanten van de concentratiekampen richtten zich op efficiëntie. Sommige nazi doctoren in de kampen richtten zich tijdens hun gruwelijke experimenten op de medische 'vooruitgang'.    (Zie noot 88)  88

Een groot aantal auteurs is het er over eens dat de belangrijkste voorwaarde voor genocide dehumanisatie (ontmenselijking) is.    (Zie noot 89)  89 Dehumanisatie - het ultieme psychische- afstandsscheppende mechanisme - kan opgevat worden als het degraderen van het slachtoffer tot het niveau van ongedierte (bestialisering) of object. Meestal gaat het - merkwaardig genoeg - gepaard met demonisering of diabolisering. Het lijkt een universeel fenomeen te zijn.    (Zie noot 90)  90 De ontkenning van menselijkheid is een belangrijk onderdeel van elke definitie van dehumanisatie, omdat het de nadruk legt op het aspect van uitsluiting.    (Zie noot 91)  91 Kelman beschouwt dehumanisatie als een van de processen waarin "de normale morele remmingen tegen geweld verzwakt worden." Hij beweert dat remmingen tegen het vermoorden van menselijkesoortgenoten zo sterk zijn dat het slachtoffer van zijn menselijke status beroofd moet worden indien het systematisch moorden op een soepele en ordelijke wijze wil verlopen en/of voortgezet wil worden. Dehumanisatie creëert een perceptie van de ander als niet-mens: als statistiek, product of vervangbaar element in een onmetelijk 'spel van getallen'. Het heeft onverschilligheid en ongevoeligheid tot gevolg.    (Zie noot 92)  92

Dehumanisatie wijst tevens op een combinatie van kwaadaardige psychologische groepsprocessen. Het is een reactie gebaseerd op de behoefte van een groep om niet hetzelfde te zijn als de vijand. Het vertegenwoordigt een poging om duidelijke grenzen tussen twee groepen te trekken. Het wordt instandgehouden door vijandigheid tegen en angst voor de andere groep. Door dehumanisatie verdwijnen gevoelens van schuld omdat het gerechtvaardigd is om het niet-menselijke (onmensen, ongedierte) uit te roeien. Het moorden kan zodoende gevoelens van genot en triomf oproepen, omdat het de absolute controle over de vijandige groep representeert.    (Zie noot 93)  93 In zijn analyse van 'de sociologie van het kwaad', verwijst Coser naar gevangenbewaarders in het concentratiekamp die op brute wijze joden, Oekraïners en andere gevangenen vermoordden tijdens de tweede wereldoorlog.    (Zie noot 94)  94 Ze beweerden vol overtuiging dat hun daden gerechtvaardigd waren omdat de slachtoffers geen “mensen waren zoals jij en ik”. Ondanks dat deze bewakers in dezelfde fysieke omstandigheden verkeerden als hun slachtoffers, bouwden ze zo'n onoverbrugbare psychische en sociale afstand tussen 'hen' en 'ons' dat ze hun slachtoffers beschouwden als niet behorend tot hetzelfde menselijke ras.
Dehumanisatie gaat samen met andere mechanismen die psychische afstand creëren tussen de dader en het slachtoffer, te weten: degraderen, het anonimiseren van de slachtoffers en de daders die de slachtoffers buiten hun 'wereld van verplichtingen' plaatsen. Een terugkerend thema in de literatuur van de Duitse concentratiekampen en in Solzhenitsyns bijdragen over de Russische kampen is de onafgebroken degradatie van de gevangenen.    (Zie noot 95)  95 Uithongering en vervuiling van gevangenen waren en zijn effectieve instrumenten voor het degraderen van deze gevangenen. Zij waren in de concentratiekampen slecht gekleed, kregen te weinig voedsel en werden gedwongen om hard te werken. Het was onmogelijk om schoon te blijven en vele gevangen verloren al snel interesse in de persoonlijke hygiëne. Dysenterie en andere ziekten waren wijdverspreid.    (Zie noot 96)  96 Volgens Stangl (de commandant van het vernietigingskamp Treblinka) werden gevangen gedegradeerd, ondanks dat ze werden vermoord, om het moorden voor de daders dragelijker te maken.    (Zie noot 97)  97
Door slachtoffers als anonieme wezens te behandelen, verliezen zij in de ogen van de dader hun identiteit. Hierdoor verdwijnen de remmingen van de dader ten aanzien van gewelddadig gedrag. De studie van Zimbardo, waarin proefpersonen willekeurig de rol van gevangene en gevangenbewaarder kregen toebedeeld, en de onderzoeken van anderen hebben laten zien dat het anonimiseren van slachtoffers tot gevolg heeft dat daders die in het dagelijkse leven de wet niet overtreden zich onder die omstandigheden asociaal en gewelddadig gaan gedragen.    (Zie noot 98)  98 De daders plaatsen de slachtoffers buiten hun 'wereld van verplichtingen'.    (Zie noot 99)  99 De waarden en normen van de dader gelden niet in zijn gedragingen ten aanzien van de slachtoffers. Gewelddadige gedragingen ten opzichte van personen die buiten de wereld van verplichtingen staan, worden daarbij door de samenleving niet beschouwd als misdaden.

Het gebruik van metaforen vergemakkelijkt het dehumaniseren van slachtoffers. Susan Sontag beweert in haar analyse 'Ziektes als Politieke Metafoor' dat moderne totalitaire regimes vooral gebruik maken van ziektebeelden.    (Zie noot 100)  100 De nazi's beschreven Europese joden als syfilis en kanker die uitgeroeid moesten worden; "een aanzet tot geweld vormt debeschrijving van een fenomeen als kanker woekerend in het lichaam van de maatschappij.”    (Zie noot 101)  101 Tevens gebruikt men dierlijke metaforen zoals parasiet of bacil. Genocide wordt zodoende een preventief wetenschappelijke instrument voor de bestrijding van vervuiling of besmetting die wordt veroorzaakt door personen die gezien worden als parasieten en bacteriën die ziekte en dood in de gastheer tot gevolg hebben. De overleving van de 'ingroup' staat op het spel; massamoord wordt een daad om te overleven, waarin zelfs de meest drastische maatregelen gerechtvaardigd zijn. Deze bizarre acceptatie van tegenstrijdigheden vindt men op alle niveaus van de samenleving.    (Zie noot 102)  102

Toeschouwers
De rol van de zogenaamde toeschouwers in een genocide moet niet onderschat worden. Misdaden die door de staat worden begaan, worden vaak getolereerd door het publiek. De oorzaak hiervan kan liggen in onwetendheid over wat zich afspeelt en/of in het gegeven dat de moorddadige activiteiten niet zo persoonlijk bedreigend worden ervaren als wat mensen als een echte misdaad beschouwen zoals een overval of verkrachting. De zakenman die de wet ontduikt, beschouwt zichzelf ook niet als een crimineel, omdat hij niet aan het stereotype van een crimineel voldoet. Angst kan tevens een reden zijn om onverschilligheid aan te wenden. Deze onverschilligheid heeft tot gevolg dat de toeschouwer discriminerende en gewelddadige daden negeert. Men is niet in staat om de vervolging en het moorden te stoppen. De Temmerman beschrijft de rol van de angst, de stille collaboratie en het gedrag van de 'onschuldige toeschouwer' tijdens de Rwandese genocide (1994) op de volgende manier: “Veel Hutu's wilden niet meewerken aan de slachtingen maar hadden ook de moed niet om de Tutsi's te beschermen. De Hutu's van het zuiden wendden dus onverschilligheid voor opdat men hen niet voor bondgenoten van het RPF zou aanzien. Ze applaudisseerden voor de moordenaars, uit angst. Of ze deden mee om te kunnen plunderen. De meeste Hutu's van het noorden hebben daarentegen wel van harte meegedaan. De vrouwen waren het ergst. Jaloezie speelt daarbij een rol. Er werd altijd gezegd dat de Tutsi-vrouwen de mooiste vrouwen van het land zijn.”    (Zie noot 103)  103 Verwimp schrijft het volgende: "Het klopt dat vele boeren geparticipeerd hebben in de moordacties, maar dit moet juist verklaard worden vanuit de keuzes en beperkingen die zij hadden. In vele dorpen werd moorden de norm, een norm die door de burgemeester werd gezet. De boer had de keuze tussen meedoen of zelf vermoord worden. Voeg daarbij de sterke sociale controle in de Rwandese maatschappij en je komt dicht bij een verklaring. De gedachte en de sociale druk solidair te moeten zijn ten opzichte van de autoriteiten, de propaganda van het regime die de Tutsi's gedehumaniseerd had, de straffeloosheid die in Rwanda heerste en de angst zelf gedood te worden, waren elementen die de keuze van de boeren bepaalden. Het vooruitzicht een stuk grond te kunnen bemachtigen speelde weliswaar ook een rol... In sommige dorpen, vooral in het noorden, was er actieve medewerking van de bevolking, maar dikwijls moesten boeren gedwongen worden (geweer tegen het hoofd) om andere mensen te vermoorden. De Rwandese boer zal nooit spontaan aan het moorden gaan. Pas nadat zij door de machthebbers werd aangespoord om te moorden, hebben velen meegedaan."    (Zie noot 104)  104

De nazi's hadden waarschijnlijk ook niet veel succes gehad zonder de actieve en stilzwijgende hulp van collaborateurs die zichzelf niet als nazi beschouwden of zelfs tegen Hitlers beleid waren. Volgens Simpson kon de holocaust zo'n grote omvang aannemen doordat de nazi's geld, land, status en andere beloningen aanboden voor de actieve of stilzwijgende hulp van toeschouwers.    (Zie noot 105)  105
Valentino's recente 'strategische' benadering van massamoord en genocide vormt eenwelkome toevoeging aan het theoretische repertoire.    (Zie noot 106)  106 Zijn benadering houdt in dat politieke leiders of elites massamoord 'strategisch (en min of meer 'rationeel') 'in kunnen zetten' als ze denken dat daarmee politieke, militaire, dan wel economische problemen kunnen worden opgelost of dat politieke bedreigingen ermee kunnen worden afgewend. Voor een dergelijke 'radicale' oplossing - waartoe leiders overigens volgens Valentino niet lichtvaardig toe besluiten - is een breed draagvlak bij de bevolking absoluut geen vereiste. Het is mogelijk dat grote delen van het volk een massaslachting steunen of zelfs toejuichen, maar nodig is dat allerminst. Een kleine, goed-georganiseerde en goed-bewapende minderheid kan een gruwelijk bloedbad aanrichten onder niet-georganiseerde en niet-bewapende slachtoffers. Onverschilligheid en passiviteit bij het grote publiek - en niet bloeddorst of dehumanisatie of sterke ideologisch overtuiging of indoctrinatie of gehoorzaamheid - is alles wat daarbij nodig is. Kortom, massaslachting en genocide zijn 'dure' oplossingen en staan daarom nooit hoog op de politieke prioriteitenlijst. Men hoeft daarbij niet te veronderstellen dat de gehele mensheid 'moreel corrupt' is, of 'van nature slecht' o.i.d. Overigens zijn er volgens Valentino 'slechts' vier gevallen in de recente geschiedenis waarbij de bevolking massaal participeerde: de partitie van India in 1947, de anticommunistische massacres in Indonesië in 1965, de Rwandese genocide van 1994 en sommige episodes van de Culturele Revolutie in China. Maar ondanks dit geringe aantal, moet de motivatie en het gedrag van deze deelnemers wél worden verklaard.

Slachtoffers

DuPreez beweert dat alle ideologische genociden tot doel hebben om de natie te zuiveren. Dit doel is niet altijd duidelijk zichtbaar.    (Zie noot 107)  107 De ideologie van de meerderheid beschrijft de doelgroep van de zuivering als een permanente bedreiging voor het voortbestaan van de meerderheid. Tijden van sociale crises versterken de vijandigheid en agressie. Men wil de vijandigheid richten op de mensen die de problemen hebben veroorzaakt. Ze kunnen echter niet geïdentificeerd worden omdat de oorzaken te complex en te onpersoonlijk zijn. De vijandigheden worden zodoende verschoven en gericht op vervangende doelgroepen. De meest machteloze groepen worden als bedreiging ervaren voor het bezit, de wereldvisie, de groepsidentiteit, het zelfvertrouwen en het bestaan van de meerderheid.    (Zie noot 108)  108 Storr beschrijft dit als het paranoïde potentieel: “wanneer men bedreigd wordt, zoekt men naar bevrijders en duivels: bevrijders (sterke leiders) die ons redden, duivels (zondebokken) waar men de schuld op kan schuiven.”    (Zie noot 109)  109 De zondebokken worden volgens Melson gezien als “vijanden van de revolutie van het volk” en worden afgezonderd op basis van ras, religie of klasse.    (Zie noot 110)  110 Ze worden beschouwd als vreemdelingen die niet alleen een verschillend, maar een tegenovergesteld geloof aanhangen.    (Zie noot 111)  111 Ze hebben volgens de theorie van DuPreez connecties met de vijand en zij bezitten de welvaart en de posities die de elite van de dominante groep graag zou willen bezitten. Het succes van de ondergeschikte groep 'verklaart' het falen van de meerderheid. Oude strijdpunten worden gebruikt om het huidige falen van de autoriteit te verdoezelen. Een autoriteit die de ondergeschikte groep opoffert, toont zich sterk in plaats van zwak. Het volk krijgt zodoende het idee dat de staat problemen die zij voor de massamoord niet aankonden nu wel aankunnen. Door het verslaan van de zwakken, die in hun ogen een monsterlijke bedreiging vormen, krijgt het volk en de autoriteit weer (zelf)vertrouwen.    (Zie noot 112)  112

In een samenleving waar een groep een andere groep domineert, is de kans op genocide dus groter. Dit zijn voornamelijk zogeheten 'plurale' of multi-etnische samenlevingen. Door de telkens terugkerende gewelddadige behandeling van minderhedengroepen ontstaat een culturele gedragsregel die voorschrijft dat geweld een legitiem middel is om de macht tebehouden en om geschillen tussen mensen te creëren. De regel wordt door de gewelddadige geschiedenis versterkt. De gedragsregel vormt een vruchtbare bodem voor de opkomst van uitsluitende, racistische doctrines die handelen over nationale bescherming of sociale zuivering. Deze doctrines versterken de drang tot het vernietigen van een minderhedengroep. Dit wordt gerechtvaardigd door het aanwijzen van de groep als zondebok en doordat deze groep wordt gedehumaniseerd.    (Zie noot 113)  113

De reden waarom bepaalde groepen volgens Fein en Kelman als doelgroep worden geselecteerd is niet omdat zij hun aanvallers hebben aangevallen, onderdrukt of bedreigd.    (Zie noot 114)  114 Zij lokken het geweld niet tegen henzelf uit door hun gedragingen.    (Zie noot 115)  115 Ze worden als vreemdelingen beschouwd die door raciale en religieuze redenen niet in staat lijken tot assimilatie en/of niet willen integreren in de samenleving.    (Zie noot 116)  116 Hun selectie als doel(groep) voor een massaslachting kan op een bepaald moment gezien worden in relatie tot het algemeen beleid. Het beleid wordt ontworpen om een gehele of gedeeltelijke groep te vernietigen die gedefinieerd is aan de hand van etnische, nationale, raciale, religieuze of andere termen, zoals klasse.    (Zie noot 117)  117 De doelgroep wordt het slachtoffer omdat uitroeiing als een nuttig middel wordt gezien of omdat hun bestaan een obstakel vormt in de uitvoering van het beleid.    (Zie noot 118)  118 De vernietiging van de groep wordt gezien als de verwijdering van een (reële of symbolische) bedreiging. Het biedt nieuwe kansen en opent nieuwe perspectieven.    (Zie noot 119)  119

De gekozen slachtoffers van genocide zijn vaak traditionele vijanden. Het zijn meestal minderheden waarvan de cultuur zeer verschilt met die van de dominante groep. De redenen dat sommige groepen het slachtoffer worden van onderdrukking en geweld zijn volgens Gurr en Harff divers.    (Zie noot 120)  120 De groep kan de nationale expansie van een staat in de weg staan, zoals de oorspronkelijke bewoners van Amerika ondervonden. Of de autoriteit tracht de aspiraties van een groep die streeft naar een internationaal erkende staat, te onderdrukken. Deze onderdrukking kan direct overgaan in genocide. De onderdrukte groep kan ook weerstand bieden tegen de onderdrukking. Als de weerstand te groot wordt, tracht de autoriteit de weerstand te verminderen en/of de collectiviteit van een groep te ondermijnen door het instrument van geweld en moord ter hand te nemen.

Kelman voegt hieraan toe dat historische en situationele factoren eveneens een rol spelen in de selectie van een doelgroep.    (Zie noot 121)  121 Volgens Gurr & Harff heeft discriminatie tegen groepen die gemeenschappelijke kenmerken bezitten of dezelfde politieke voorkeur hebben, verschillende historische oorsprongen.    (Zie noot 122)  122 Sommigen zijn een uitloop van historische conflicten of het gevolg van de beperking van de politieke expansie van autonome groepen door een autoriteit van een natiestaat. Anderen zijn het gevolg van de immigratie van minderheden. Dit zijn minderheden zonder macht die naar andere samenlevingen immigreren om daar bepaalde sociaal-economische gaten (voornamelijk in de handel) op te vullen; de zogenaamde 'middlemen-minorities'. Volgens Van den Berghe is geen enkele groep zo kwetsbaar voor onderdrukking, achtervolging, verbanning en genocide als deze 'middlemen-minorities'.    (Zie noot 123)  123 De 'middlemen-minorities' zijn bijna altijd en als eerste het slachtoffer van dit soort praktijken: joden in Europa, Armeniërs in Turkije, de Chinezen in Indonesië etc. Van den Berghe beweert niet dat de 'middlemen-minorities' de enige slachtoffers van een genocide zijn (zoals Fein ten onrechte suggereert).    (Zie noot 124)  124 Hij beweert dat de 'middlemen-minorities' als geen andere groep zo vaak het slachtoffer zijn geweest van onderdrukking en dergelijke.

Theorieën van genocide en een scenario
Theorieën en verklaringen van genocide

Er bestaat geen allesomvattende theorie van genocide. De wetenschappelijke wereld die zich bezighoudt met genocide biedt: determinanten, voorwaarden, vereisten, condities, remmende of faciliterende factoren, e.d., als elementen in zogeheten cumulatieve ('value-added') hiërarchische modellen of 'steps-along-a-continuum-of-destruction' modellen.    (Zie noot 125)  125 . Deze hypothetische determinanten e.d. zijn geïdentificeerd door onderzoekers van verschillende disciplines. Het is vrijwel onmogelijk een integrale en voorspellende theorie van genocide en massaslachting te ontwikkelen, omdat men te maken heeft met een strategisch dilemma: het gevolg van elke stap van een participant binnen een sociale en/of politieke situatie is afhankelijk van de manier waarop andere participanten reageren.    (Zie noot 126)  126 Hieronder worden verschillende elementen van, condities van en voorwaarden voor genocide beschreven, die een samenvatting vormen van de hiervoor beschreven aspekten.

Harff en Harff & Gurr beschrijven de basiselementen van een proto-theorie van genocide.    (Zie noot 127)  127 De kans dat genociden na 1945 in landen voorkomen, neemt volgens hen toe bij: staten met verminderde internationale status, staten met nieuwe elites en regimes, staten met een geschiedenis van onderdrukking tegen bepaalde groepen, samenlevingen met voortdurende, interne kloven en polarisatie tussen (etnische, politieke) groeperingen, en staten waar de elites hun macht gebruiken om groepen te belonen voor hun loyaliteit. Volgens Harff kunnen vooral machtswisselingen tot genocide leiden onder de voorwaarde dat in het land ideologieën worden uitgedragen die bepaalde groepen als totaal waardeloos beschouwen. De groepen die niet volledig geïntegreerd zijn in sociale structuren van de samenleving hebben meer kans om doelwit te worden. De daders zijn vooral revolutionaire eenpartij staten.    (Zie noot 128)  128 De genocide vindt plaats tijdens of vlak na de revolutionaire machtswisseling. Explosief zijn de situaties waarin een langlopend etnisch conflict escaleert en radicale, bewapende groepen die een revolutionaire ideologie uitdragen de overhand krijgen. De historische duur van een democratie blijkt omgekeerd evenredig te zijn met de frequentie van genocide.    (Zie noot 129)  129

Porter integreerde de bijdragen van Dadrian, Fein, Horowitz en Hilberg door de condities die kunnen leiden tot genocide samen te vatten. Deze sluit aan bij de elementen die Harff & Gurr beschrijven.    (Zie noot 130)  130 De macht van de staat is verzwakt door een oorlogsnederlaag of een interne strijd. Er bestaan machtige, monolithische, uitsluitende, politieke partijen. De leiders hebben een sterke drang tot territoriale uitbreiding. Men is afhankelijk van de veiligheid die door de militaire eenheden wordt verschaft. De samenleving van de natiestaten is doordrongen met raciale ideologieën en propaganda. Minderhedengroepen worden sinds kort buiten de morele verplichtingen van de dominante groep geplaatst. De verwanten van slachtoffers wordt daarbij de mogelijkheid geboden om wraak te nemen. De internationale gemeenschap houdt zich afzijdig.    (Zie noot 131)  131

Een scenario voor genocide
De dynamica van de genocide kan worden beschouwd als een proces dat wordt gekenmerkt door een aantal opeenvolgende en van elkaar te onderscheiden fasen of stappen, hoewel de realiteit meestal weerbarstiger is dan elke poging tot indeling of faseologie.    (Zie noot 132)  132 De voorwaarden die noodzakelijk blijken voor genocide, en de fasen van het genocidale proces, zijn:    (Zie noot 133)  133
        Genociden komen vooral voor in plurale (multi-etnische) samenlevingen, waarin diverse raciale, etnische en/of religieuze groepen diepgaande scheidingen ervaren. Deze scheidingen manifesteren zich in verschillende vormen; van geïnstitutionaliseerdeongelijkheid in politieke organisaties tot meer informele sociaal-economische ongelijkheden. De kans op genocide wordt vergroot wanneer twee groepen een langdurige geschiedenis van conflicten kennen en wanneer de politieke ongelijkheden samenvallen met economische en sociale kloven.
        Onstabiele politieke condities die de sociale orde bedreigen, vergroten het effect van deze voorwaarden. Oorlogen en revoluties zijn de belangrijkste medeveroorzakers voor genocide; vooral wanneer zij geografische en psychologische ontwrichting met zich meebrengen. Tijden van economische crisis kunnen ook genocide voortbrengen (hierbij dient men te bedenken dat, in de woorden van Kuper, "Genocide is not an inevitable consequence of certain social conditions within a society").    (Zie noot 134)  134
        Een voorwaarde is een vooropgezette identificatie van de te vernietigen doelgroep. Deze individuen verschillen in bepaalde opzichten met de (overgrote) meerderheid van de bevolking. De verschillen liggen voornamelijk in etniciteit, ras en religie en worden weerspiegeld door de ongelijkheden. In communistische regimes lijken de 'vijanden van het volk' door het regime vrij willekeurig te worden geïdentificeerd (bijv. 'intellectuelen' of 'antirevolutionaire elementen').
        Een zondebok en een slachtoffergroep zorgen voor de verklaring van het ineenstorten van de oude economische, politieke en sociale orde en voor de rechtvaardiging van het opzetten van de nieuwe stelsels. Voorbeelden van stereotypen die een bruikbare zondebok opleveren zijn de welvarende, kosmopolitische joden en rijke Armeense handelaren. De goede Duitse mensen en de nobele Turkse plattelandsbevolking waren de (zogenaamde) slachtoffers van deze twee groepen. Hierin ligt de verklaring van de kracht van genocide op lokaal niveau en op het staatsniveau; de elite en het volk reageren op bedreigingen die betrekking hebben op hun economische situatie, hun levenswijze en hun politieke macht. De politieke elite doet dit op een meer cynische en berekende manier, terwijl de volgelingen - degenen die de genocidale daden plegen - gemotiveerd worden door hun persoonlijke frustratie en vijandschap, door het vooruitzicht op buit of beloning, door (doods)angst, en/of door gehoorzaamheid en conformisme.


NOTEN
1 Deze aantallen en andere kan men vinden in: Jongman, A.J. (ed.) (1996), Contemporary genocides: causes, cases, consequences, Leiden: PIOOM; Rummel, R.J. (1995), Statistics of democide: estimates, sources, and calculations on 20th century genocide and mass murder, New Brunswick:Transaction; Rummel, R.J. (1996), The holocaust in comparative and historical perspective, in: A.J. Jongman (ed.), Contemporary genocides: causes, cases, consequences, Leiden: PIOOM, 17-32 en Stanton, G. (1999), www.endgenocide.org/century.htm.
Noot: 2
2 Rummel (1996).
Noot: 3
3 Er zijn inmiddels enkele duizenden titels over genocide en massaslachting. Een uitgebreide literatuurlijst is te vinden op Van der Dennen's website: http://rint.rechten.rug.nl/rth/dennen/dennen.htm
en http://www.genocide.mq.edu.au
Noot: 4
4 Lemkin, R. (1944), Axis rule in occupied Europe, Washington DC: Carnegie Endowment for International Peace.
Noot: 5
5 Kuper, L. (1981/1982), Genocide: its political use in the twentieth century, New Haven: Yale University Press.
Noot: 6
6 Fawcett, J. & L. Kuper (1983), De internationale bescherming van minderheden, Kapellen: De Nederlandsche Boekhandel.
Noot: 7
7 Engelstalige definitie zie: Fawcett & Kuper (1983), Kuper (1981/1982) en Lemkin (1944).
Noot: 8
8 De discussie over het uitsluiten van politieke groeperingen door de definitie in het genocide verdrag wordt onder andere besproken door: Kuper (1981/1982). Zie ook Chalk, F. & K. Jonassohn (1990), The history and sociology of genocide: analyses and case studies, New Haven: Yale University Press; Fein, H. (1990), Genocide: a sociological perspective, Current Sociology, 38, 1, (gehele aflevering) en Markusen, E. & D. Kopf (1995), The holocaust and strategic bombing: genocide and total war in the twentieth century, Boulder: Westview Press.
Noot: 9
9 Rummel (1995) en Rummel, R.J. (1994), Democides in authoritarian states: mortacracies and megamurderers, in: I.W. Charny (ed.), The widening circle of genocide, New Brunswick NJ: Transaction Books, 3-39.
Noot: 10
10 Gurr, T.R. & B. Harff (1994), Ethnic conflict in world politics, Boulder CO: Westview Press; Harff, B. & T. Gurr (1987), Genocides and politicides since 1945: evidence and anticipation, Internet on the Holocaust and Genocide, 13, 1-7; Harff, B. & T.R. Gurr (1988), Towards an empirical theory of genocides and politicides: identification and measurement of cases since 1945, International Studies Quarterly, 37, 3, 359-375; Harff, B. & T.R. Gurr (1996), Victims of the state: genocide, politicides, and group repression from 1945 to 1995, in: A.J. Jongman (ed.), Contemporary genocides: causes, cases, consequences, Leiden: PIOOM, 33-58.
Noot: 11
11 Krain, M. (1997), State-sponsored mass murder: the onset and severity of genocides and politicides, Journal of Conflict Resolution, 41, 3, 331-360; Valentino, B. (2000), Final solutions: the causes of mass killing and genocide, Security Studies, 9, 3, 1-59.
Noot: 12
12 In het vervolg van dit artikel betekent de term 'genocide' in het algemeen alle vormen van massaslachting (of 'megamoord' in Rummels [1994] termen), dus niet alleen de juridische categorie. Voor definities zie: Gurr & Harff (1994), Harff & Gurr (1987); Harff & Gurr (1988); Harff & Gurr (1996); Krain (1997) en Valentino (2000). Zie ook: Charny, I.W. (ed.) (1994a), The widening circle of genocide, New Brunswick NJ: Transaction Books; Harff, B. (1986), Genocide as state-terrorism, in: M. Stohl & G. Lopez (ed.), Government violence and repression: an agenda for research, Westport: Greenwoord Press, 165-88 en Harff, B. (1988), State perpetrators of mass political murder since 1945, paper gepresenteerd tijdens de 'conference on state organized terror: the case of violent internal repression,' Michigan State University, East Lansing, 2-5 november 1988.
Noot: 13
13 Chalk & Jonassohn (1990), Kuper (1981/1982) en Lemkin (1944). Zie ook: DuPreez, P. (1994), Genocide: the psychology of mass murder, London: Boyars/Bowerdean; Fein, H. (1992), Genocide watch, New Haven: Yale University Press; Horowitz, I.L. (1976), Genocide: state power and mass murder, New Brunswick, N. J.: Transaction Books; Horowitz, I.L. (1980/1982/1996), Taking lives: genocide and state power, New Brunswick, N.J.: Transaction Books; Palmer, A. (1994), Colonial genocides? A comparative analysis of the aborigines of Queensland, 1840-1897 and the Hereros of South West Africa, 1887-1906, niet gepubliceerd, PhD., London: School of Economics en Palmer, A. (1998), Colonial and modern genocide: explanations and categories, Ethnic & Racial Studies, 21, 1, 89-115.
Noot: 14
14 Chalk & Jonassohn (1990), Charny (1994a), DuPreez (1994), Fein (1992), Horowitz (1976), Lemkin (1944) en Palmer (1994, 1998). Zie ook: Charny, I.W. (1994b), Toward a generic definition of genocide, in: G.J. Andreopoulos (ed.), The conceptual and historical dimensions of genocide, Philadelphia: University of Pennsylvania Press, 64-94.
Noot: 15
15 Jonassohn (1992), What is genocide? In: H. Fein, Genocide watch, New Haven: Yale University Press.
Noot: 16
16 Zie voor een overzicht van deze, en andere (minder relevante), controverses, conceptuele en definitorische haken en ogen, brede en enge interpretaties van het genocidebegrip, en typologieën de vele bijdragen in Andreopoulos (1994), Genocide: conceptual and historical dimensions, Philadelphia: University of Pennsylvania Press.
Noot: 17
17 Kuper (1981, zie einde noot), Chalk & Jonassohn (1990) en Fein (1990) presenteren o.a. uiteenlopende overzichten van genocidetheorieën. Valentino (2000) onderscheidt grofweg - en enigszins arbitrair - drie families van genocidetheorieën: (1) 'plural society', zondebok, en dehumanisatie (Charny, 1994a,b; Kuper, 1981; Staub, 1989/1992, zie einde noot); (2) politieke opportuniteit en politieke elite-theorie (Horowitz, 1980/1982/1996; Kuper, 1981 en Verwimp, 1999, zie einde noot); en (3) non-democratie en totalitaire regimes (Rummel, 1995; Horowitz, 1980/1982/1996). Van der Dennen (1999, zie einde noot) voegt daar nog een categorie 'non- orthodoxe' (zoals etnocentrismetheorie [Van den Berghe, 1981, zie einde noot]) en monocausale verklaringen (zoals overbevolkingsreductie [Rubenstein, 1983, zie einde noot] en imperialisme en kolonialisme [Sartre, 1968, zie einde noot]) en quasi-verklaringen (zoals 'kollektieve pathologie') aan toe. Verder is genocide natuurlijk in verband gebracht met sociale en politieke conflicttheorie inclusief marxistische klassenconflict-varianten (Bernard, 1949; zie einde noot) en verschillende agressie- en (politiek) geweldstheorieën, zoals bijv. de bekende frustratie-agressie-theorie. Al deze verschilende theorieën sluiten elkaar overigens niet uit. De meest integrale (althans integratieve) theorieën zijn zogeheten 'cumulatieve' (of 'value-added') of 'steps-along-a-continuum'-theorieën die uitgaan van algemene, structurele, condities en bij heel specifieke determinanten uitkomen. Daarnaast zijn er honderden 'case studies' van bijvoorbeeld de holocaust, de Armeense genocide, de Herero genocide, de Hutu en Tutsi genociden enz., die potentieel van theoretisch en heuristisch belang kunnen blijken. Scherpe (hoewel niet altijd terechte) kritiek op vele hierboven genoemde theorieën is te vinden in Fein (1990) en Valentino (2000).
Alfabetische volgorde: Berghe, P.L. van den (1981), The ethnic phenomenon, New York: Elsevier. Bernard, J. (1949), American community behavior, New York: Dryden. Dennen J.M.G. van der (1999), The 'evil' mind; part 1: genocide; part 2: combat motivation and war atrocities; part 3: cruelty and beast-in-man imagery; part 4: the terrifyingly normal roots of 'evil', manuscript. Kuper (1981), Theories of genocide, Ethnic and Racial Studies, 4, 3. Rubenstein, R.L. (1983), The age of triage: fear and hope in an overcrowded world, Boston: Beacon Press. Sartre, J.P. (1968), On genocide, Boston: Beacon Press. Staub, E. (1989/1992), The roots of evil: the psychological and cultural origins of genocide and other forms of group violence, Cambridge: Cambridge University Press.
Verwimp, Ph. (1999), Politiek geweld is een keuze. Een essay over genocide met een toepassing op Rwanda, Transaktie, 28, 3, 375-393.
Noot: 18
18 Zie bijvoorbeeld: Chalk & Jonassohn (1990), Charny (1994b), DuPreez (1994), Fein (1990), Kuper (1981/1982) en Valentino (2000). Zie ook: Dadrian, V.N. (1975), A typology of genocide, International Review of Modern Sociology, 5, 201-212; Dadrian, V.N. (1976), Some determinants of genocidal violence in intergroup conflicts - with particular reference to the Armenian and Jewish cases, Sociologus, 12, 2, 129-149; Melson, R. (1997), Problems of comparative genocide: cases, definitions, typologies, theories, and fallacies, paper gepresenteerd tijdens de internationale conferentie over 'genocide in modern history', Stuttgart; Scherrer, C.P. (1999), Towards a theory of modern genocide: comparative genocide research: definitions, criteria, typologies, cases, key elements, patterns and voids, Journal of Genocide Research, 1, 1, 13-23. Scherrer onderscheidt 12 typen van genocide en massaslachting door drie dimensies te verdisconteren: (1) totale of gedeeltelijke genocide; (2) binnen- of buitenlandse daders; en (3) statelijke of niet-statelijke daders. Zie ook Jongman voor de volledige tabel. Jongman, A.J. (1999), De geschiedenis van genocide of het voortdurende verhaal van gemiste kansen, genegeerde waarschuwingen en vergeten lessen,geïllustreerd aan de eerste 'anti-genocide oorlog' in Kosovo, Nieuw Tijdschrift van de Vrije Universiteit Brussel, 12, 3, 47.
Noot: 19
19 DuPreez (1994).
Noot: 20
20 Ideologische versus pragmatische genocide: Valentino (2000) maakt een zelfde onderscheid maar gebruikt een andere terminologie: 'Dispossessive' versus 'Coercive Mass Killing'. Ideologisch- politieke massaslachting is bij hem een subcategorie van 'Dispossessive mass killing'.
Noot: 21
21 Machthebbers van een land en aangesloten organisatieonderdelen zoals politie, leger, milities, doodseskaders, paramilitaire organisaties en dergelijke.
Noot: 22
22 Horowitz (1980/1982/1996).
Noot: 23
23 Chalk & Jonassohn (1990).
Noot: 24
24 Drost, T. (1959), Genocide: the crime of state, Leiden: Sijthoff. Eén implicatie van een obligate rol voor de staat of staatsorganen bij het plegen van genocide is dat genocide in een niet-statelijke sociale orde (bijvoorbeeld in 'primitieve' samenlevingen) per definitie onmogelijk is. Dit is een reden te meer om in het algemeen te spreken van 'massaslachting', zoals Valentino (2000) het begrip definieert. Van der Dennen (1999) presenteert evidentie van massacres en uitroeiingsoorlogen bij tribale en andere niet-statelijke volken. Zie Dennen, J.M.G. van der (1995), The origin of war: The evolution of a male- coalitional reproductive strategy, 2 volumes, Groningen: Origin Press en Keeley, L.H. (1996), War before civilization: the myth of the peaceful savage, New York: Oxford University Press.
Noot: 25
25 Zie bijvoorbeeld: Chalk & Jonassohn (1990), Dadrian (1976), Fein (1990), Harff (1986), Harff & Gurr (1988, 1996), Rummel (1995) en vele anderen.
Noot: 26
26 Palmer (1994, 1998).
Noot: 27
27 Een voorbeeld hiervan zijn de vele indiaanse volkeren in het Amazonegebied die geen bescherming ontvangen van de staat.
Noot: 28
28 Harff (1986).
Noot: 29
29 Rummel (1996).
Noot: 30
30 Alfabetische volgorde: Chalk & Jonassohn (1990). Harff (1986). Kuper (1981, 1981/1982). Alfabetische volgorde: Chalk, F. & K. Jonassohn (1988), The history and sociology of genocidal killings, in: I.W. Charny (ed.), Genocide: a critical bibliographic review, New York, Facts on File Publications, volume 1, 39-58. Fein (1990, 1992) en Fein, H. (1977), Imperial crime and punishment: the massacre at Jallianwalla Bagh and British judgement, 1919-1920, Honolulu: University Press of Hawaii; Fein, H. (1979a), Accounting for genocide: national responses and jewish victimization during the holocaust, New York: Free Press; Fein, H. (1979b), Socio-political responses during the holocaust, in: B.L. Sherwin & S. Ament (ed.), Encountering the holocaust: an interdisciplinairy survey, Chicago: Impact Press, 93-99; Fein, H. (1993a), Accounting for genocide after 1945: theories and some findings, International Journal of Group Rights, 1, 79-106; Fein, H. (1993b), Revolutionary and antirevolutionary genocides: a comparison of state murders in democratic Kampuchea, 1975 to 1979, and in Indonesia, 1965 to 1966, Sociological Comparative Study Society & History, 796-823. Kuper, L. (1982), International action against genocide, London: Minority Rights Group. Mazian, F. (1990), Why genocide? The Armenian and Jewish experiences in perspective, Ames: Iowa State University Press.
Noot: 31
31 Kuper (1982).
Noot: 32
32 Kuper (1981).
Noot: 33
33 Rummel (1996).
Noot: 34
34 Rummel (1996).
Noot: 35
35 Horowitz (1976).
Noot: 36
36 Valentino (2000) en Verwimp (1999).
Noot: 37
37 Hedrick-Wong, Y. (1998), The global environmental crisis and state behavior: The evolutionary perspective, in: C.B. Crawford & D.L. Krebs (ed.), Handbook of evolutionary psychology, Mahwah NJ: Erlbaum, 573-594.
Noot: 38
38 Horowitz (1982) en Rubenstein (1983).
Noot: 39
39 Horowitz (1976), p. 39.
Noot: 40
40 Rummel (1996).
Noot: 41
41 Keeley (1996).
Noot: 42
42 Edgerton, R.B. (1988), Like lions they fought: the Zulu war and the last black empire in South Africa, New York: Ballantine Books en Pakenham, T. (1991), The scramble for Africa: white man's conquest of the dark continent from 1876 to 1912, New York: Random House.
Noot: 43
43 Cohn, N.R.C. (1967/1996), Warrant for genocide: The myth of the jewish world-conspiracy and the protocols of the elders of zion, New York: Harper & Row; Cohn, N.R.C. (1970), The pursuit of the millennium, New York: Oxford University Press en Cohn, N.R.C. (1975/1977), Europe's inner demons: an enquiry inspired by the great witch-hunt, Sussex: Chatto-Heinemann; New York: Meridian.
Noot: 44
44 Storr, A. (1991), Human destructiveness: the roots of genocide and human cruelty, London: Routledge.
Noot: 45
45 Cohn (1967). Kuper (1982).
Noot: 46
46 Cohn (1967, 1970, 1977).
Noot: 47
47 Een Manicheïsch universum is een moreel gescheiden wereldbeeld dat slechts uit goed en kwaad bestaat.
Noot: 48
48 Galtung, J. (1994), Are there therapies for bad cosmologies?, Medicine & War, 10, 170-182 en Volkan, V.D. (1991), 'Why war' revisited, Mind & Human Interaction, 2, 3, 61-65.
Noot: 49
49 Galtung (1994) en Volkan (1991).
Noot: 50
50 Kuper (1982).
Noot: 51
51 Cohn (1975), p. XI.
Noot: 52
52 Storr (1991).
Noot: 53
53 Cohn (1967).
Noot: 54
54 Cohn (1967), p. 252.
Noot: 55
55 Goodricke-Clark, N. (1985), The occult roots of nazism: secret aryan cults and their influence on nazi ideology, Wellingborough: Aquarian Press, 203.
Noot: 56
56 Goldhagen, D.J. (1996a), Hitler's willing executioners: ordinary Germans and the holocaust, New York: Knopf . Goldhagen heeft het begrip 'uitroeiings-antisemitisme' ('exterminatory antisemitism') overgenomen van Cohn (1967).
Noot: 57
57 Goldhagen (1996b). Goldhagen antwoordt zijn critici, De Volkskrant, zaterdag 10 aug., V6-7. De kritiek op Goldhagens these is uitstekend samengevat in L. van Bergens (1998) boek(en)bespreking in Transaktie, 27, 4, 577-582.
Noot: 58
58 Fein (1990) en Valentino (2000). Zie ook: Browning, C.R. (1993), Doodgewone mannen, Amsterdam: Uitgeverij De Arbeiderspers; Friedländer, S. (1998), Nazi-Duitsland en de joden. Deel 1: de jaren van vervolging, Utrecht: Spectrum; Kershaw, I (1987a), The 'Hitler myth': image and reality in the third reich, New York: Oxford University Press en Kershaw, I. (1987b), The persecution of the Jews and German popular opinion in the third reich, in: H. Fein (ed.), Congregational sponsors of Indochinese refugees in the United States, 1979-1981, Rutherford, New York: Fairleigh Dickinson University Press, 317-354.
Noot: 59
59 DuPreez (1994).
Noot: 60
60 Hoffer, E. (1951), The true believer: thoughts on the nature of mass movements, New York: New American Library.
Noot: 61
61 Staub (1989/1992).
Noot: 62
62 Bigelow, R. (1969), The dawn warriors: man's evolution towards peace, Boston: Little, Brown.
Noot: 63
63 Tiger, L. (1969), Men in groups, New York: Random House.
Noot: 64
64 Tiger (1969).
Noot: 65
65 DuPreez (1994) en Melson, R. (1986), Provocation or nationalism: a critical inquiry into the Armenian genocide of 1915, in: R.G. Hovannisian (ed.), The Armenian genocide in perspective, New Brunswick, New York: Transaction, 61-84.
Noot: 66
66 Duster, T. (1971), Conditions for guilt-free massacre, in: N. Sanford & C. Comstock (ed.) Sanctions for evil: sources of social destructiveness, San Francisco: Jossey-Bass, 25-36 en Ignatieff, M. (1993), Het kleine verschil en de grote gevolgen, Groene Amsterdammer, 117, 20, 16-18 (vertaling van “The Balkan tragedy”. New York Review of Books, 40, 9, 13 May 1993).
Noot: 67
67 Littell, F.H. (1988), Essay: early warning, Holocaust & Genocide Studies, 3, 483-490. Littel (1988) was een van de eerste onderzoekers die een 'early warning system' heeft ontworpen om genocidale bewegingen te herkennen. De kenmerken van genocidale bewegingen zijn volgens deze systemen onder andere:
-dehumaniserende propaganda ten aanzien van de doelgroep;
-het volk wordt 'verraden' door een samenzwering van de doelgroep;
-het hanteren van een utopische ideologie; de doelgroep staat tussen het volk en 'het goede leven';
-het nastreven van een politiek van polarisatie en minachting van de doelgroep;
-paramilitaire afdeling; privé legers;
-quasi-religieuze inwijdingsceremonies en oude, geheime symbolen;
-een gesloten organisatie;
-infiltratie en ondermijning van publieke instituties;
-kinderen en jongeren worden tegen de oudere generaties opgezet;
-totale loyaliteit ten aanzien van de beweging en haar leider(s);
-gewelddadige zuivering van vermoedelijke dissidenten.
Noot: 68
68 Arendt, H. (1964/1994), Eichmann in Jerusalem: a report on the banality of evil, New York: Viking.
Noot: 69
69 Bauman, Z. (1991), Modernity and the holocaust, Oxford: Polity Press.
Noot: 70
70 Lerner, M.J. (1980), The belief in a just world: a fundamental delusion, New York: Plenum Press.
Noot: 71
71 DuPreez (1994), Lerner (1980) en Staub (1989). Zie ook: Simpson, C. (1993), The splendid blond beast: money, law and genocide in the twentieth century, New York: Grove.
Noot: 72
72 Van der Dennen (1995). Zie ook: Davie, M.R. (1929), The evolution of war: a study of its role in early societies, New Haven: Yale University Press; MacDonald, K.B. (1994), A people that shall dwell alone: judaism as a group evolutionary strategy, Westport CT: Praeger; Shaw, R.P. & Y. Wong (1989), Genetic seeds of warfare: evolution, nationalism, and patriotism, London: Unwin Hyman en Vine, I. (1987), Inclusive fitness and the self-system: the roles of human nature and sociocultural processes in inter-group discrimination, in: V. Reynolds, V.S.E. Falger & I. Vine (ed.), The sociobiology of ethnocentrism: evolutionary dimensions of xenophobia, discrimination, racism and nationalism, London: Croom Helm, 92-104.
Noot: 73
73 Browning (1993).
Noot: 74
74 Browning (1993), p. 216 en 228.
Noot: 75
75 Van der Dennen (1995). Renwick Monroe, K. (1995), Review essay: the psychology of genocide, Ethics & International Affairs, 6, 215-39.
Noot: 76
76 Van der Dennen (1999) noemt deze psychisch afstandsscheppende mechanismen 'distancing devices'.
Noot: 77
77 Van der Dennen (1999) inventariseert de volgende psychische mechanismen die volgens vele bronnen (vooral Staub, 1989/1992 en Baumeister, R.F. (1996), Evil: inside human cruelty and violence, New York: Freeman) een rol spelen bij de sociale psychologie van de genocideplegers ('the dynamics of distancing'): 'bribery' into genocide, obedience and conformism, ethnocentrism and ingroup/outgroup differentiation, justifications and assuaging guilt, suspension of responsibility, pluralistic ignorance and the accomplice (or committment) trap, anonymity, habituation and learning by participation and doing, compartmentalization, moral drift, euphemisms and metaphors, psychic numbing, 'just world' thinking and blaming the victim, authorization and 'diffuse sanctioning', routinization and bureaucratization, normalization of 'evil', and the ultimate distancing device: dehumanization. Een aantal van deze psychisch afstandscheppende mechanismen wordt ook behandeld in Van der Dennen (1996). Dennen, J.M.G. van der (1996), De rechtvaardiging van geweld: psychodynamische processen en mechanismen, Transaktie, 25, 1, 10-43.
Noot: 78
78 De rol van autoriteit wordt ook beschreven door: Adorno, T.W. e.a. (1950), The authoritarian personality, New York: Harpers; Fromm, E. ([1941] 1965), Escape from freedom, New York: Avon Books; Fromm, E. (1974/1975), The anatomy of human destructiveness, New York: Holt, Rinehart & Winston en Miller, A. (1983), For your own good: hidden cruelty in child-rearing and the roots of violence, New York: Farrar, Straus, Giroux.
Noot: 79
79 Sabini, J.P. & M. Silver (1982), Moralities of everyday life, New York: Oxford University Press.
Noot: 80
80 Kelman, H.C. & V.L. Hamilton (1989), Crimes of obedience: toward a social psychology of authority and responsibility, New Haven: Yale University Press.
Noot: 81
81 Geciteerd in Storr (1991), p. 107.
Noot: 82
82 Browning (1993). Zie ook: Milgram, S. (1974), Obedience to authority: an experimental view, New York: Harper & Row.
Noot: 83
83 Milgram (1974), p. 8.
Noot: 84
84 Koestler, A. (1967), The ghost in the machine, London: Pan Books en Snow, C.P. (1961), Either-or, Progressive, 25, 2, 24-25.
Noot: 85
85 Arendt (1964/1994).
Noot: 86
86 Kelman & Hamilton (1989) en Janis, I.L. (1972), Victims of groupthink, Boston: Houghton Mifflin.
Noot: 87
87 Baumeister (1996) en Sabini & Silver (1982).
Noot: 88
88 Lifton, R.J. (1986), The nazi doctors: medical killings and the psychology of genocide, New York: Basic Books.
Noot: 89
89 Dehumanisatie is in ieder geval voor degenen die het bloedige handwerk moeten verrichten de belangrijkste voorwaarde. Dit zijn vrijwel altijd mannen van het leger, militie en/of paramilitaire organisaties. De volgende auteurs beschouwen dehumanisatie als de belangrijkste voorwaarde voor genocide: Baumeister (1996), Chalk & Jonassohn (1988,1990), Charny (1994a,b), Dadrian (1976), Van der Dennen (1995, 1996), Duster (1971), Fein (1977 et seq.), Horowitz (1976 et seq.), Kuper (1982), Renwick Monroe (1995), Staub (1989), en Storr (1991). Zie ook: Erikson, E.H. (1964), Childhood and society, New York: Norton; Hilberg, R. (1980), The nature of the process, in: J.E. Dimsdale (ed.), Survivors, victims, and perpetrators: essays on the nazi holocaust, Washington DC: Hemisphere Pub. Co.; Hilberg, R. (1992), Perpetrators, victims, bystanders. The jewish catastrophe 1933-1945, New York: Harper Collins; Kelman H.C. (1973), Violence without moral restraint; reflections on the dehumanization of victims and victimizers, Journal of Social Issues, 29, 4, 25-61 en Porter, J.H. (1982), Genocide and human rights: a global anthology, Washington DC: University Press of America.
Noot: 90
90 Watson, L. (1995), Dark nature: a natural history of evil, London: Hodder & Stoughton.
Noot: 91
91 Kuper (1982). Fein (1990) beweert dat een slachtoffer buiten het morele universum plaatsen ('exclusion from the universe of obligation') geen dehumanisatie impliceert, maar hoe dat psychologisch mogelijk is, wordt niet uitgelegd. Dit is dan ook meer pedanterie dan psychologie, en de termen worden hier als equivalent beschouwd.
Noot: 92
92 Kelman (1973) en Volkan (1991). Zie ook: Bernard, V.W., P. Ottenberg & F. Redl (1971), Dehumanization: a composite psychological defense in relation to modern war, in: N. Sanford & C. Comstock (ed.), Sanctions for evil: sources of social destructiveness, San Francisco: Jossey-Bass, 102-124; Sanford, N. (1971), Dehumanization and collective destructiveness, International Journal of Group Tensions, 1, 1, 26-41; Sanford, N. & C. Comstock (ed.) (1971/1973), Sanctions for evil: sources of social destructiveness, San Francisco: Jossey-Bass Bernard en Volkan, V.D. (1988), The need to have enemies and allies: from clinical practice to international relationships, New York: Jason Aronson.
Noot: 93
93 Volkan (1991).
Noot: 94
94 Coser, L.A. (1969), The visibility of evil, Journal of Social Issues, 25, 1, 101-109.
Noot: 95
95 Solzhenitzyn, A.I. (1973), The Gulag Archipelago, volume 3, London: Collins/Fontana.
Noot: 96
96 Storr (1991).
Noot: 97
97 Storr (1991) en Sereny (1974; zie einde noot), citaat in Des Pres, (1976). Des Pres, T. (1976), The survivor: an anatomy of life in the death camps, New York: Oxford University Press. Sereny, G. (1974), Into that darkness: from mercy killing to mass murder, London: Deutsch.
Noot: 98
98 Zimbardo, P.G. (1969), The human choice: individuation, reason, order versus deindividuation, impulse and chaos, Nebraska symposium on motivation, 17, 237-307.
Noot: 99
99 Fein (1990), Porter (1982) en Staub (1992).
Noot: 100
100 Sontag, S. (1978), Disease as political metaphor, New York Review of Books, 23 februari, 29-33.
Noot: 101
101 Sontag (1978).
Noot: 102
102 Lerner, R.M. (1992), Final solutions: biology, prejudice, and genocide, University Park: Pennsylvania State University Press.
Noot: 103
103 De Temmerman, E. (1995), De doden zijn niet dood: Rwanda, een ooggetuigenverslag, Amsterdam: Arbeiderspers, 116.
Noot: 104
104 Verwimp (1999), p. 389.
Noot: 105
105 Simpson (1993).
Noot: 106
106 Valentino (2000) en Verwimp (1999).
Noot: 107
107 DuPreez (1994).
Noot: 108
108 Fromm (1974).
Noot: 109
109 Storr (1991), p. 122.
Noot: 110
110 Melson (1997).
Noot: 111
111 DuPreez (1994) en Fein (1990).
Noot: 112
112 DuPreez (1994).
Noot: 113
113 Fein (1990, 1993), Gurr & Harff (1994), Harff (1986 et seq), Harff & Gurr (1988, 1996), Kuper (1981) en Wallimann & Dobkowski (1987), Genocide and the modern age: etiology and case studies of mass death, New York: Greenwood Press.
Noot: 114
114 Fein (1990), Kelman (1973).
Noot: 115
115 Zie 'just-world' denken (Micro niveau: individuele psychologische processen).
Noot: 116
116 Fein (1979b, 1990).
Noot: 117
117 Fein (1990), Kelman (1973).
Noot: 118
118 Kelman (1973).
Noot: 119
119 Fein (1990).
Noot: 120
120 Gurr & Harff (1994).
Noot: 121
121 Kelman (1973).
Noot: 122
122 Gurr & Harff (1994).
Noot: 123
123 Van den Berghe (1981).
Noot: 124
124 Fein (1990).
Noot: 125
125 Bijvoorbeeld Dadrian (1976) en Staub (1989).
Noot: 126
126 DuPreez (1994).
Noot: 127
127 Harff (1988). Harff & Gurr (1987, 1988, 1990).
Noot: 128
128 Zie ook Rummel (1995).
Noot: 129
129 Harff (1988), pp. 23-24.
Noot: 130
130 Porter (1982). Dadrian (1976). Fein (1977 et seq.). Horowitz (1976 et seq.). Hilberg (1980, 1992). Harff & Gurr (1987, 1988, 1990).
Noot: 131
131 Porter (1982), pp. 17-18.
Noot: 132
132 Jongman (1999) en Stanton (1999).
Noot: 133
133 Onder anderen gebaseerd op: DuPreez (1994), Harff & Gurr (1996), Jongman (1999), Lerner (1992), Renwick Monroe (1995), Stanton (1999). Jongman (1999), pp. 65-78, geeft een uitgebreid overzicht van de zeven fasen of stappen in het genocidale proces, gebaseerd op Stanton's model: (1) classificatie (bijvoorbeeld etnisch of religieus); (2) symbolisatie (bijvoorbeeld de jodenster); (3) ontmenselijking (bijvoorbeeld ongedierte, 'kakkerlakken'); (4) organisatie (meestal legereenheden of milities); (5) polarisatie (bijvoorbeeld haatpropaganda); (6) identificatie (bijvoorbeeld afzondering in ghetto's of concentratiekampen); en tenslotte (7) uitroeiing. In deze laatste fase begint het moorden.
Noot: 134
134 Kuper (1981), p. 332.