Boekbespreking

De Oorzaken van Oorlog: nog steeds “een groot vraagteken”(?)

Johan M.G. van der Dennen

Levy, Jack S. & William R. Thompson (first edition 2010), Causes of War. Chichester: Wiley-Blackwell, ISBN 978-1-4051-7559-3, pp. 281 inclusief bibliografie en index.

Precies vijftien jaar geleden heb ik een boekbespreking annex literatuuressay gewijd aan de toenmalige stand van zaken van het kwantitatief empirisch onderzoek naar oorlog en vrede, aan de hand van het boek Nations at War: A Scientific Study of International Conflict (1998) van Daniel Geller en David Singer. Nu zal ik dat nogmaals doen naar aanleiding van het boek Causes of War van Jack Levy en William Thompson, om te constateren of en in hoeverre er in die tussentijd enige vooruitgang is geboekt bij de macrokwantitatieve benadering van geweld tussen (en binnen) staten.


 literatuuressay





Kwantitatief empirisch onderzoek naar oorlog en vrede


Johan M.G. van der Dennen


Daniel S. Geller and J. David Singer, Nations at War. A Scientific Study of International Conflict, Cambridge: Cambridge University Press, 1998, 257 pp., isbn 0-521-62119-4 (hc), £40,00, 0-521-62906-3 (pb), £14,95


Inleiding

Geller en Singer proberen in Nations at War op grond van data-based kwantitatief empirisch onderzoek een verklaring te geven voor oorlog in de internationale politiek. Het boek inventariseert de onderzoeksgegevens van ruim 500 kwantitatieve analyses van oorlog op het niveau van respectievelijk de staat, statenparen (dyaden), regio's, en het internationale systeem. Omdat oorlogen voortvloeien uit politieke beslissingen, worden tevens twee fundamentele besluitvormingsmodellen onderzocht: het rationele en het niet-rationele model (die hier niet verder worden behandeld). Daarnaast bevat het boek case studies van twee oorlogen de Iran-Irak oorlog (1980) en de Eerste Wereldoorlog (1914) als voorbeelden van wetenschappelijk gefundeerde verklaringen van historische gebeurtenissen. De conclusie, tot slot, biedt een discussie inzake probabilistische voorspellingen van conflict binnen de context van het onderzoek naar oorlog en vrede.
 In dit essay worden de bevindingen van Geller en Singer afgezet tegen eerder verricht onderzoek op basis van uitgebreide macrokwantitatieve projecten zoals Singer's Correlates of War (cow) en Rummel's Dimensionality of Nations (don), thans aangevuld met de Conflict and Peace Data Bank (copdab) en het Long-Range Analysis of War Project (loranow). Geller en Singer's bevindingen worden vergeleken met de belangrijkste conclusies van deze onderzoeksprojecten teneinde de vraag te kunnen beantwoorden of en in hoeverre er enige vooruitgang is geboekt bij de macrokwantitatieve benadering van geweld tussen staten.


Bevindingen

Monadisch niveau: oorlogsgeneigdheid van staten
Op het analyseniveau van de staat tonen nationale potenties of vermogens (capabilities) een combinatie van militaire, economische en demografische variabelen sterke en consistente correlaties met buitenlands conflict. Het meest opmerkelijk zijn de verschillen bij naties in machtsstatus en oorlogsgedrag. Machtsstatus laat een verband zien met de frequentie van, het initiatief tot, en de ernst van oorlog: grote mogendheden zijn eerder dan kleine geneigd zich in een oorlog te begeven en ze zijn sneller geneigd zware oorlogen (in de zin van veel slachtoffers) uit te vechten. De mate van militarisatie van een staat vertoont eveneens consistente positieve associaties met gewelddadig buitenlands conflict. Kritieke punten van een machtscyclus van een grote mogendheid lijken sterk verband te houden met zowel oorlogsinitiatie als oorlogsbetrokkenheid. Daarnaast lijkt er een sterk verband te bestaan tussen het aantal allianties en betrokkenheid bij oorlog. Ook de evidentie inzake grenzen en oorlog is consistent en robuust. Ongeacht het verklaringsmodel fysieke gelegenheid of de context van interacties lijkt er een aanzienlijke correlatie te bestaan tussen het aantal grenzen en de frequentie van oorlog op het niveau van de staat. Hoewel er tot op heden weinig empirische evidentie is, geven de voorlopige uitkomsten aan dat ontevredenheid met de status quo een belangrijke factor kan zijn in oorlogsinitiatie en vijandigheid in de buitenlandse politiek.
 Er is daarentegen weinig ondersteunende evidentie voor een verband tussen de volgende nationale eigenschappen en gedrag bij buitenlands conflict of oorlog op monadisch niveau: bevolkingsomvang en -dichtheid; geografische omvang; economische ontwikkeling; economische cycli; en nationale cultuur. Evenmin is er een sterk en consistent empirisch verband tussen intern(e) en extern(e) conflict(en) vastgesteld. Ook verbanden tussen oorlogsgedrag en kenmerken zoals centralisatie, bureaucratie, verkiezingscyclus en formatie/transformatie zijn onzeker en niet cumulatief.1

Dyadisch niveau: oorlogsgeneigdheid van statenparen
De onderzoeksresultaten inzake contiguÔteit (nabijheid/naburigheid) en oorlog zijn cumulatief en consistent. Op het niveau van de dyade is de afstand tussen staten omgekeerd evenredig aan oorlogvoering: nabije statenparen begeven zich eerder in oorlog dan niet-nabije staten. Bij naburigheid zijn de uitkomsten nog boeiender. Oorlog tussen staten met een land- of (smalle) watergrens is veel waarschijnlijker dan die tussen niet-naburige staten. Kwantitatieve analyse wijst voorts op een groeiende en cumulatieve mate van evidentie van de invloed van zowel statische als dynamische machtsevenwichten op het oorlogsgedrag.2 De evidentie inzake allianties binnen dyaden en oorlogsinitiatie is intrigerend. Wat de verklaring ook moge zijn, dyaden met ťťn externe alliantie zijn sterker tot oorlog geneigd dan dyaden waar beide partijen externe banden hebben.
 Rummel stelde al dat 'libertaire' (vrijheidsgezinde en democratische tegenover autoritaire of totalitaire) staten zich niet tot oorlogsgeweld met elkaar bekeren. Ook Gleditsch concludeert uit recent onderzoek dat “dubbele democratie een bijna-perfecte voldoende voorwaarde is voor vrede”.3 [cursief in origineel] De evidentie op het terrein van de democratieŽn-bevechten-elkaar-niet-propositie, zo vinden ook Geller en Singer, is consistent en cumulatief. Democratische dyaden begeven zich minder snel in een oorlog dan niet-democratische paren.4
 Op grond van enkele recente studies lijken patronen van zowel conflictescalatie als oorlogsinitiatie te worden beÔnvloed door de verdeling van militaire machtsverschillen tussen verdedigers en uitdagers van de status quo. Vrijwel elk geval van een door een status quo-verdediger begonnen oorlog kwam voor bij een instabiel militair machtsevenwicht. Dit patroon wijst erop dat zowel stabiel militair overwicht (preponderance) als stabiel militair evenwicht (pariteit) over het algemeen door verdedigers van de status quo worden geÔnterpreteerd als afschrikkingsondersteunend, terwijl instabiele evenwichten die tot machtsverschuivingen leiden zo gevaarlijk worden geacht dat ze preventieve militaire actie uitlokken.
 De evidentie op het gebied van economische factoren is tamelijk beperkt. De meest dwingende uitkomst laat de relatieve afwezigheid zien van oorlog binnen dyaden die worden gekenmerkt door een hoog niveau van economische ontwikkeling. De relatie tussen wapenwedlopen en oorlog is inconsistent. Zoals Siverson en Diehl al opmerkten: “Als er al enige consensus is bij onderzoek naar wapenwedlopen, dan is het dat sommige wapenwedlopen tot oorlog leiden, en andere niet.”5 Ook op het terrein van alliantie binnen dyaden zijn de bevindingen inconsistent. De resultaten van analyses van dyadische handelspatronen en conflict zijn eveneens gemengd.

Regionaal niveau: oorlogsgeneigdheid van regio's
Eťn consistente en cumulatieve empirische factor die de waarschijnlijkheid van oorlogsinitiatie op het regionale niveau bevordert is de aanstekelijkheid/besmetting/diffusie (aanwezigheid van een in gang gezette regionale oorlog). Van 1816 tot 1945 hadden de meeste conflicten betrekking op de Europese grote mogendheden en de Verenigde Staten. In de periode na 1945 daarentegen zijn het Midden-Oosten, AziŽ en Afrika het meest geteisterd door gewapende conflicten. Deze laatste ontwikkeling lijkt te bevestigen dat de huidige wereld is verdeeld in 'zones van vrede, rijkdom en democratie' aan de ene kant, en 'zones van onrust, oorlog, en (onder)ontwikkeling' aan de andere kant.6 De analyses geven gemengde uitkomsten te zien op het punt van regionale oorlogscycli.7

Systemisch niveau: oorlogsgeneigdheid van systemen
In het onderzoek naar de oorlogsgeneigheid van systemen worden bepaalde eigenschappen van het mondiale systeemniveau onderzocht op oorlogseffecten zoals polariteit, allianties, machtsconcentratie, economische-conjunctuurgolven, normatieve beperkingen, en de aanwezigheid van internationale gouvernementele organisaties (igo's). Een aantal consistente en cumulatieve empirische factoren die de waarschijnlijkheid van oorlogsinitiatie op het niveau van het internationale systeem bevorderen zijn: polariteit; instabiele hiŽrarchie; aantal grenzen; frequentie van burgeroorlogen en/of revolutionaire oorlogen. De factor die de waarschijnlijke ernst (duur/zwaarte) van oorlog bevordert op het niveau van het internationale systeem is: alliantie (hoge polarisatie).
 De uitkomsten van het onderzoek naar polariteit en oorlogvoering zijn gemengd. Een definitief lineair verband tussen unipolaire, bipolaire en multipolaire configuraties en het voorkomen van oorlog is nauwelijks vast te stellen. De enige polaire structuur die de conflictwaarschijnlijkheid lijkt te beÔnvloeden is unipolariteit.
 Het internationale systeem bezit een hiŽrarchie, gebaseerd op relatieve macht; de mate van het machtsverschil tussen de leidende staat en potentiŽle uitdagers is van belang. Als de hiŽrarchie duidelijk is en de leidende staat beschikt over een substantieel machtsoverwicht dat zijn meest nabije potentiŽle rivaal te boven gaat, dan is actie om de hiŽrarchische ordening te herschikken niet erg waarschijnlijk. Als echter het machtsoverwicht van de leidende staat gering is of afbrokkelt, dan kunnen andere staten ervoor kiezen om de hiŽrarchie te veranderen. De uitdagingen kunnen zich richten tegen de leidende staat of tegen kleinere staten binnen een in toenemende mate instabiele internationale orde.
 De evidentie inzake allianties en oorlogvoering op systeemniveau is duidelijk. Oorlogsinitiatie houdt geen verband met alliantievorming (aggregatie) noch met alliantieconfiguratie (polarisatie). Maar de duur en zwaarte ('ernst') van oorlog laat wel een consistente en significante correlatie zien met de configuratie van allianties. Dit resultaat is niet verrassend, omdat allianties het voornaamste mechanisme vormen waardoor kleine oorlogen grote oorlogen worden oorlog verspreidt zich als een golfbeweging door allianties heen.
 De positieve relatie tussen het totale aantal grenzen in het interstatelijk systeem en de frequentie van oorlogsparticipatie weerspiegelt de uitkomsten van contiguÔteit (aangrenzing/naburigheid) en oorlog op het monadische en dyadische analyseniveau. Het aantal grenzen en contiguÔteit correleren positief met conflict en oorlog op het niveau van de staat, de dyade en het wereldsysteem.8
 Levy's analyse van de frequentie en ernst van oorlogen van grote mogendheden tussen 1495 en 1975 wijst erop dat oorlog van grote mogendheden met verloop van tijd in frequentie afneemt maar in hevigheid toeneemt.9 Levy en Morgan concluderen dat de “waarschijnlijkheid van oorlog onafhankelijk is van de tijdsperiode sedert de laatste oorlog”, hetgeen de oorlogsmoeheid-hypothese weerlegt. Ze merken ook op dat er geen steun is te vinden voor de hypothese “dat ernstiger oorlogen een grotere belemmering vormen voor navolgende oorlog”.10 In het kort, de systemische distributie van grote-mogendheidoorlogen in de tijd lijkt geheel toevallig te zijn.
 De uitkomsten van kwantitatief onderzoek naar de doeltreffendheid van vreedzame internationale normen en internationale gouvernementele organisaties als middel om geweld op systeemniveau te bedwingen, zijn niet bemoedigend. Normen die het gebruik van geweld beperken of de illegitimiteit van oorlog verkondigen, zijn wel enigszins in staat gebleken oorlogsgedrag te beteugelen. Maar zoals Kegley en Raymond opmerken: “de historische evidentie wijst erop dat aan deze voorwaarden slechts zelden wordt voldaan en dat de vorming van een dergelijk internationaal veiligheidsbestel kortstondig is”.11 De uitkomsten inzake de effecten van igo's op conflict op systeemniveau zijn minder consistent, maar niet erg hoopvol. Het lijkt erop alsof igo's worden opgericht tegen het einde van omvangrijke oorlogen. Het historische succes van diplomatieke instellingen en procedures voor geweldloze conflictoplossing wordt echter door catastrofes geteisterd.12

Vergelijking en evaluatie

Na deze beknopte samenvatting van Geller en Singer's magnifieke boek zal ik proberen vast te stellen of er inderdaad voortgang is geboekt in het macrokwantitatieve onderzoek welke bevindingen hebben zich bewezen, welke bevindingen zijn 'nieuw'? aan de hand van eerdere literatuuroverzichten en samenvattingen.13


Frequentie, cycliciteit
Anders dan Small en Singer vond Levy wel een patroon bij de indicatoren voor oorlog in de loop der tijd, in zoverre dat de frequentie van oorlog sedert ongeveer 1500 is afgenomen maar zijn destructiviteit is toegenomen.14 Bovendien heeft zich sinds de Tweede Wereldoorlog een afname van conventionele interstatelijke oorlogen voorgedaan, maar daarentegen een scherpe toename van etno-nationalistische oorlogen uitgevochten binnen de grenzen van een enkele staat. In relatie tot de omvang van het systeem, is het aantal oorlogen van kleine staten niet toegenomen.15 Richardson stelt het percentage personen dat is gestorven vanwege 'dodelijke conflicten' (alle gewelddadige interacties van moorden tot wereldoorlogen) sedert 1820 op ongeveer 1,6%. Enigszins sarcastisch voegt hij hieraan toe: “Dat is minder dan je zou kunnen afleiden van de grote aandacht die conflicten krijgen. Mensen die houden van oorlogen kunnen als excuus voor hun smaak aanvoeren dat oorlogen als het erop aankomt veel minder dodelijk zijn dan ziektes.” Hij concludeert ook dat “er een aanwijzing maar geen sluitend bewijs is dat de mensheid minder oorlogszuchtig is sedert ad 1820.”16
 “Er lijken geen significante cyclische trends te zijn in de frequentie van oorlog van verschillende typen maar er zijn aanwijzingen dat de magnitude of ernst van oorlog enigszins cyclisch is geweest gedurende de laatste vijf eeuwen”, aldus Levy.17

Nationale eigenschappen
Het verschil in nationale eigenschappen tussen twee staten lijkt van weinig invloed te zijn geweest op de waarschijnlijkheid dat zij zich met elkaar in oorlog begeven. Singer en Small bijvoorbeeld vonden dat de meeste oorlogen in het Correlates of War Project plaatsvonden tussen naties die geografisch dicht bij elkaar lagen en gelijk waren op de meeste dimensies, hoewel Richardson verschillen in religie (vooral Christendom en Islam) als oorzaak voor oorlog identificeerde.18 Ook Vasquez stelde vast dat er geen sterk verband lijkt te bestaan tussen de economische, sociaal-culturele of politieke kenmerken van naties, of de mate van interne stress binnen staten, en geweld tussen staten.19 De opvatting dat de nationale eigenschappen van een staat of interne stress binnen een staat mogelijk gerelateerd zijn aan internationaal conflict vindt derhalve geen steun.20 Levy's oordeel luidt dan ook: “Pogingen oorlog terug te voeren tot verschillen tussen samenlevingen in hun religies, talen, ideologieŽn en andere kenmerken zijn enigermate succesvoller geweest en tonen meestal positieve maar zwakke relaties tussen samenlevingsverschillen en oorlog. De meeste hypothesen onder beschouwing zijn echter fundamenteel ad hoc van aard en zijn niet geÔntegreerd in een meer omvattend theoretisch raamwerk. Dientengevolge is het niet duidelijk hoe de bevindingen te interpreteren zijn.”21

Machtsbalans: machtsoverwicht of machtsevenwicht?
Vanwege het ontbreken van een coherente theorie die de omstandigheden specificeert waaronder pariteit stabiliserend en overwicht destabiliserend werkt, verrast het niet dat empirisch onderzoek niet heeft geleid tot consistente uitkomsten bij deze vraag. Singer, Bremer en Stuckey vinden dat concentraties van militaire macht onder de grote mogendheden verband houden met oorlog in de 19de eeuw en met vrede in de 20ste eeuw, terwijl pariteit verband houdt met vrede in de 19de eeuw en oorlog in de 20ste eeuw.22 Er is nog geen doorslaggevende toetsing van de machtstransitietheorie of andere hypothesen die de voorwaarden specificeren waaronder machtsverhoudingen tot oorlog leiden.23

Allianties
Vasquez concludeerde dat de opvatting dat allianties of het machtsevenwicht gerelateerd zijn aan internationaal conflict geen steun vindt in het kwantitatieve onderzoek;24 “ceteris paribus, worden allianties vaker door oorlog dan door vrede opgevolgd.”25 Levy op zijn beurt oordeelt dat de vorming van allianties gedurende de laatste vijf eeuwen (maar niet in de 19de eeuw) meestal spoedig door oorlog is gevolgd, maar dat aan de meeste oorlogen geen allianties zijn voorafgegaan. Dit is zijns inziens te verklaren door de neiging van staten om allianties te vormen voor bescherming zo gauw ze waarnemen dat de waarschijnlijkheid van oorlog hoog is. De causale relatie is er dus een van anticipatie op oorlog naar alliantievorming en niet van alliantievorming naar oorlog.26

Wapenwedlopen
Na een bespreking van de literatuur over wapenwedlopen komen Hower en Zinnes tot de conclusie: “Er is dus bewijsmateriaal dat steun verleent zowel aan de wapenwedloop-leidt-tot-oorlog hypothese als aan de wapenwedloop-voorkomt-oorlog hypothese. Alles hangt af van hoe variabelen worden geoperationaliseerd en welk type toetsing wordt gebruikt.”27 De evidentie inzake de vraag of wapenwedlopen bijdragen tot een grotere kans op oorlog is dus weinig eenduidig.

Aanstekelijkheid (besmettelijkheid, contagiousness)
Levy heeft geen verband tussen oorlog en aanstekelijkheid gevonden, hetgeen hem laat concluderen: “deze uitkomsten zijn consistent met een lange lijn van empirisch onderzoek dat teruggaat tot Sorokin (1937). Deze eerdere studies hebben bij herhaling de afwezigheid van aanstekelijkheid aangetoond [...] bij het uitbreken van oorlog.”28 Verwijzende naar de uitkomsten van Richardson (1960), concludeert Zinnes dat “hoe langer er vrede is tussen twee vijanden hoe minder waarschijnlijk dat ze elkaar opnieuw gaan bevechten”, alsof er een traag proces van vergeten en vergeven aan de gang is.29

Intern/extern conflict
De ingroup/outgroup-hypothese is ook onderwerp geweest van systematisch empirisch onderzoek. De meeste kwantitatieve studies vonden dat daartussen geen verband bestaat. Zorgvuldiger opgezette studies, die pogen andere variabelen zoals het type staatsbestel erbij te betrekken, hebben enkele positieve maar relatief zwakke relaties gevonden tussen intern en extern conflict. “Deze discussie trekt de aandacht naar verscheidene significante puzzels in de literatuur over bronnen van internationaal conflict met betrekking tot de samenleving. Een daarvan is de kloof tussen de algemene conclusie van [...] studies dat er weinig verband lijkt te zijn tussen binnenlands en buitenlands conflict en de uitkomsten van vele individuele case studies dat het zondebokmotief een belangrijke invloed heeft op het proces dat veelvuldig tot oorlog leidt.”30

Economische factoren
De overtuiging dat (economische) transacties tot vrede leiden vindt geen steun: “Er is geen overtuigende empirische toetsing geweest van de liberale hypothesen [zoals vooral vrijhandel] aangaande de oorzaken van oorlog [...] sommige kenmerken van liberale economische structuren neigen tot vermindering van de mate van internationaal conflict, andere kenmerken zijn destabiliserend.”31 En, “economische oorzaken lijken rechtstreeks in minder dan 29 procent van de oorlogen sedert 1820 te zijn opgetreden [...] Relatieve rijkdom en armoede lijken van zeer weinig invloed te zijn geweest [...] De invloed van al deze factoren samen is geringer geweest dan die van conflicten over territorium, die mogelijk meer politiek dan economisch zijn geweest.”32

ContiguÔteit (aangrenzing/naburigheid/territoriale grenzen)
ContiguÔteit is al door Richardson gesignaleerd: “Staten hebben de neiging bij oorlogen te worden betrokken in proportie tot het aantal staten waarmee ze gemeenschappelijke grenzen hebben. Aangrenzing is een belangrijke factor bij oorlog geweest tijdens deze periode [maar] het feitelijke voorkomen van oorlog is veel geringer geweest dan te verwachten zou zijn op grond van de kansen voor oorlog die door geografische aangrenzing werden geboden.”33 Vasquez is van mening dat grensconflicten en andere territoriale geschilpunten de voornaamste oorzaken van oorlog zijn in de laatste vijf eeuwen: “Van alle mogelijke geschilpunten waarover staten kunnen vechten is er overweldigend bewijs dat territoriumkwesties, vooral territoriale aangrenzing, de belangrijkste zijn die snel tot collectief geweld aanleiding geven. Het is opmerkelijk hoeveel oorlogen tussen staten (afgezien van type) van 1816 tot 1980 betrekking hebben op staten die buren zijn (dat wil zeggen aangrenzend of indirect aangrenzend via water). Deze uitkomsten bieden meer dan een sterke aanwijzing dat oorlog nauw is betrokken bij strijd over aangrenzend territorium. In deze analyse wordt territorium opgevat als een algemene onderliggende oorzaak van oorlog.”34 Deze algemene waarneming lijkt te impliceren dat hoe meer staten het internationale systeem bevat, hoe meer oorlogen er in het systeem voorkomen.

Democratische vrede
Hower en Zinnes bespreken de studies over het type staatsbestel en internationaal conflict en merken op dat de evidentie tegenstrijdig is: “Eťn bewijspunt echter wordt consistent in vele toetsingen gesteund. Democratische of libertaire typen staatsbestel begeven zich niet in gewelddadig conflict met elkaar.”35 Levy verwoordt het aldus: “Hoewel democratieŽn even vaak oorlogen hebben uitgevochten als niet-democratische staten, bevechten ze elkaar bijna nooit [...] Deze afwezigheid van oorlog tussen democratische staten benadert zo dicht mogelijk een empirische wet in internationale relaties [...] Deze uitkomst is vooral zo belangwekkend omdat ze indruist tegen veel van de toonaangevende theorieŽn van internationaal conflict en oorlog.”36 Het blijkt derhalve dat waar een paar van staten een gemeenschappelijke democratische politieke cultuur delen, dit een conflictmatigende invloed uitoefent die etnische, linguÔstische of religieuze scheidslijnen te boven lijkt te gaan.

Etnische diversiteit
Etnische diversiteit en heterogeniteit worden door Geller en Singer niet genoemd als polemogene factoren. Maar er is wel degelijk evidentie dat deze factoren van belang zijn voor de initiatie van gewelddadig conflict.

“Uit eerder onderzoek door Rummel (uit de jaren zestig) en Haas (1974) bleek dat de heterogeniteit in samenstelling van een bevolking consistent verband houdt met de frequentie van oorlog, militaire acties en slachtoffers van buitenlands conflict. Landen met veel verschillende etnische groeperingen, taalgemeenschappen, nationaliteiten en religieuze en raciale groeperingen begeven zich vaker in oorlog dan homogene staatsvormen.”37 Rummel is van oordeel dat twee eenvoudige maten: het aantal etnische groeperingen en het aantal religieuze groeperingen binnen een staat, verband houden met alle vormen van collectief geweld (inclusief oorlog) hoe meer groeperingen hoe meer geweld.38


Populatiestructuur
Zoals we hebben kunnen constateren zijn demografische variabelen niet of nauwelijks gecorreleerd met oorlogsgedrag van staten. Tot voor kort is er echter geen onderzoek gedaan naar de mogelijke invloed van subpopulaties, zoals bijvoorbeeld de proportie jonge mannen binnen de gehele bevolkingsopbouw.
Mesquida en Wiener voerden onlangs aan dat collectief geweld (dat wil zeggen: opstand, rellen, oorlog tussen staten, burgeroorlog, etnische 'zuivering', genocide, etc.) kan worden beschouwd als een poging van jonge mannen om anderszins onbereikbare hulpbronnen te verkrijgen en daardoor hun inclusive fitness te maximaliseren.39 Zij onderzochten ook de invloed die verschillende demografische structuren hebben op de ontwikkeling van geweldsconflicten en hun slotsom was dat de aanwezigheid van een relatief hoog aantal jonge mannen 'agressie in coalitieverband' waarschijnlijker maakt. Een dergelijke bevinding kan volgens hen een verklaring zijn voor zowel het bestaan van stammenoorlog als van contemporaine oorlogvoering. Deze studie (hoewel nog niet gerepliceerd) toont aan dat de leeftijdsamenstelling van de mannelijke bevolking kan worden beschouwd als de kritische demografische factor die invloed heeft op de neiging van een populatie tot vrede of geweldsconflicten.40


Postludium en conclusies

Hower en Zinnes besloten hun samenvatting van het macrokwantitatieve onderzoek met de volgende treffende opmerking: “als er ťťn overheersende conclusie te trekken valt uit de voorafgaande bladzijden is dat wel een groot vraagteken.”41 Ongetwijfeld hadden ze het grosso modo bij het rechte eind de meeste bevindingen zijn niet conclusief, ambigue, of zelfs tegenstrijdig zoals we hebben gezien maar enkele macrokwantitatieve uitkomsten moeten toch wel als blijvend worden beschouwd.
 Alles bijeen genomen ziet het ernaar uit dat we een aantal tamelijk eenvoudige indices voor interstatelijk zowel als intrastatelijk collectief geweld op het spoor zijn: territoriale contiguÔteit, het aantal etnische en religieuze groeperingen in een staat, en het aantal (of de proportie) jonge mannen in de bevolking. Ook macht, vooral totalitaire macht, is consistent in verband gebracht met oorlogvoering en met andere vormen van collectief geweld zoals democide en genocide.42 Zoals Rummel graag zegt: 'macht corrumpeert; absolute macht corrumpeert absoluut'.
 Daarentegen blijkt gezamenlijke democratie of een libertair regime het tegenovergestelde van een totalitaire machtsstructuur een consistente en robuuste factor voor vrede. “Het empirisch onderzoek toont ook aan dat er niet ťťn afzonderlijke factor is die oorlog onvermijdelijk maakt. Zoals David Singer graag zegt, er zijn vele afritten langs de weg naar oorlog.”43

Coda in mineur

Het moge duidelijk zijn dat een macrokwantitatieve benadering van oorlog en vrede een beperkt domein bestrijkt: deze benadering kan zich alleen bezig houden met hypothetische polemogene factoren die in principe kwantificeerbaar zijn. Als we alle mogelijke polemogene factoren zouden kunnen ordenen op een enkele dimensie van puur voluntaristisch (of strategisch) tot puur deterministisch (of cataclysmisch) dan is het duidelijk dat de factoren aan de kant van de deterministische pool het makkelijkst te kwantificeren zijn. Maar die factoren zullen dan tevens de culminaties zijn van onpersoonlijke krachten die hun oorsprong vinden in de dynamiek van het international systeem: machtsverhoudingen, onevenwichtige economische groei, conjunctuurgolven, demografisch-ecologische processen, etc. Dat uiteindelijk mensen tot oorlog besluiten en dat mensen oorlogen uitvechten dreigt in dit perspectief nogal eens op de achtergrond te raken. Dit leidt vervolgens weer tot de eeuwenoude vraag of, en zo ja van welke onpersoonlijke, blinde krachten 'de mens' een speelbal is. Dat er al met al zo weinig eenduidige krachten geÔdentificeerd zijn in de macrokwantitatieve studies vermag misschien toch een beetje licht te werpen op deze vraag. Klaarblijkelijk is er sinds Thucydides zijn verklaring van de Peloponnesische Oorlog presenteerde - de groei van de macht van Athene en de angst die dat veroorzaakte in Sparta - maar bitter weinig aan toe te voegen geweest.

Veel lezers zullen de resultaten van al deze vele honderden macrokwantitatieve studies nogal teleurstellend vinden. Afhankelijk van operationalizaties en indices, gegevensbestanden, tijdsperiodes, hypothesen, en (multivariate) methoden en procedures zijn de uitkomsten, op enkele uitzonderingen na, heterogeen, niet bepaald eenduidig, niet robuust, en soms zelfs contradictorisch. Over vrijwel geen enkele mogelijke polemogene factor (predictor) is er zelfs maar een zweem van overeenstemming. Begonnen als "mindless number crunching" loopt het macrokwantitatieve onderzoek, mede door het uitblijven van eenduidige resultaten, nu het gevaar in een isolement van methodenfetishisme te geraken (het Journal of Conflict Resolution bijvoorbeeld kan vrijwel niemand meer volgen zonder opleiding hogere wiskunde). Helaas zijn de debatten tussen deze methodologische 'wizkids' alleen maar voor henzelf interessant. Van enige betrokkenheid met het eigenlijke probleem, namelijk het verklaren of begrijpelijk maken waarom mensen/samenlevingen/staten oorlog voeren, is allang geen sprake meer. Een tweedeling van de 'peace research' zal zich op korte termijn manifesteren: de kwantitatieve, arrogante, elkaar-vliegen-afvangende, modelletjesmakende vakidioten enerzijds, en de 'zachte sector' van vrijblijvende, niet-door-kennis-van-zaken-gehinderde, academische leuteraars anderzijds. Een triest vooruitzicht.


Noten

1. Cumulatieve evidentie laat wel een zeer gering verband zien tussen de regeringsvorm en betrokkenheid bij gemilitariseerde conflicten of oorlogen. Op het niveau van de monade zijn democratieŽn niet minder bij oorlogen betrokken dan staten met andere soorten staatsbestel.
2. Met name statisch machtsevenwicht en verschuiving van macht in de richting van pariteit staan in consistent en significant verband met gemilitariseerd conflict en oorlog, ongeacht bevolkingsparameters. Deze uitkomsten weerleggen, verrassend genoeg, de predicties van het Realisme.
3. Rummel, R.J. (1979), Understanding Conflict and War. War, Power, Peace (Vol. 4), Beverly Hills: Sage; Gleditch, N.P. (1995), Geography, democracy, and peace, International Interactions, 20, 297-323.
4. Het is inmiddels al verscheidene malen vastgesteld dat de afwezigheid van oorlog tussen democratische naties een van de sterkste empirische generalisaties op het terrein van de internationale politiek is. Er zijn twee rivaliserende verklaringen voor dit verschijnsel. De ene richt zich op de politieke cultuur van democratische staten (met nadruk op niet-gewelddadige normen), terwijl de andere (structurele/institutionele) verklaring uitgaat van de democratische politieke structuur (dat wil zeggen: besluitvormingsrestricties). Deze laatste verklaring lijkt logisch inconsistent te zijn met de evidentie op het niveau van de monade.
5. Siverson, R.M. and P.F. Diehl (1989), Arms races, the conflict spiral, and the onset of war, in: M.I. Midlarsky (ed.), Handbook of War Studies, Boston: Unwin Hyman, 214.
6. Zie bijvoorbeeld ook Gantzel, K.J. und T. Schwinghammer (1995), Die Kriege nach dem Zweiten Weltkrieg, 1945 bis 1992. Daten und Tendenzen, MŁnster: Lit Verlag.
7. Farrar onderzocht mogelijke oorlogscycli in het subsysteem van de Europese regio voor de periode tussen 1494 en 1973. Hij onderscheidt drie typen oorlog: 'sonderende' oorlog (minimaal geweld, weinig verandering veroorzakend), 'aanpassende' oorlog (gematigd geweld maar geen bedreiging van de statushiŽrarchie) en 'hegemonische' oorlog (massief geweld dat de hiŽrarchie bedreigt of wijzigt). Farrar meent dat deze oorlogen voorkomen in een bepaalde volgorde namelijk sonderende, aanpassende en hegemonische oorlogen. De volledige cyclus van oorlogstypen beslaat zo'n 100 jaar en is tussen 1494 en 1973 vier keer herhaald. Farrar, L.L. (1977), Cycles of war. Historical speculations on future international violence, International Interactions, 3, 161-179.
8. Gochman en Maoz komen tot de slotsom dat de “ogenschijnlijke toename van de conflictgeneigdheid van interstatelijke relaties gedurende de afgelopen anderhalve eeuw althans ten dele een functie is van de groei in de omvang van het insterstatelijke systeem”. Gochman, C.S. and Z. Maoz (1984), Militarized interstate disputes, 1816-1976. Procedures, patterns and insights, Journal of Conflict Resolution, 28, 4, 585-616.
9. Levy, J.S. (1982), Historical trends in great power war, 1495-1975, International Studies Quarterly, 26, 278-300.
10. Levy, J.S. and T.C. Morgan (1986), The war-weariness hypothesis. An empirical test, American Journal of Political Science, 30, 26-49, 46.
11. Kegley, C.W. and G. Raymond (1986), Normative constraints on the use of force short of war, Journal of Peace Research, 23, 213-227, 213.
12. Zoals Vasquez al opmerkte: “enkele van deze formele regelgevende pogingen zoals de Vrede van Westfalen en het Congres van Wenen zijn zeer succesvol geweest bij het oplossen van de geschilpunten die tot oorlog hebben geleid en bij het verzachten van geweld. Andere, zoals het Verdrag van Versailles, zijn rampzalig geweest en hebben precies de oorlog die ze trachtten te verhinderen veroorzaakt.” Vasquez, J.A. (1993), The War Puzzle, Cambridge: Cambridge University Press, 283.
13. Vasquez, J.A. (1976), Statistical findings in international politics. A data-based assessment, International Studies Quarterly, 20, 2, 171-218; Zinnes, D.A. (1980), Why war? Evidence on the outbreak of international conflict, in: T.R. Gurr (ed.), Handbook of Political Conflict, New York: Free Press, 331-360; Dennen, J.M.G. van der (1981), On war. Concepts, definitions, research data - a short literature review and bibliography, in: Unesco Yearbook on Peace and Conflict Studies 1980, Westport, ct: Greenwood Press, 128-189 later gevolgd door Vasquez, J.A. (1987), The steps to war. Toward a scientific explanation of correlates of war findings, World Politics, 40, 108-145; Levy, J.S. (1989), The causes of war. A review of theories and evidence, in: P.E. Tetlock et al. (eds.), Behavior, Society, and Nuclear War (Vol. 1), New York: Oxford University Press, 209-333; en Hower, G. and D.A. Zinnes (1989), International political conflict. A literature review, Ddir-Update, 3, 3, 1-14.
14. Small, M. and J.D. Singer (1982), Resort to Arms. International and Civil Wars, 1816-1980, Beverly Hills: Sage; Levy, J.S. (1983), War in the Modern Great Power System, 1495-1975, Lexington: University Press of Kentucky; Hower and Zinnes (1989), 2; Levy (1989), 213. Ook de evidentie gepresenteerd in Van der Dennen (1981), 143-153, lijkt de opvatting te ondersteunen dat er een lange-termijntrend bestaat van veel oorlogen met weinig slachtoffers naar weinig oorlogen met veel slachtoffers (zie bijvoorbeeld ook Beer, F.A. (1974), How Much War in History? Definitions, Estimates, Extrapolations and Trends, Beverly Hills: Sage).
15. Levy (1989), 214.
16. Richardson, L. (1960), Statistics of Deadly Quarrels, Pittsburgh: Boxwood Press, aangehaald in: Van der Dennen (1981), 145, respectievelijk 177.
17. Levy (1989), 299. Vooral Goldstein benadrukt de cyclische aard van hegemonische oorlogvoering: Goldstein, J.S. (1988), Long Cycles. Prosperity and War in the Modern Age, New Haven: Yale University Press. Sorokin nam zowel lineaire als cyclische theorieŽn van verandering in oorlogvoering met een korreltje zout: de curve fluctueert alleen maar, en dat is alles; Sorokin, P. (1937), Social and Cultural Dynamics. Vol. 3: Fluctuations of Social Relationships, War and Revolutions, New York: American Book Co. Zie ook: Singer, J.D. and M. Small (1972), The Wages of War, 1816-1965, New York: Wiley. Daarentegen geeft Van der Dennen een opsomming van studies die periodiciteit en/of cyclische herhaling van internationale conflicten vermelden; Van der Dennen (1981), 153-154.
18. Singer and Small (1972) en Richardson (1960), aangehaald in: Van der Dennen (1981), respectievelijk 162 en 155.
19. Vasquez (1976), zoals samengevat in Van der Dennen (1981), 178-179.
20. Zinnes constateerde de bijna totale afwezigheid van enige relatie tussen oorlog (of oorlogsgeneigdheid) en zijn potentiŽle determinanten, zoals macht, type staatsbestel, omvang of ontwikkeling. Zinnes (1980), 336.
21. Levy (1989), 311.
22. Singer, J.D., S.A. Bremer and J. Stuckey (1972), Capability distribution, uncertainty, and major power war, 1820-1965, in: B.M. Russett (ed.), (1972), Peace, War, and Numbers, Beverly Hills: Sage.
23. “Hoewel enkele studies inderdaad de dyadische-overwichthypothese steunen [...] spreekt veel van de evidentie dit tegen.” Levy (1989), 242. Vasquez suggereerde dat de verdeling van macht eerder het type oorlog dat plaats heeft zou beÔnvloeden dan de waarschijnlijkheid van oorlog. Vasquez, J.A. (1986), Capability, types of war, peace, Western Political Quarterly, 38, 313-327. “De hypothese dat militair overwicht noodzakelijk is voor afschrikking kan worden verworpen.” Levy (1989), 242. “Nog een intrigerende waarneming van internationaal geweld is de consistente correlatie tussen defensieuitgaven en internationaal geweld [...] Naroll's (1969) studie naar 2.000 jaar geschiedenis brengt hem tot de conclusie dat 'bewapening ertoe neigt oorlog waarschijnlijker te maken'.” Zinnes (1980), 344.
24. Vasquez (1976).
25. Vasquez (1993), 312.
26. Levy (1989), 236.
27. Hower and Zinnes (1989), 10; zie ook: Levy (1989), 238.
28. Levy (1989), 579; Hower and Zinnes (1989), 4.
29. Zinnes (1980), 347. Daarentegen vatten Hower en Zinnes verschillende studies samen waar geen significante correlaties te vinden zijn tussen diverse maten van de grootte of ernst van oorlog en de tijdsduur tot de volgende oorlog, hetgeen een schaduw werpt over het argument van het leermodel. Hower en Zinnes (1989), 4.
30. Levy (1989), 273-274. Zinnes meent terzake: “Als we deze [...] studies vergelijken zien we dat elk erop wijst dat er een relatie bestaat tussen variabelen die intern conflict meten en variabelen die gewelddadig internationaal gedrag meten wanneer de interne conflict maten samen worden genomen met andere eigenschappen van naties zoals regeringsstructuur (Wilkenfeld), populatiediversiteit (Hazlewood), of eisen en instabiliteit (Bobrow et al.).” [oorspronkelijke cursivering] Zinnes (1980), 343, refererend aan: Wilkenfeld, J. (1968), Domestic and foreign conflict behavior of nations, Journal of Peace Research, 5, 1, 56-69; Hazlewood, L.A. (1975), Diversion mechanisms and encapsulation processes. The domestic conflict - foreign conflict hypotheses reconsidered, in: P.J. McGowan (ed.), Sage International Yearbook of Foreign Policy Studies, Beverly Hills: Sage, 213-243; Bobrow, D.B. et al. (1973), The impact of foreign assistance on national development and international conflict, Journal of Peace Science, 1, 1, 39-60. Van der Dennen vond eveneens dat de kwantitatieve literatuur op het gebied van de externe/interne conflictkoppeling (domestic/foreign conflict linkage) ambigue resultaten opleverde, ofschoon er enige evidentie was dat regeringsstructuur van een staat een belangrijke predictor was voor de verhoudingen tussen intern en extern conflictgedrag. Van der Dennen (1981), 165-175.
31. Levy (1989), 261-262.
32. Richardson, zoals aangehaald in Van der Dennen (1981), 155.
33. Ibidem.
34. Vasquez (1993), 293. Zie voor aanvullende literatuur op het gebied van contiguÔteit en oorlog onder meer: Bremer, S.A. (1992), Dangerous dyads. Conditions affecting the likelihood of interstate war, 1816-1965, Journal of Conflict Resolution, 36, 2, 309-341; Diehl, P.F. (1985), Contiguity and military escalation in major power rivalries, 1816-1980, Journal of Politics, 47, 4, 1203-1211; Diehl, P.F. (1991), Geography and war. A review and assessment of the empirical literature, International Interactions, 17, 1, 11-27; Goertz, G. and P.F. Diehl (1992), Territorial Changes and International Conflict, London: Routledge; Gochman, C.S. (1990), 'The geography of conflict: Militarized interstate disputes since 1816', Paper annual meeting International Studies Association, Washington DC, April 10-14; Luard, E. (1986), War in International Society, New Haven: Yale University Press; Richardson (1960); Singer, J.D. (1990), 'Accounting for international war in the twentieth century', Olin lecture series, us Air Force Academy, December 7; Small and Singer (1982); Vasquez, J.A. (1995) Why do neighbors fight? Proximity, interaction, or territoriality?, Journal of Peace Research, 32, 3, 277-294; Wallensteen, P. (1981) Incompatibility, confrontation, and war. Four models and three historical systems, 1816-1976, Journal of Peace Research, 18, 1, 57-90; en Van der Dennen, J.M.G. (1995), The Origin of War. The Evolution of a Male-Coalitional Reproductive Strategy. Groningen: Origin Press, voor evidentie bij preÔndustriŽle samenlevingen).
35. Hower and Zinnes (1989), 5.
36. Levy (1989), 270. Het is interessant dat noch Vasquez (1976) noch Zinnes (1980) noch Van der Dennen (1981) literatuur vermelden over de bevinding dat democratieŽn (of libertaire regimes) elkaar niet bevechten, hetgeen nu zowel een robuuste als een consistente uitkomst lijkt te zijn. Voorzover valt na te gaan, werd het voor het eerst in een wetenschappelijk tijdschrift gerapporteerd in Small, M. and J.D. Singer (1976), The war proneness of democratic regimes, Jerusalem Journal of International Relations, 1, Summer, 49-69, later gevolgd door Rummel (1979); Rummel, R.J. (1983) Libertarianism and international violence, Journal of Conflict Resolution, 27, 1, 27-71. Zie ook: Bremer (1992); Chan, S. (1984), Mirror, mirror on the wall ... Are the freer countries more pacific?, Journal of Conflict Resolution, 28, 4, 617-648; Chan, S. (1997), In search of democratic peace. Problems and promise, Mershon International Studies Research, 41, 59-91; Everts, Ph.P. (1995), Democratie en vrede. Transaktie, 24, 1, 45-72; Henderson, E.A. (1998), The democratic peace through the lens of culture, 1820-1989, International Studies Quarterly, 42, 3, 461-484; Maoz, Z. and N. Abdolali (1989), Regime types and international conflict, 1816-1976, Journal of Conflict Resolution, 33, 3-35; Maoz, Z. and B.M. Russett (1992), Alliances, distance, wealth, and political stability. Is the lack of conflict among democracies a statistical artifact?, International Interactions, 17, 3; Maoz, Z. and B.M. Russett (1993), Normative and structural causes of democratic peace, American Political Science Review, 87, 3, 624-638; Mousseau, M. (1998), Democracy and compromise in militarized interstate conflicts, 1816-1992, Journal of Conflict Resolution, 42, 2, 210-230; Oneal, J.R., F.H. Oneal; Z. Maoz and B.M. Russett (1996), The liberal peace. Interdependence, democracy, and international conflict 1950-85, Journal of Peace Research, 33, 1, 11-28; Ray, J.L. (1995), Democracy and International Conflict. An Evaluation of the Democratic Peace Proposition, Columbia: University of South Carolina Press; Russett, B.M., C.R. Ember and M. Ember (1993), The democratic peace in non-industrial societies, in: Russett, B.M. et al. (1993), Grasping the Democratic Peace. Principles for a Post-Cold War World, Princeton: Princeton University Press, 43-72; Russett, B.M. (1995), The democratic peace. And yet it moves, International Security, 19, 164-175; en Weede, E. (1984), Democracy and war involvement, Journal of Conflict Resolution, 28, 4, 649-664.
37. Van der Dennen (1981), 158. Zie ook: Rummel, R.J. (1968), The relationship between national attributes and foreign conflict behavior, in: Singer, J.D. (ed.) (1968), Quantitative International Politics. Insights and Evidence, New York: Free Press, 187-214; Haas, M. (1974), International Conflict, New York: Bobbs-Merrill.
38. Rummel, R.J. (1997), Power Kills. Democracy as a Method of Nonviolence, New Brunswick: Transaction. Zie ook Rummel's website.
39. Mesquida, C.G. and N.I. Wiener (1996), Human collective aggression: A behavioral ecology perspective, Ethology & Sociobiology, 17, 4, 247-262. Wilson en Daly bedachten in dit verband de term 'jonge-mannensyndroom' voor het feit dat moorddadig geweld (en eigendomsdelinquentie) in alle bekende culturen en samenlevingen in hoofdzaak door jonge mannen wordt bedreven. Wilson, M. and M. Daly (1985), Competitiveness, risk-taking and violence. The young male syndrome, Ethology & Sociobiology, 6, 1, 59-73. Zie bijvoorbeeld ook Chagnon, N.A. (1990), Reproductive and somatic conflicts of interests in the genesis of violence and warfare among tribesmen, in: J. Haas (ed.) The Anthropology of War, Cambridge: Cambridge University Press, 77-104; Daly, M. and M. Wilson (1987) Homicide, Hawthorne, ny: Aldine de Gruyter; Van der Dennen (1995); Low, B. (1993), An evolutionary perspective on war, in: W. Zimmerman and H.K. Jacobson (eds.), Behavior, Culture, and Conflict in World Politics, Ann Arbor: University of Michigan Press, 13-56; Manson, J.H. and R.W. Wrangham (1991), Intergroup aggression in chimpanzees and humans, Current Anthropology, 32, 4, 369-377; Wrangham, R. and D. Peterson (1996), Demonic Males: Apes and the Origins of Human Violence, Boston: Houghton Mifflin.
40. Dit werd reeds verondersteld door de Franse polemoloog Bouthoul en de historicus Moller: Bouthoul, G. (1951), Les guerres. Elťments de polťmologie, Paris: Payot; Moller, H. (1967), Youth as a force in the modern world, Comparative Studies in Society & History, 10, 237-260.
41. Hower & Zinnes (1989), 11.
42. Rummel (1979).
43. Vasquez (1993), 196.