Boekbespreking


Abram de Swaan, Compartimenten van vernietiging. Over genocidale regimes en hun daders. Amsterdam: Prometheus - Bert Bakker, 2014. Pp. 312, met literatuurlijst en personenregister.

Johan M.G. van der Dennen

Abram de Swaan (1942) was van 1973 tot zijn emeritaat in 2007 hoogleraar sociologie en is sinds 2001 universiteitshoogleraar sociale wetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. Opgeleid als politicoloog, gevormd als psychoanalyticus en van beroep socioloog en essayist, probeert De Swaan vanuit deze brede achtergrond tot een beter begrip te komen van de motieven en persoonlijke eigenschappen van de daders van genocide (genocidairs).

Inhoud

Het onderwerp van De Swaans boek is ‘massale vernietiging’ of ‘massamoord’, dus massaal, asymmetrisch geweld van heel dichtbij, waarbij daders en slachtoffers rechtstreeks met elkaar geconfronteerd worden. Dit geweld vindt meestal plaats in het kader van oorlog, burgeroorlog, revolutie of staatsgreep. Zulke massale en gewelddadige confrontaties verergeren bestaande haat, angst en woede, en lokken daarmee verder geweld uit (p. 13). Het boek gaat voornamelijk over de daders.
Massavernietiging komt voor in samenlevingen die op alle niveaus in hoge mate gecompartimentaliseerd zijn geraakt: psychisch, sociaal, institutioneel, en politiek. De ver doorgevoerde compertimentalisatie maakt het mogelijk dat mensen in andere domeinen van de samenleving kunnen blijven functioneren alsof er niets gebeurd is.
De Swaan onderscheidt vier verschillende vormen van massale vernietiging: (1) de razernij van de overwinnaar (koloniale genocide), (2) terreurbewind van een zittend regime, (3) de triomf van de verliezer (genocide van de Armeniërs en de Holocaust), en (4) de megapogrom.
Compartimenten van vernietiging is eigenlijk één lange, voortdurende poging om de louter situationistische verklaring van dadergedrag te bestrijden en te weerleggen. Wat beweegt de genocidairs? “Er zijn twee gemakkelijke antwoorden, maar die zijn allebei onbevredigend. Het eerste is dat de massamoordenaars allemaal beesten, monsters of psychopaten waren… Het andere antwoord op de vraag hoe de daders tot hun daden kwamen stelt juist dat zij ‘gewone mannen waren die buitengewoon kwaad deden’. Dat is sinds een halve eeuw de heersende consensus in de menswetenschappen: het was hun buitengewone situatie die deze gewone mensen tot hun daden bracht. Deze visie is lang niet zo gemakkelijk te ontkrachten als de eerste, maar dit ‘situationistische’ gezichtspunt laat te veel buiten beschouwing… Toch is één interpretatie de dominante geworden: ‘situatie, niet dispositie’ is de bezweringsformule die elke gedachte aan individuele gedragsneigingen en persoonlijke keuzes moet uitbannen” (pp. 21-22).
Na een inleidend hoofdstuk gaat De Swaan in hoofdstuk 2 nader in op deze situationistische consensus aan de hand van Hannah Arendts Eichmann in Jeruzalem en de bekende ‘banaliteit van het kwaad’-these, en de al even bekende bestraffingsexperimenten van Stanley Milgram. Milgram vond geen verschillen tussen de mensen die gehoorzaamden (soms tot het bittere einde) en degenen die zich verzetten. Zijn gehoorzaamheidsexperimenten werden een icoon van het moderne zelfbewustzijn: ‘Als de situatie het vereist is iedereen een moordenaar’. In dit hoofdstuk komen ook de boeken van Christopher Browning, Daniel Goldhagen en Michael Mann aan de orde. De Swaan concludeert: “De vulgarisatie van de Arendt-Milgram-Browning-traditie heeft geresulteerd in het grote cliché van onze tijd: potentieel zijn alle gewone mensen genocidale daders, ze hebben alleen nooit in een situatie verkeerd waarin dat zou blijken” (p. 44).
Hoofdstuk 3 is getiteld “Uitdijende kringen van identificatie en desidentificatie”. Het behandelt de vraag hoe de scheidingen tussen daders en slachtoffers kunnen ontstaan. “Burgers van hedendaagse natiestaten hebben in de loop der eeuwen geleerd ‘elkanders lasten te dragen’ binnen enorme identificatienetwerken. Zij hebben ook geleerd in complementaire desidentificatienetwerken al even gigantische groepen mensen uit te sluiten en te verafschuwen” (p. 73).
Hoofdstuk 4 behandelt de transformaties van het geweld in de loop van de geschiedenis, terwijl in de volgende 3 hoofdstukken gevalsstudies van een groot aantal genocides en massaslachtingen uit de bloedige 20ste eeuw worden gepresenteerd, en genocidale regimes en de compartimentalisering van de samenleving nader worden beschreven en geanalyseerd.
“Regimes die hun toevlucht nemen tot massavernietiging doen dat meestal in omstandigheden van vergevorderde compartimentalisatie, een scheiding tussen de mensen van het regime en de doelgroep in alle opzichten en op elk niveau. Eerst moet worden omschreven welke mensen het doelwit vormen, dan moeten die worden geregistreerd, vervolgens geïsoleerd en daarop worden zij het mikpunt van aanhoudende haatzaaierij en ontmenselijking. De rest van de bevolking moet leren ze te minachten en te verafschuwen. Dat is het sociale werk van ‘desidentificatie’: het verloopt door ingesleten (en merendeels latente) vooroordelen en stereotypen nieuw leven in te blazen, kortom, door een actief proces van desindentificering” (p. 121)… “De meest barbaarse wreedheden worden begaan, soms op een berekenende en afstandelijke manier, soms met hartstocht en overgave, wellustig en ongeremd. Waar het om gaat is dat die barbarij zich afspeelt in afgebakende ruimtes, in vastomlijnde episodes, goed afgescheiden van de rest van de samenleving, van het dagelijkse bestaan van de mensen van het regime. De barbaarsheid is gecompartimentaliseerd” (p. 126)… De daders in hun enclaves van moorddadigheid beleven een regressie in dienst van het regime (p. 128).
De laatste twee hoofdstukken (“Genocidale regimes en de compartimentalisering van de persoonlijkheid” en “Conclusie”) zijn zowel de interessantste en het meest controversiële van het boek. De Swaan tracht hier de verschillen tussen daders en andere gewone mensen te vinden, en de “zowel situatie als dispositie”-stelling serieus te nemen. De genocidale situatie wordt als volgt gekenmerkt: “De situatie is zo gestructureerd dat de daders in heel hechte groepen opereren, waarin gehoorzaamheid aan meerderen en loyaliteit aan kameraden boven alles gaan. Afwijkende informatie of tegengestelde meningen bereiken hen niet in hun genocidale compartiment. De daders weten vaak van tevoren niet wat hun opdracht zal inhouden. De verrichtingen van de daders worden nooit benoemd, ze worden besproken in verhullende termen, in eufemismen zoals ‘Endlösung’, finale oplossing, voor de uitroeiing van vele miljoenen mensen.
De aanstichters misleiden de daders over de verdorven aard en wandaden van de doelgroep. De daders zullen aanvankelijk nog wel door het bedrog heenkijken, maar nemen welbewust de leugens over die hun van pas komen, tot zij door zelfbedrog er van lieverlee zelf in gaan geloven. De daders wordt wijsgemaakt dat zij een moeilijke en zware maar noodzakelijke taak moeten volbrengen voor het voortbestaan van hun eigen volk. Ze vertrouwen erop dat ze hun werk straffeloos kunnen verrichten; in veel gevallen riskeren ze straf als zij weigeren de slachtoffers leed toe te brengen. Ze worden beloond met geld en voedsel, buit, kansen op seks, status en promotie op het werk. In veel gevallen worden de daders overvloedig van alcohol voorzien en gaan zij te werk in een dronken roes… Veel daders ervaren een gevoel van almacht, van de totale macht over hun slachtoffers, als een opwindende roes… De daders laten zich samen meevoeren met de ‘stroom’, zij gaan mee met het ritme van de gezamenlijke taak, marcheren samen, zingen samen, moorden samen, en samen ontspannen ze zich na volbrachte arbeid… Ze hoeven niet te denken of te oordelen, alleen maar te doen wat ze gezegd wordt… Zelfs met hun meest woeste en barbaarse daden zijn zij het regime van dienst” (pp. 209-10). Uiteindelijk verkeren de daders in een vergevorderd stadium van regressie in dienst van het regime, en in een ‘staat van uitvoerder’, zoals Milgram het noemde, een totale ‘morele vakantie’.
Maar wat De Swaan het meest interesseert is waarom sommige mensen (overwegend jonge mannen) die in een genocidale situatie terechtkomen hun orders gretig uitvoeren, anderen onverschillig, en weer anderen met tegenzin. “Deze verschillen in gedrag tussen mensen in dezelfde situatie zijn alleen te verklaren door verschillen in hun persoonlijke dispositie” (p. 212). Er bestaat blijkbaar ook een proces van zelfselectie voor wreedheden.
De mannen van politiebataljon 101, die door zowel Christopher Browning als Daniel Goldhagen onderzocht zijn, laten deze driedeling in daderprofielen duidelijk zien: de onwillige beulen, de onverschillige beulen, en “een aanzienlijke minderheid van ‘gewillige beulen’, de gretige gehoorzamers. Meestal vervielen zij in een paar weken van kwaad tot erger. Ze gingen bij hun werk een vreemde verrukking beleven, die eerst vreemd en enigszins beschamend aanvoelde, een opwinding bij het geweeklaag en gehuil van de slachtoffers, bij de sidderingen en stuiptrekkingen van de stervenden, de extase van iemand te zijn die kon doden zonder angst, zonder genade, als een bovenmenselijk wezen” (p. 221).
Volgens De Swaan zijn de verschillen tussen genocidairs en ‘gewone mensen’ te vatten in termen van (1) geweten en morele onverschilligheid; (2) gebrek aan inzicht in hun eigen aandeel in hun levensloop, hun ‘agency’, en (3) de ontbering van elk gevoel van empathie, laat staan sympathie, voor de mensen die zij martelenden en vermoordden. “Met andere woorden, in de genocidale situatie desidentificeerden de moordenaars zich in extreme mate van hun slachtoffers. Zij konden het laatste restje gevoel van identificatie uitwissen door elke gelijkenis met hun slachtoffers te ontkennen, door hen te vernederen, te ontmenselijken en te demoniseren” (p. 225).
Het boek ontspoort een beetje met gepsychologiseer over mentalisatie en dysmentalisatie: empathie en het gebrek eraan, en met de stelling dat mensen die minder geneigd zijn empathie te voelen met anderen buiten hun eigen identificatiekring onder de genocidairs hoogstwaarschijnlijk oververtegenwoordigd zijn. Conclusie: “Alles bijeengenomen past het traject van dysmentalisatie nog het best bij de genocidairs” (p. 235).
Tijdens de episodes van totale vernietiging gingen de daders het moordcompartiment dagelijks in en uit, of wanneer ze met verlof gingen. Na gedane arbeid keerden ze terug naar huis of naar de kazerne. Als de genocidale periode voorbij is en de daders zonder berouw, medelijden, schuldgevoel of schaamte, terugkeren naar een beschaafder burgerbestaan ligt het moordcompartiment voorgoed achter ze.
Om de samenleving te kunnen transformeren  naar het stramien van de genocidale visie die het regime uitdraagt, moet het sociale leven door en door gecompartimentaliseerd worden, op alle niveaus. Compartimentalisatie is het proces waarin mensen ideologisch gescheiden worden in tegengestelde categorieën, sociaal en ruimtelijk gesegregeerd, institutioneel gediscrimineerd, en psychisch geïsoleerd (p. 256).

Evaluatie

Als onderzoeker bij de universiteit van Groningen heb ik mij meer dan 45 jaar lang beziggehouden met alle vormen van geweld en in het bijzonder politiek collectief geweld, inclusief genocide. Ik heb hierover het, bij mijn weten, eerste Nederlandstalige overzichtsartikel gepubliceerd: “Massaslachting en genocide: een inleidend literatuuroverzicht” (V&V, 29, 4, 2000: 526-53). Ik heb ook al sinds jaar en dag een uitgebreid literatuuroverzicht van genocide en massaslachting op mijn website, waarin ook alle controverses en openstaande vragen over genocide en de motieven van de daders aan bod komen (tot mijn schande moet ik bekennen dat ik die de laatste jaren niet meer zo goed heb bijgehouden). Voor hetgeen hier volgt is het wellicht relevant te weten dat ik niet geheel onbekend ben met deze materie (inclusief De Swaans eerdere publicaties op dit gebied).

De Swaans opus magnum is een interessant, leesbaar, erudiet, pretentieus, maar desondanks ‘mager’ en uiteindelijk teleurstellend boek: het is duidelijk geen literatuuroverzicht (daarvoor ontbreken er teveel – ook ‘klassieke’ – titels); het behandelt geen theorieën, scenario’s of nomologische verklaringen van genocide, noch typologieën en taxonomieën (behalve de hier boven genoemde), noch faseologieën en early warning systems, noch empirische studies van het genocidale proces zoals die van Ted Gurr en Barbara Harff, noch de empirische studies van de motieven van de genocidairs die, anders dan De Swaan doet vermoeden, er wel degelijk zijn.
Raf Debaene (De Uil van Minerva – Vlaams tijdschrift voor geschiedenis en wijsbegeerte van de cultuur, 2014) heeft gewezen op de inconsistenties en subtiele begripsverschuivingen in het boek, alsmede op het vruchteloze polemiseren met auteurs (Arendt, Milgram, Browning, Bauman) dat de waardevolle inzichten van deze auteurs – en die van De Swaan zelf – verduistert.

Overbodig en nutteloos?

De Swaans programma om unieke persoonlijkheidskenmerken van de genocidairs te vinden wordt en werd niet door iedereen even hartelijk ontvangen. Sommige deskundigen vinden het totaal overbodig, zoals Fein (1990: 43) die beweert dat “killing on state orders needs no explanation”; andere onderzoekers vinden het zo goed als nutteloos, zoals Tatz (2003: 40) die schrijft dat “Individual diagnoses of perpetrators doesn’t help pinpoint responsibility and accountability, or lead in any useful way to forecasting, let alone preventing, genocidal behaviour”. Hoewel ik het met beide uitspraken niet eens ben, heb ik ook mijn twijfels over het project. Allereerst over de vraag of groepsdynamica en groepsdruk toch niet een veel grotere, overheersender, rol spelen in het situatie-versus- dispositie-debat. Ten tweede over De Swaans beperkte conceptuele instrumentarium, d.w.z. over compartimentalisering als vrijwel alles verklarende categorie, terwijl ontmenselijking (dehumanisatie), rechtvaardige-wereld-denken (blaming the victim), zondebokmechanisme, conformisme, (doods)angst, etc. nauwelijks worden uitgewerkt. En ten derde over de rol van empathiegebrek als verklaring van dadergedrag.


Ik zal mij beperken tot slechts enkele daderstudies. Alette Smeulers en Lotte Hoex (2010) interviewden en analyseerden de motieven van Rwandese genocidairs, en concludeerden dat, ondanks de “excessive cruelty of the killings” de meeste “perpetrators who commit their crimes within a period of collective violence are ordinary people without mental deficiencies, a criminal record or a violent past. Further analysis has shown that under certain extreme circumstances, ordinary people can gradually transform into perpetrators of international crimes”.

Ik ben in feite nog geen enkel werk over genocide en/of massaslachting tegengekomen waarin niet wordt gestipuleerd dat de daders – degene die het bloedige handwerk verrichten – anders dan ‘normale’ (jonge) mannen zijn.

Primo Levi, die de Holocaust heeft overleefd, constateerde dan ook: “Je hebt monsters, maar het zijn er te weinig om echt gevaarlijk te kunnen worden. Gevaarlijker zijn de normale mensen” (geciteerd in Welzer, 2006: 13).

In een recent overzichtsartikel “Social psychology and genocide” (2010) beweert Paul Roth dat niet alleen daders normale mensen zijn, maar zelfs dat “Recruiting people to be perpetrators proves to be alarmingly easy”, daarbij bevestigend dat de bereidheid tot doden zonder veel moeite op te wekken is, zoals ook al tientallen andere onderzoekers hebben geconstateerd.
Smeulers en Hoex kwamen op grond van hun analyse tot 10 verschillende daderprofielen: “Ten types of perpetrators emerged from this analysis: the criminal mastermind (defined as the supreme authority), the fanatic (driven by hate and resentment), the sadist (driven by a pleasure to induce pain), the criminal (who was already involved in serious crime), the professional (who has gone through extremely coercive military training in which he was trained to become a torturer or killer), the devoted warrior (driven by a sincere belief in the ideology and the need to obey and conform to an authority), the careerist (driven by careerism), the profiteer (driven by pure self-interest or material gain), the compromised perpetrator (driven by fear) and the conformist and follower (who follow the flow)” (Smeulers & Hoex, 2010: 3).
Al eerder had Hollander (1997) vier verschillende persoonlijkheidstypes onderscheiden van “specialists in coercion and political violence, including those involved in both the Nazi and Soviet apparatuses”.
“The first group is represented by the ideologically driven, supposedly incorruptible, puritanical executioners… The second group embodies the ‘banality of evil’… composed of supposedly very ordinary human beings who simply follow orders without being driven by strong convictions. Often money and privilege are factors. The third category comprises well-educated careerists who find satisfactory employment and mobility opportunities in the organization. The fourth group is composed of individuals who gravitate toward organizations of violence and coercion. Many of the notable torturers belong to this group. Their personalities are congenial to sadistic and repressive actions”.

Het is nauwelijks vast te stellen op welke (vier tot tien) daderprofielen De Swaans dysmentalisatie-overpeinzingen betrekking zouden kunnen hebben.
In plaats van te speuren naar persoonlijkheidskenmerken zoals empathisch (on)vermogen kan het onderzoek naar de daders van genocide zich, mijns inziens, waarschijnlijk beter richten op de compulsieve processen van de groepsdynamica en groepsdruk in de richting van conformisme en gehoorzaamheid, en de wetmatigheden van collectief destructief gedrag (zoals de “commitment trap” of de “involvement trap”) en de progressieve dehumanisatie van de slachtoffers, en de routinematige normalisering en escalatie van excessief geweld – dat ook nog eens door autoriteitsfiguren wordt verordonneerd of zelfs bevolen op straffe van “kill or be killed”. We moeten, kortom, inzicht proberen te krijgen in de verlokkingen van de straffeloze onmenselijkheid, de kleine, geleidelijke, graduele stappen op het “continuum of destructiveness” (Staub, 1989). Of, in de woorden van Welzer: “Bij collectief geweld gaat het meestal niet om onverklaarbare uitbarstingen, maar om terugkerende sociale processen met een begin, een midden en een einde, en die processen worden in gang gezet door denkende mensen, niet door gekken. Wel ontwikkelt een genocidaal proces zijn eigen dynamiek – in het midden wordt mogelijk wat in het begin nog ondenkbaar leek –, en is geweld niet qualitate qua destructief: het heeft na afloop een nieuwe structuur geschapen die er voor het geweld nog niet was... Het gaat erom dat we de structuurvormende functie van geweld moeten begrijpen en geweldplegers als denkende mensen moeten beschrijven, om het ontstaan van genocidale processen te kunnen observeren en ze zo mogelijk te kunnen tegenhouden terwijl ze nog aan het ontstaan zijn” (Welzer, 2006: 15-16).
Daarbij komt nog eens dat daders binnen de eigen groep status en respect kunnen verkrijgen door hun mededaders in het bloederige handwerk te overtreffen: “What also happened — and this is also not uncommon in ordinary groups — is that competition emerges between group members as to who is the best member of the group, with the best member of the group being defined as the member who adheres best to the group norms and who is most successful in contributing to the main aim of the group. In the Rwandan killer groups, this meant that group members who were particularly tough and killed lots of Tutsis gained respect and an enhanced social status (Smeulers & Hoex, 2010: 15).
Tel daarbij op de machtswellust, het straffeloos kunnen doden, verkrachten, verminken, en plunderen: het aards paradijs voor jonge mannen zonder enig uitzicht: “Some said they felt like God: they could do just as they pleased”.
Smeulers & Hoex concludeerden: “The hard facts show us that when killings are sanctioned by authorities and committted in groups in which compliance and consensus mechanisms are operational, many ordinary and otherwise law-abiding people join in simply because they think or come to believe that it is the right thing to do” (Smeulers & Hoex, 2010: 18).

Deze conclusie komt dicht in de buurt van Helen Fein’s (1990: 43) uitspraak: “killing on state orders needs no special explanation”.
Opportunisme, macht, wellust, conformisme, gehoorzaamheid, wraakzucht, (doods)angst en hebzucht vormen de universele motieven van daders.

Dehumanisatie versus compartimentalisatie

Anet Bleich (recensie VK 01-02-2014) vond feilloos de zwakke plek in De Swaans begrippenapparaat: “Tegen dit idee van ‘compartimenten’ valt in the brengen dat het weliswaar een adequate beschrijving is van de gang van zaken bij de Holocaust, maar bijvoorbeeld bij de genocide in Rwanda veel minder op zijn plaats is. Daar werden de Tutsi’s immers midden in hun eigen dorpen vermoord. Dat onderkent De Swaan en hij redt zich eruit door te stellen dat de moordenaars op bevel van het heersende regime ‘een compartiment van woeste wreedheid (…) hadden opgetrokken’”.
Hilberg (1961) noemde functionele compartimentalisatie al een belangrijke ‘facilitator’ van de Holocaust. Het is inderdaad niet meer dan dat. Functionele compartimentalisatie (oftewel ‘rollen spelen’) is een alledaags proces – iedereen doet het de ganse dag door – en verklaart op zichzelf niet zo heel veel.

Vele theoretici beschouwen het psychische afstand creëren tussen de dader en het slachtoffer als de belangrijkste psychologische factor voor het plegen van genocide. Psychologische of emotionele verbondenheid met een slachtoffer kan de bereidwilligheid om te participeren in gewelddadig gedrag gericht op het slachtoffer beïnvloeden. Er bestaan verschillende mechanismen die tot doel hebben om deze psychische afstand te creëren. Deze mechanismen rationaliseren, sussen, ontkennen of vermijden de verantwoordelijkheid en schuld van de dader ten aanzien van zijn gewelddadige gedragingen. Deze psychische afstand scheppende mechanismen zijn bijvoorbeeld autorisatieprocessen, gehoorzaamheid, bureaucratie, routine, dehumaniseren, degraderen, het anonimiseren van het slachtoffer en het slachtoffer buiten de wereld van verplichtingen plaatsen. Andere psychologische mechanismen zoals ‘just-world’ denken kunnen bovenstaande processen faciliteren.

In sommige situaties verschuift de verantwoordelijkheid van de daders op de organisatie of autoriteit. Autorisatieprocessen creëren namelijk een situatie waarin mensen betrokken raken bij gewelddadige acties zonder over de gevolgen na te denken. Als de dader de eerste stap heeft gezet, is hij ‘gevangen’ in het proces van geleidelijke en escalerende betrokkenheid waarin de druk om door te gaan groot is. Sabini & Silver noemen dit de betrokkenheidsval (‘committment trap’), door Kressel (1996: 199) uitgelegd als: “Once people commit their first evil act, often without much thought, a new logic pushes them on toward more heinous atrocities”.

Sommige interne groepsprocessen zijn universele psychologische tendensen, zoals het maken van een onderscheid tussen de ‘in-’ en ‘outgroup’ en etnocentrisme. Het onderscheid versterkt daarbij andere factoren zoals het zoeken van een zondebok en het  ‘just-world’ denken (Lerner, 1980); het denken in termen van een rechtvaardige wereld. Genocidale samenlevingen hebben een tendentie naar ‘just-world’ denken. Het houdt de overtuiging in dat de slachtoffers het lijden aan zichzelf te danken hebben ten gevolge van hun daden of door hun slechte karakter. Ze verdienen zodoende wat ze krijgen en krijgen wat ze verdienen.
Een groot aantal auteurs is het er over eens dat de belangrijkste voorwaarde voor genocide dehumanisatie (ontmenselijking) is. Dehumanisatie – het ultieme psychische-afstand scheppende mechanisme – kan opgevat worden als het degraderen van het slachtoffer tot het niveau van ongedierte (bestialisering) of object. Meestal gaat het – merkwaardig genoeg – gepaard met demonisering of diabolisering. Het lijkt een universeel fenomeen te zijn.

Door dehumanisatie verdwijnen gevoelens van schuld omdat het gerechtvaardigd is om het niet-menselijke (onmensen, ongedierte) uit te roeien. Het moorden kan zodoende gevoelens van genot en triomf oproepen, omdat het de absolute controle over de vijandige groep representeert.

De nazi’s beschreven Europese joden als syfilis en kanker die uitgeroeid moesten worden; “een kanker woekerend in het lichaam van de maatschappij”. Tevens gebruikte men dierlijke metaforen zoals parasiet of bacil. Genocide wordt zodoende een preventief wetenschappelijke instrument voor de bestrijding van vervuiling of besmetting die wordt veroorzaakt door personen die gezien worden als parasieten en bacteriën die ziekte en dood in de gastheer tot gevolg hebben. De overleving van de ‘ingroup’ staat op het spel; massamoord wordt een ‘hygiënische’ daad om te overleven, waarin zelfs de meest drastische maatregelen gerechtvaardigd zijn.
Dehumanisatie is in ieder geval voor degenen die het bloedige handwerk moeten verrichten de belangrijkste voorwaarde. Dit zijn vrijwel altijd mannen van het leger, militie en/of paramilitaire organisaties.

Dehumanisatie is conceptueel verwant met infrahumanization (Leyens et al.), delegitimization (Bar-Tal), deindividuation (Zimbardo), objectification (Nussbaum), moral exclusion and distancing (Opotow), distancing devices (van der Dennen), exclusion from the universe of obligation (Fein), moral disengagement (Bandura), animalistic dehumanization (Haslam), denial of identity and community (Kelman), desidentificatie, dysmentalizatie (De Swaan), desensitization (Baumeister), essentializing (Chirot & McCauley), othering (recente Amerikaanse literatuur), etc.
Deze begrippen duiden allemaal in meerdere of mindere mate op het menselijk vermogen om andere mensen te ontmenselijken, te bestialiseren, te demoniseren, te diaboliseren, of te abstraheren tot een “spel der getallen”. Deze, en vele andere auteurs hebben eveneens gewezen op de rol van morele onverschilligheid in het proces van dehumanisatie.

Behalve dehumanisatie is ook conformisme een belangrijke verklarende categorie. Christopher Browning bijv. schreef: “Toch gaven veel politiemannen toe dat ze gereageerd hadden op de druk van het conformisme; hoe zouden de kameraden hen zien?.. Tachtig tot negentig procent van de mannen is overgegaan tot doden, hoewel ze vrijwel allemaal – althans in het begin – geschokt waren over hetgeen ze deden. Uit het gelid treden, openlijk non-conformistisch gedrag aan den dag leggen, dat ging eenvoudig de kracht van de meeste mannen te boven. Dan was het nog gemakkelijker om te schieten”.

Angst kan tevens een reden zijn om onverschilligheid aan te wenden. Deze onverschilligheid heeft tot gevolg dat de toeschouwer discriminerende en gewelddadige daden negeert. Men is niet in staat om de vervolging en het moorden te stoppen. Els de Temmerman beschrijft de rol van de angst, de stille collaboratie en het gedrag van de ‘onschuldige toeschouwer’ tijdens de Rwandese genocide (1994) op de volgende manier: “Veel Hutu’s wilden niet meewerken aan de slachtingen maar hadden ook de moed niet om de Tutsi’s te beschermen. De Hutu’s van het zuiden wendden dus onverschilligheid voor opdat men hen niet voor bondgenoten van het RPF zou aanzien. Ze applaudisseerden voor de moordenaars, uit angst. Of ze deden mee om te kunnen plunderen. De meeste Hutu’s van het noorden hebben daarentegen wel van harte meegedaan. De vrouwen waren het ergst. Jaloezie speelt daarbij een rol…”. En Philip Verwimp (1999) voegt hieraan toe:  “De boer had de keuze tussen meedoen of zelf vermoord worden. Voeg daarbij de sterke sociale controle in de Rwandese maatschappij en je komt dicht bij een verklaring. De gedachte en de sociale druk solidair te moeten zijn ten opzichte van de autoriteiten, de propaganda van het regime die de Tutsi’s gedehumaniseerd had, de straffeloosheid die in Rwanda heerste en de angst zelf gedood te worden, waren elementen die de keuze van de boeren bepaalden”.


Empathie (?)
Ik vind het niet onnozel dat De Swaan op zoek is naar persoonlijkheidskenmerken om the verklaren “dat sommige mensen meer gedisponeerd zijn om massamoordenaars te worden dan anderen” (hetgeen – tussen haakjes – impliceert dat we wel allemaal tot massamoord gedisponeerd zijn – zoals Debaene al subtiel opmerkte), alleen het is al vele keren eerder geopperd en intensief onderzocht (sinds de eerste psychiater in Neurenberg, Douglas Kelley, in 1946), maar heeft tot dusverre niets van enig wetenschappelijk belang opgeleverd.
Ik heb niet voor niets gesproken over ontsporing in gepsychologiseer, vooral wat betreft het begrip empathie. Empathie of liever gebrek daaraan is, mijns inziens, een zeer beperkte verklaring. Vachon, Lynam & Johnson (2014) vonden een verrassend lage correlatie (r = -.11) tussen empathie en verschillende maten van agressie, hetgeen betekent dat empathie nauwelijks agressie en gewelddadigheid vermag te remmen. Deze studie bevestigt een meta-analyse van ongeveer 50 studies door Miller & Eisenberg (1988) die hetzelfde concludeerden.

Tenslotte
Tot slot wil ik Debaene nog even aan het woord laten, omdat hij, mijns inziens, de vinger nauwkeurig op de zere plek legt:
“De vraag is uiteindelijk waar de Swaan naartoe wil. Hij keert zich nadrukkelijk tegen de opvatting dat doodgewone mensen in staat blijken tot de meest ondenkbare moorddadigheid. Maar van die opvatting maakt hij een karikatuur: ze zou betekenen dat elk van ons van het ene moment op het andere zonder enig bezwaar bereid zou zijn om in alle gemoedsrust massaal aan het moorden te slaan. Noch Arendt, noch Browning, noch Milgram hebben dat ooit beweerd… Door zich te verzetten tegen een karikatuur, maakt de Swaan het zichzelf wat al te gemakkelijk en negeert hij het verontrustende dat Arendt, Browning, Milgram en Bauman ons te denken geven: dat het ultieme, voor ons onvoorstelbare kwaad nog steeds een menselijke mogelijkheid blijft en dat het zeker niet alleen op rekening te schrijven valt van uitzonderlijke sadisten, maar ook van mensen die in de dagelijkse zin van het woord doodgewoon zijn”.