The Origin of War:

The Evolution of a Male-Coalitional Reproductive Strategy

door Johan M.G. van der Dennen


Dutch summary



Dit werk is de neerslag van een meer dan 15-jaar durende speurtocht naar de oorsprong(en) en strategieën van oorlog en vrede bij primitieve volken (de term `primitief' is hier neutraal en absoluut niet denigrerend bedoeld; en ongeveer gelijk aan `preïndustrieel', `voor-statelijk', etc.), en later, na de ontdekking van een vorm van `primitieve oorlog' bij chimpansees door Jane Goodall, de groeiende overtuiging dat alleen een rigoureuze, neo-darwinistische, evolutionaire analyse een bevredigende verklaring voor het ontstaan en ontwikkeling van het verschijnsel oorlog zou kunnen bieden.
Het werd op den duur ook geleidelijk duidelijk dat contemporaine primitieve volken geen adequaat model (kunnen) bieden voor vroege hominide jager-verzamelaar samenlevingen - zij hebben een geheel eigen evolutionair traject afgelegd - zodat vele jaren werk aan mijn Ethnological Inventory Project (een inventarisatie van het oorlogsgedrag van alle ooit beschreven volken) althans voor de reconstructie van de hominide evolutie, en de rol van intergroeps-conflict daarin, als verloren moesten worden beschouwd.

In een evolutionaire context zijn de centrale problemen:
(a) te verklaren waarom oorlog, of het niet-menselijk equivalent daarvan (gewelddadige en min of meer georganiseerde intergroepscompetitie), alleen voorkomt bij de mensachtigen (Hominidae) en tenminste één soort chimpansee (Pan troglodytes), en, maar in veel mindere en mildere mate, in sommige dolfijnen, sociale carnivoren (zoals de hyena) en een aantal primaten, zoals makaken en bavianen;
(b) en tegelijkertijd te verklaren waarom gewelddadige intergroepscompetitie niet voorkomt bij de andere primaten of (zoog)dieren in het algemeen. De opvallende afwezigheid van gewelddadige intergroepscompetitie in deze dieren is des te meer bevreemdend omdat zij wel interindividueel agonistisch gedrag (agressie) in hun repertoire hebben;
en (c) te verklaren waarom het uitsluitend dan wel voornamelijk mannen zijn die, zowel bij mensen als chimpansees, oorlog voeren (m.a.w. waarom is het een sexueel dimorf gedrag?). Dit zijn vragen op ultimaat niveau, d.w.z. op het niveau van fylogenese en evolutie. In het laatste hoofdstuk wordt een evolutionair scenario (of evolutionario) gepresenteerd dat tracht op deze kernvragen een antwoord te geven.
Daarnaast probeer ik ook op een aantal andere vragen, op meer proximaat niveau, in te gaan, zoals:
Waarom voeren primitieve volken oorlogen terwijl het cumulatieve resultaat daarvan (de totale kosten aan mensenlevens en vernietiging van hulpbronnen) zo desastreus is dat het nauwelijks de baten lijkt te rechtvaardigen? (Dit is de vraag naar de oorlogsgenese).
Waarom vechten mannen in oorlogen. Wat zijn de drijfveren van de individuele krijger of soldaat? (Dit is de vraag naar de gevechtsmotivatie).

Wat ik vooral duidelijk probeer te maken is dat oorlog evolueerde als gedragstrategie, d.w.z. als adaptatie die de ecologische condities specificeert waaronder het optreden van het gedrag in kwestie lonend is in termen van een evolutionaire kosten/baten calculus. De structuur van een strategie is als een conditionele propositie: `Als A dan x, als B dan y, en als C probeer dan maar eens z'. Het begrip `strategie' impliceert noch het compulsieve of onvermijdelijke dat gemeenlijk aan `instinct' wordt toegeschreven, noch de gradaties van vrijheid - maar ook vrijblijvendheid - die het begrip `aangeleerd' aankleven.
Reproduktief succes is het enige criterium in deze evolutionaire kosten/ baten calculus. Vrouwen en mannen verschillen in de manier waarop zij hun reproduktief succes kunnen optimaliseren. Daarom, onder andere, is de centrale these van mijn evolutionario dat oorlog in zowel chimpansees als hominiden evolueerde als een mannelijk-coalitionele, reproduktieve strategie (oftewel `ouderlijke-investering' strategie), en wel, specifieker, als gevolg van een in de loop van de evolutie toegenomen intragroeps- coöperatie van (een aantal) mannen ter wille van gewelddadige intergroeps-competitie om vrouwen en territorium (althans verdedigbare en relatief veilige lokaties). De selectiedrukken die hiervoor verantwoordelijk zijn zullen uitvoerig aan de orde komen.
De impliciete veronderstelling dat sociaal gedrag van organismen, of het neurale substraat van dat gedrag, in sterke mate wordt (althans tijdens bepaalde evolutionaire periodes werd) gestuurd door natuurlijke selectie, wordt eveneens verdedigd.

Bovendien wordt, gespreid over de hoofdstukken die volgen, een redelijk compleet overzicht geboden van de literatuur op het gebied van de primitieve oorlog. Alle hoofdstukken zijn zo opgezet dat ze ieder een min of meer afzonderlijk geheel vormen, zodat ze min of meer onafhankelijk van elkaar gelezen kunnen worden (hetgeen wel een zekere overlap met zich mee brengt).

In hoofdstuk 1 worden de voornaamste begrippen van de evolutionaire biologie en Darwinistische psychologie (samen voor het gemak ook wel sociobiologie genoemd), geïntroduceerd, zoals `evolutionair stabiele strategie' (ESS) en de theorie van het `zelfzuchtige gen' (een metafoor voor de eigenschap van DNA zichzelf te repliceren), verwantenselectie, reproduktief succes en `inclusive fitness', ultimate (fylogenetische of evolutionaire) en proximate (ontogenetische of directe) veroorzaking van gedrag, adaptiviteit en niveaus van selectie (genen, individuen, groepen, soorten, enz.), en het verschil tussen replicatoren en vehikels. Deze concepten worden met voorbeelden toegelicht.
Met behulp van enkele simpele speltheoretische modellen, zoals het befaamde haviken-duiven spel probeer ik duidelijk te maken dat geritualiseerde agressie (evenals de dominantie-hiërarchie) bij (zoog)dieren niet evolueerde omdat dat het voortbestaan van de soort ten goede zou komen. De theoretische triomf van de evolutionaire biologie was dat een selectie theorie op het niveau van de genen (of het individu) het ontstaan en de evolutie van geritualiseerde agressie kan verklaren zonder gebruik van groep- of soortselectie argumenten.
In dit hoofdstuk probeer ik ook duidelijk te maken waarom een evolutionaire benadering van het fenomeen oorlog zinvol is.
Als laatste wordt een bescheiden poging tot geschiedschrijving van de studie van de primitieve oorlog ondernomen, van de klassieke bronnen, zoals Herodotus (over de Scythen) en Tacitus (over de Germanen) tot aan de voornaamste huidige antropologische scholen.

Het tweede hoofdstuk is geheel gewijd aan (a) de definitiekwesties van de begrippen `oorlog' en `vete' (enige aandacht wordt gewijd aan de opvatting van oorlog en vete als overlappende dan wel geheel verschillende categorieën); (b) classificaties en typologieën van soorten oorlogen en vetes; (c) een inventarisatie van de kwantitatieve en `cross- cultural' studies van algemene karakteristieken van primitieve samenlevingen en frequentie of verschijningsvorm van oorlog, zoals de correlaties tussen (frequentie van) oorlog en primitiviteit, politieke centralisatie, matri- versus patrilocaliteit en de aan- of afwezigheid van `fraternal interest' groepen, militarisme, sociopolitieke ontwikkeling, territoriale expansie, aan- of afwezigheid van conflict-regulerende instituties, psychoculturele disposities tot geweld, en een reeks andere politieke, economisch, sociale en psychologische variabelen.
Tenslotte worden in het kort de meest voorkomende vormen en tactieken van de primitieve oorlog besproken, voornamelijk de grotendeels geritualiseerde veldslag (pitched battle), en de, veel dodelijker, raaktocht (raid).

Hoofdstuk 3 vormt, in combinatie met het laatste hoofdstuk, de evolutionaire ruggegraat van het boek. Het bevat een uitvoerige empirische studie van agonistisch intergroepsgedrag (`groepsaggressie') bij (zoog)dieren in het algemeen, en primaten en sociale carnivoren in het bijzonder. Ook `oorlogen' bij de sociale insekten worden kort behandeld, maar betoogd wordt dat deze voor een beter begrip van intergroepscompetitie in de `hogere' phyla niet bijzonder relevant zijn (hoewel analoge selectiedrukken en socio-oecologische factoren niet mogen worden uitgesloten).
Er wordt uitvoerig ingegaan op de kenmerken van de min of meer collectieve, min of meer georkestreerde, en min of meer gewelddadige en dodelijke vormen van intergroepsantagonisme bij voornamelijk de primaten.
Twee `ideaaltypische' vormen van groepsantagonisme bij de primaten worden beschreven: de `veldslag' van sommige bavianen en makaak soorten (waarbij ook of zelfs voornamelijk vrouwen van de partij zijn), en de `raaktocht' (lethal male raiding) zoals door (uitsluitend mannelijke) chimpansees bedreven.
Ultimate en socio-oecologische (of oeco-ethologische) verklaringen voor dit, evolutionair gezien buitengewone, chimpansee gedrag worden uitvoerig besproken en gewogen. Het veronderstelde verband tussen oorlog en jagen bij chimpansees en hominiden wordt eveneens onder de loep genomen.
Dit hoofdstuk besluit met een kritisch overzicht van de paleoantropologische en archeologische evidentie (skeletaal, pictoraal, etc.) van oorlog in de hominide evolutie en gecodificeerde geschiedenis.

Hoofdstuk 4 opent met een vrij uitvoerig overzicht van het denken over de rol van oorlog in de menselijk evolutie bij Darwin, Wallace en andere grondleggers van de evolutietheorie, en bij de zogenaamde sociaal- darwinisten, zoals Spencer, Bagehot, Sumner en vele andere. Vier min of meer onafhankelijke thema's worden onderscheiden als intellectuele `inputs' van het `sociaal-darwinistische syndroom': racialisme (niet te verwarren met racisme), evolutionisme, selectionisme, en, tenslotte, instinctivisme.
Sociaal-darwinisme wordt door veel mensen vooral geassocieerd met eugenetica, racistische doctrines, en verheerlijking van de oorlog.
Betoogd wordt dat de sociaal-darwinisten niet veel meer doen dan aan (een bepaald soort) evolutiebiologie ontleende argumenten bijdragen aan veel algemenere oorlogsapologetische doctrines en sentimenten in de geschiedenis van de Westerse kultuur.
Na dit historisch-georiënteerde overzicht volgt een inventarisatie van de huidige evolutionair-biologisch en oecologisch-georiënteerde theorieën van de primitieve oorlog, waaronder de Harris-Divale (`preferential female infanticide') theorie, (multi)functionalisme, materialisme, group-territorialiteit, `carnivore-psychologie' theorie, Alexander's `balance-of-power' theorie, en een heterogene categorie van gen-selectie, groep-selectie en sexuele-selectie theorieën van ontstaan en evolutie van oorlog.

Bij wijze van tegenwicht worden in hoofdstuk 5 de niet primair biologisch- georinteerde theorieën en de meer proximaat-gerichte interpretaties van de primitieve oorlog (samengevat onder de algemene naam `culturele' of `culturele-evolutie' theorieën) gepresenteerd. Aan bod komen onder meer culturologische (oorlog als culturele inventie), sociologische (oorlog als sociaal thema en/of sociocultureel patroon), psychologische (agressie-theorieën; de psychologie van de `oorlogsvalkuil') en psychoanalytische theorieën van de oorlogsgenese. Speciale aandacht wordt geschonken aan de agressie-theorieën en het zogenaamde frustratie-agressie-`displacement' syndroom als mogelijke oorlogsoorzaken, omdat deze tot de populairste folkloristische `verklaring' aller tijden moeten worden gerekend.
Culturele-evolutie theorieën postuleren stadia van toenemende socioculturele, economische en politieke complexiteit en de daarmee samenhangende vormen en functies van oorlog en gradaties van destructiviteit en lethaliteit. Volgens de culturele-inventie theorie (de orthodoxe visie) is oorlog een eenmalige `uitvinding', die samenhing met de agriculturele revolutie, de bevolkingsgroei, en de beginnende staatsvorming in Mesopotamië.
De meest proximate pogingen tot het begrijpen van de primitieve oorlog vormen de analyses van de drijfveren en motieven van de individuele krijgers. De tweede helft van dit hoofdstuk is volledig gewijd aan een inventarisatie van de etnologische en antropologische literatuur met betrekking tot drijfveren en motieven, zoals de obligaties van de bloedwraak, status en prestige, plundering en vrouwenroof (booty and beauty), land/territorium, macht, etc.

In hoofdstuk 6 worden theorieën van etnocentrisme, xenofobie, en ingroup/outgroup differentiatie onderzocht op hun verklarende waarde voor intergroepsgeweld en oorlog-als-etnisch conflict. De begrippen `collectieve intolerantie', `pseudospeciatie', `begrensde sympathie', en `dehumanizatie' lijken van eminent belang voor het begrijpen van de specifiek-menselijke kenmerken van intergroepsgeweld (evenals, maar in mindere mate, noties als `projectie', `groep narcisme', de `behoefte-aan-vijanden', de `adaptieve- betekenis-van-milde-paranoia', etc.). Zowel evolutionaire als culturele analyses van etnocentrisme en xenofobie convergeren in de opvatting van etnocentrisme als culturele hypertrofie van een biologisch-adaptieve predispositie: angst.
Aandacht wordt geschonken aan de z.g. sociale-identiteit theorie van intergroepsanimositeit, en de etnocentrisme-als-uitgebreide- verwantenselectie theorieën van Van den Berghe en Shaw & Wong. Ook de cognitieve en andere psychische mechanismen die een rol spelen in de morele dualisering van het wereldbeeld (Wij zijn goed zij zijn slecht), zoals vooroordelen, stereotypieën en reïficatie, komen aan de orde.

Een evolutionaire theorie van (het ontstaan van) de oorlog behoeft geenszins te impliceren dat oorlog een universeel verschijnsel is, dat "mannen van oorlog houden", of dat, zoals een andere populaire misvatting luidt, de mensheid tot oorlog `gedoemd' is. Hoofdstuk 7 is een poging om de vele misverstanden rond het thema oorlog en vrede bij primitieve volken weg te nemen. Zelfs bij de meest oorlogzuchtige volken is vrede de `normale' toestand. Een typologie van vrede, ritualisaties en mitigaties van oorlog, en een overzicht van de diplomatieke en vredespolitieke manoeuvres die primitieve samenlevingen ter beschikking staan, worden gepresenteerd. In een appendix worden een groot aantal volken, die in de literatuur als vreedzaam of niet-offensief zijn beschreven, geïnventariseerd en nauwkeuriger bekeken.

In het laatste hoofdstuk, tenslotte, wordt, zoals hierboven vermeld, een Evolutionario geschetst vanaf het ontstaan van het leven tot en met het ontstaan van de hominiden, en de mogelijke rol van intergroepscompetitie en oorlog in de evolutie van Australopithecus tot Homo sapiens sapiens (zoals de huidige mens zichzelf, niet gehinderd door valse bescheidenheid, wenst te noemen).
De evolutie van het, nog steeds, enigmatische verschijnsel sexuele reproduktie (amphimixis) en de daaruit voortvloeiende ongelijkheid tussen de geslachten wat betreft potentieel reproduktief succes en ouderlijke- investering strategieën, neemt in dit hoofdstuk een voorname plaats in.
Het, eveneens onverklaarde, verschijnsel van de vrouwelijke migratie tussen groepen in de HUCHIBO (HUmans, CHImps, BOnobos) groep (dit in tegenstelling tot alle ander primaten waar de mannen de groep verlaten en de vrouwen de stabiele sociale kernen vormen), wordt verondersteld verantwoordelijk te zijn voor het ontstaan van een speciale mannelijke coalitionele psychologie via verwantenselectie. Coalities van coöpererende mannen vormen een superieur instrument voor de competitie tussen groepen om hulpbronnen. Voor het reproduktief succes van mannen zijn de vrouwen de ultieme limiterende `hulpbron'. Vrouwen en het door hen bewoonde territorium vormen voor de mannelijk coalities daarom ook de ultieme felbegeerde en felbevochten `prijzen'; een, evolutionair gezien, geheel nieuwe `high-risk/high-gain' reproduktief- succes optimalisatie en ouderlijke-investering strategie kon zo ontstaan.
In de hominide evolutie leidt de domesticatie van het vuur tot de permanente mogelijkheid de grote katachtige predatoren te verdrijven uit grotten en te weren van andere favoriete lokaties: de mens wordt de oecologisch-dominante soort en heeft alleen nog soortgenoten te duchten. Permanent verdedigbare en relatief veilige lokaties of `thuisbases' leiden tot intensivering van de competitie tussen groepen om deze veilige lokaties en bescherming van vrouwen en kinderen d.m.v. mannelijke coalities. Toenemende competitie tussen groepen leidt tot een complex van elkaar versterkende factoren: een selectieve premie op grotere, meer gesloten en etnocentrische, groepen; sociale intelligentie en communicatie/ taalvermogen; technologische intelligentie (wapentechnologie); en hypersocialiteit. Al deze factoren dragen op hun beurt weer bij tot intensivering van de, inmiddels bewapende en gecoördineerde, competitie tussen groepen.
De gepresenteerde evolutionaire reconstructie is in staat te verklaren waarom oorlog zo laat in de evolutie ontstond en waarom het verschijnsel beperkt is tot enkele, typisch hogelijk sociale en `breinige' soorten.

  Back to the top of this document

  Back to my homepage

  My bibliography

  Some recent publications and papers

  Some recent articles in Dutch

  Some recent book reviews

  Contents of The Origin of War

  Dutch summary of The Origin of War



Please send your personal URL to j.m.g.van.der.dennen@rug.nl