De rechtvaardiging van geweld:

de bestiale metafoor (het Beest-in-de-Mens)


Dr. J.M.G. van der Dennen
Vakgroep Rechtstheorie, sectie Politieke Wetenschappen
(voorheen Polemologisch Instituut), Rijksuniversiteit Groningen


Inleiding

Regelmatig kunnen wij uit kranten en weekbladen vernemen dat wij potentiële sadistische en kannibalistische moordenaars zijn à la Idi Amin, of dat de mens `van nature' nu eenmaal kwaadaardig is, of beschikt over een aangeboren agressiedrift dan wel aangeboren krijgszucht. Rond dit thema van Het-Beest-in-de-Mens figureert een heel complex van uitspraken, variërend van als axiomata vermomde platitudes zoals "geweld is een conditie van de mens" (E. van Ree, Volkskrant Forum, 4 april 1996), tot en met apodictische oordelen over "Het Kwaad in Ons" (Simon Rozendaal, "Het Kwaad in Ons. De biologie van moord en doodslag", Elsevier, 52, 5, 3 februari 1996) en kretologie over `aangeboren oorlogszucht' (W.L. Brugsma, "Oorlog is Menselijk", HP/De Tijd, 199, 2 september 1994, pp. 24-29; en mijn reactie daarop in HP/De Tijd, 201, 16 september 1994), en aanverwante artikelen zoals `natuurlijke wreedheid', `killer ape' fantasmagorieën, `Mannen zijn genetisch geprogrammeerd om met elkaar te vechten' (Rozendaal, Brugsma), en `aangeboren agressie-instinct' (Vroon). Buitenlandse coryfeeën zijn o.a. Freud, Dart, Ardrey, Lorenz, Fox, Lyell Watson (Dark Nature, 1995), en Howard Bloom (The Lucifer Principle, 1995)1. Zelfs de redactie van De Gids (nr. 5, mei 1996) meende een halfslachtige en hypocriete bijdrage te moeten leveren aan `De Slechte Mens'.
Daarbij worden grove leugens (Brugsma over een australopithecine massagraf)2 en volstrekt onzinnige drogredenen (`de natuur is slecht, dus de mens is slecht') en nonsensicale generalisaties ("Welke diersoort biologen ook bestudeerd hebben, overal constateerden ze moord, doodslag en oorlog" aldus Rozendaal) niet geschuwd.
Een pertinente onwaarheid is dat biologen overal oorlog zouden vinden. Zoals ik in mijn Origin of War (1995) heb (gepoogd te) laten zien is het verschijnsel oorlog of het niet-menselijke equivalent daarvan juist opvallend afwezig in de dierenwereld (zelfs als we oorlog heel ruim definiëren als enige vorm van geweld tussen groepen). Een van de centrale vragen in mijn dissertatie over het ontstaan van oorlog was juist te verklaren waarom zo weinig diersoorten oorlog in hun gedragsrepertoire hebben3. Ook zijn de niet-lethale en geritualiseerde vormen van agressiegedrag (zoals intimidatievertoon, dreiggedrag, bluf, enz.) veel universeler dan all-out (geëscaleerd) verwondend of dodend geweld.
`Moord' is een juridisch/ethische categorie en totaal niet op `de natuur' van toepassing; `de natuur' is namelijk volstrekt amoreel (niet te verwarren met immoreel). "Kwaad zit in de natuur ingebakken" (Rozendaal, Bloom) is om meerdere redenen een onzinnige uitspraak.
Ook de bewering van Lorenz dat de dieren die het meest `moorddadig' zijn tevens de sterkste (aangeboren) remmingen hebben, maar dat die remmingen nu net bij de mens - die biologische freak - ontbreken, vindt nog altijd gretig gehoor4.
Dat ik een potentiële moordenaar ben is echter noch nieuw noch informatief. Ik, en iedereen met mij, ben namelijk potentieel alles wat een gek maar kan bedenken. Gelukkig zijn de Idi Amins onder ons verre in de minderheid, hetgeen de heer Rozendaal niet verhindert met veel aplomb zijn waarheden te debiteren. Het lijkt erop dat Elsevier de concurrentie met HP/De Tijd (Brugsma) is aangegaan om het meest raaskallende, ranzige en lugubere stuk over de kwaadaardige menselijke natuur te produceren. Het in-de-genen-verankerde-Kwaad steekt gunstig af tegen de aangeboren-krijgszucht van de heer Brugsma. Die fröhliche Wissenschaft. Nietzsche wist het al: je kunt wat aflachen in de sociale wetenschappen tegenwoordig.
In dit artikel zal ik proberen de geschiedenis van het beeld van het Beest-in- de-Mens te traceren, de (neuro-psychologische) evidentie te presenteren en te evalueren, en tenslotte een aantal populaire, verwante misverstanden, mythen, drogredenen, enz. over agressie, geweld en oorlog te bekritiseren.

De meeste afgrijselijkheden die wij gemeenlijk met de term `beestachtig' associëren (genocide, massamoord, war atrocities, serial killings, sadisme, gratuite wreedheid, etc.) komen juist bij de `wilde beesten' niet of nauwelijks voor, en de evolutionaire redenen daarvoor zijn niet moeilijk te begrijpen (buiten beschouwing latend de cognitieve, intellectuele en technologische sophisticatie die hiervoor nodig is): in termen van een evolutionaire kosten-baten calculus leveren ze nauwelijks baten op, terwijl ze mogelijkerwijze zeer hoge kosten (uiteenlopend van verloren tijd en energie tot verwonding en dood) met zich mee kunnen brengen.

De mythe van het Beest-in-de-Mens (of het Binnenste Beest), aldus Klama (1988) heeft, zoals alle belangrijke mythische thema's in de westelijke cultuur, wortels in de klassieke Griekse filosofie, de stam in het vroege christendom, en takken in verschillende huidige versies van filosofie en wetenschap5.
Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de fascinatie en de verbreidheid in ruimte en tijd van de mythe van het Binnenste Beest (hoewel gedeeltelijk berustend op waarheid) te maken heeft met de mogelijkheid tot ultieme rechtvaardiging van geweld.

Het Binnenste Beest als Ongebreideld Paard

Plato schilderde in zijn Republiek (boek 9) de menselijk conditie als de eindeloze strijd (binnen het individu) tussen de `hogere' rede en de `lagere' hartstochten ("het wilde beest in ons").
Freud's visie op de menselijke natuur was eveneens een variatie op het thema van het Binnenste Beest. Met de metafoor van Plato in het achterhoofd schreef hij dat het Ich zich verhoudt tot het Es als de ruiter die de veel grotere kracht van het paard onder zich moet temmen. Uiteindelijk ontwierp hij een dualistische metafysica van de menselijke natuur waarin Eros en Thanatos de hoofdrollen spelen6.
In zijn Das Unbehagen in der Kultur (1929) beschrijft Freud plastisch het nu- welbekende beeld van het Binnenste-Beest-loerend-op-een- kans-om-rovend-plunderend-moordend-en-verkrachtend-door-het-flinterdunne- vernislaagje-van-de-beschaving-te-breken. De mens heeft nauwelijks gewetenswroeging, aldus Freud, om zijn medemens te domineren, misbruiken, uit te buiten en, zo nodig, uit de weg te ruimen. Freud's pessimistische en misantrope mensvisie wordt wellicht nog het best verwoord in zijn Zeitgemäßes über Krieg und Tod (1915): "Juist de nadruk op het gebod `Gij zult niet doden' maakt het zeker dat wij afstammen van een eindeloze reeks voorouders die moordenaars waren en bij wie de lust om te doden in het bloed zat". Hier kunnen Dart en Ardrey nog een puntje aan zuigen.
Ook Lorenz waarschuwde in de metafoor van Plato en Freud dat "de mens moet weten dat het paard dat hij berijdt wild kan zijn en gebreideld dient te worden" (Evans, 1974, 1975)7. Lorenz' ethologische analyse-cum-speculaties van de condition humaine was een romantische en Rousseauiaanse versie van het Binnenste Beest idee. De mens is een biologische freak, aldus in het kort Lorenz, omdat hij niet, zoals alle andere diersoorten in de natuur, beschikt over (aangeboren) remmingen op het doden van soortgenoten. Dit beeld van de biologische freak vinden we eveneens bij Tinbergen en, vooral, Koestler8.

Het Binnenste Beest als Primitieve Wilde

Tijdens het eerste decennium van de zestiende eeuw had Sebastian Cabot al in Engeland drie Eskimo's tentoongesteld die hij gevangen had genomen bij zijn ontdekkingsreis naar de Noordelijke IJszee in 1502. Een tijdgenoot van Cabot beschreef de Eskimo's als primitieve, rauw-vlees-etende specimina die "spake such speech that no men coulde understande them, and in their demeanour like to bruite beastes" (Hakluyt, 1582, geciteerd in Nash, 1972)9.
Reisverhalen, avonturen en etnografische beschrijvingen uit die tijd (Munster, 1553; Peter Martyr, 1555; Staden, 1557; Ribault, 1563; Le Challeux, 1566; Thevet, 1568; de Acosta, 1590; Garcilaso de la Vega, 1609)10 suggereerden of impliceerden dat de pas ontdekte inboorlingen van de Nieuwe Wereld (Indianen en Eskimo's) niet alleen uiterst primitief waren (in elk geval niet-Engels), maar tevens bestiale, kannibalistische, en aan sexuele perversies verslingerde wilden, gemotiveerd door lage hartstochten in plaats van rede(lijkheid). Deze visie bleef eeuwenlang bestaan naast de conflicterende romantische visie van de vredelievende Nobele Wilde (door Columbus beschreven)11, of zelfs als een van de verloren stammen van Israël. Deze visie van de bestiale bruut kwam goed van pas in de eeuwenlange genocide gepleegd op de Amerikaanse Indianen.
Thomas Hobbes verwees verscheidene keren naar de Amerikaanse Indianen als voorbeeld en levend bewijs van zijn `Mens in de Natuurlijke Staat' (Ashcraft, 1972)12, d.w.z. als een wild beest met gewelddadige hartstochten, verwikkeld in een voortdurende oorlog van iedereen tegen ieder ander, "and the life of man, solitary, poore, nasty, brutish, and short" (Leviathan, 1651). Onmiddellijk volgend op deze bedroevende karakterisering van 's mensen natuurlijke staat volgt deze passage: "The savage people in many places of America... have no government at all; and live at this day in this brutish manner, as I said before" (Leviathan, bk I, ch. 13; soortgelijke passages in bk. I, ch. 10, bk II, ch. 20, en in De Cive, 1642, ch. 1)13. Hobbes was waarschijnlijk zeer goed op de hoogte van publikaties als die van Raleigh (1596, 1650), de Acosta, Garcilaso de la Vega, d'Avity (1615), en Montaigne (1580), waarin soortgelijke visies werden verwoord14. Shakespeare's The Tempest (waarin Caliban figureert, evenals ons woord `kannibaal' een verbastering van Caribbean - de Indianen van de Cariben werden vooral door de Spaanse Conquistadores als onverzadigbare kannibalen afgeschilderd) is eveneens schatplichtig aan Montaigne's essay "Over kannibalisme".
Er waren eveneens theologische precedenten voor de Hobbesiaanse `natuurlijke staat'. Calvijn, bijvoorbeeld, verklaarde dat, zonder godsdienst (d.w.z. in de natuurlijke staat), de mens niet meer is dan een wild beest. Net zoals een wild beest volgt de mens de neigingen van zijn natuur, en zijn natuur is zo laag, en slecht, en corrupt dat hij alleen maar in staat is tot het kwade (Calvin, 1536)15. Volgens Montagu (1978) is de mythe van het Beest-in-de-Mens een geseculariseerde versie van de christelijke doctrine van de erfzonde16. De Hobbesiaanse `state of nature' als een `savage condition' waarin de mens de mens een wolf is, vinden we later nog terug bij denkers als Hume, John Stuart Mill, McLennan, Maine, Wallace en Darwin17.

Tijdens zijn reis met de Beagle was de jonge Charles Darwin geconfronteerd met de (uiterst primitieve, naakte en schuimbekkende) inboorlingen van Vuurland, die hij weerzinwekkend vond ("man in his lowest & most savage state"), hetgeen het Hobbesiaanse idee over de primitieve mens in zijn natuurlijke staat alleen maar leek te bevestigen.
"In the last chapter of The Descent of Man, published in 1871, Charles Darwin recalled that the first time that he had seen primitive people was on a wild shore in Tierra del Fuego. They were naked: worse, they were `absolutely naked'. Their hair was tangled, their expression was wild and startled, and they excitedly frothed at the mouth. They had no government and they had barely any arts, `like wild animals' they lived on what they hunted; and they were merciless to members of other tribes... In that mental picture the once-noble savage had been reduced to little more than a twitching fossil" (Blainey, 1988; cursief toegevoegd)18.
Ook Darwin zag een archaïsch Beest in de krochten van de menselijke natuur: "Our descent, then, is the origin of our evil passions!! - The Devil under Form of Baboon is our grandfather!" (Gruber & Barrett, 1974; Klama, 1988)19. Darwin was zich ook zeer wel bewust van de `spilzucht' en gratuite `wreedheid' van de natuur.

Het Binnenste Beest als Killer Ape

Op grond van zijn Australopithecus opgravingen in het zuiden van Afrika meende de fysisch-antropoloog Raymond Dart (1953) te moeten concluderen dat deze vroege mensachtigen wreedaardige geweldplegers waren die, zonder onderscheid, zowel andere diersoorten als eigen soortgenoten de hersens insloegen en verslonden, en dat deze eigenschappen `ingebakken' zijn in de menselijke natuur als gevolg van ons evolutionaire verleden als carnivore kannibalen en killer apes ("The loathsome cruelty of mankind to man forms one of his inescapable, characteristic and differentiative features; and it is explicable only in terms of his carnivorous and cannibalistic origin")20.
In een serie vlotgeschreven boeken, beginnend met African Genesis (1961), populariseerde Robert Ardrey (van huis uit antropoloog en later toneelschrijver) de niet bijzonder vrolijke mensvisie en de bloederige killer ape fantasmagorieën van Dart, en voegde daar nog een aantal verzinsels van eigen makelij aan toe, zoals een Territoriale Imperatief en de Fascinatie van Geweld21.
Dit laatste thema werd door Robin Fox (1982) uitgesponnen: "the human animal is very easily `turned on' to sex and violence", kennelijk omdat het menselijk dier evolueerde als een jagende omnivoor die `dus' andere dieren, planten, en soortgenoten die in de weg liepen, zonder gewetensbezwaren vernietigde. Fox beschouwt doden evenmin een probleem als eten of copuleren: ze zijn alledrie even `natuurlijk'. De hedendaagse mens, aldus Fox, kan zijn behoefte om te doden niet in het wild uitleven, en dus neemt zijn gewelddadige voorstellingsvermogen en fantasiewereld het over: "contemporary man can use his violent imagination to create immeasurable havoc". Siann (1985) vindt het onvoorstelbaar dat Fox zijn eigen preoccupatie met geweld, zonder veel kritiek uit intellectuele kringen, zo kan generaliseren22. Een zelfde claim dat mensen (of tenminste mannen) door geweld worden gefascineerd wordt hier ten lande tot in den treure en ad nauseam herhaald door de heren Vroon en Brugsma (zie beneden).
Tegenwoordig wordt vrij algemeen aangenomen dat de killer ape hypothese berust op een volstrekt verkeerde interpretatie van het beschikbare bewijsmateriaal (Montagu, 1968; Leakey & Lewin, 1977, 1979; Leakey, 1981; Bailey, 1987; Klama, 1988)23. De beschadigde beenderen bijvoorbeeld die Dart als onweerlegbaar bewijs van doodslag en kannibalisme interpreteerde, zijn vrijwel zeker het gevolg van predatie door luipaarden of sabeltandtijgers of andere carnivore katachtigen, het aanvreten door hyena's (Brain, 1981; Johanson & Shreeve, 1989; Klein, 1989; Vencl, 1991; Keeley, 1996)24, of, in het geval van de Homo erectus schedels van Zhoukoudian (China), het gevolg van het schoonschrapen van de beenderen in de context van herbegrafenis of een endokannibalistisch ritueel als een vorm van voorouderverering.

Het Binnenste Beest als Aapmens

Een van de eersten die de veronderstelde voorouders van de mens (d.w.z. de pas ontdekte Neandertalers) als gewelddadige en bloeddorstige wilden voorstelde was de Duitse filosoof Friedrich Albert Lange in 1866. Hij schilderde hen af als prehistorische bruten die elkaar de schedel insloegen teneinde de hersenen van hun ongelukkige concurrenten rauw te verslinden (Corbey, 1988)25. De invloedrijke Franse archeoloog Gabriel de Mortillet completeerde het nu stereotiepe en overbekende beeld van de `ontbrekende schakel', dat tot ver in de twintigste eeuw het denken over onze oorsprong en afkomst zou overheersen, en dat door de bloederige slachthuis-fantasieën van Dart en Ardrey nieuw leven zou worden ingeblazen. De aapmens, schrijft de Mortillet in 1883 (Le préhistorique - origine et l'antiquité de l'homme) was "colère, violent et bataillard": een wild beest met aapachtige trekken en de mentaliteit van een kwaadaardige idioot26. In een zelfde traditie ontwikkelde zich de verklaring door de biocriminoloog avant la lettre, Cesare Lombroso, van de criminele medemens als een levend atavisme, een overblijfsel uit prehistorische tijden, toen onze voorouders nog bloeddorstige, bestiale en barbaarse aapmensen waren27.
Lombroso's l'Uomo delinquente, daterend van 1876, introduceert de atavistische crimineel, die als een regressie naar een primitief stadium van de evolutie werd voorgesteld (implicerend dat de vroege mensachtigen `brute beesten' waren), gekarakteriseerd door atavistische lichamelijke stigmata (`Lombrosokop').
Tegen het eind van de negentiende eeuw heerst er een wijdverbreid geloof in erfelijk determinisme en degenerationisme28, in Frankrijk bijv. gepropageerd door Taine, Morel en Lucas. Zola's roman La bête humaine (1890) was het produkt van zijn naturalisme, de literaire pendant (met wetenschappelijke pretenties) van dit geloof in het primaat van de erfelijkheid. Zola lokaliseert de gewelddadige instincten van zijn personages in de wetten van `de strijd in de natuur', en de moordlust van zijn hoofdpersoon Jacques Lantier schrijft hij toe aan de erfelijke degeneratie veroorzaakt door alcoholistische voorouders (een `bad seed' theorie avant la lettre)29.

Het Binnenste Beest als Fylogenetische Regressie

Wat is er waar aan het populaire beeld van het Beest-in-de-Mens (the Beast Within), het populaire idee dat er onder het vliesdunne vernis van de beschaving een gewelddadige en wrede bruut schuilgaat, of dat in de krochten van de menselijke psyche een sadistische psychopaat huist?
Gedeeltelijk berust dit beeld op waarheid. Wanneer we laag na laag van de menselijke persoon zouden afpellen, als bij een ui, zouden we terechtkomen bij een gedeelte van de hersenen dat we met alle andere (`hogere') organismen gemeenschappelijk hebben: wat door MacLean het `reptilian brain' is genoemd, of, iets meer omvattend, het limbisch systeem (zie beneden). En wat we daar aantreffen is (de neurale representatie, oftewel het neurale substraat van) een egocentrisch en competitief dier dat is uitgerust met de gedragssystemen die te maken hebben met overleving en voortplanting: de vier F's (Feeding, Fighting, Fleeing, Fucking). Evolutionair gezien niet zo verwonderlijk. En tot zo ver is het beeld van het beest in de mens accuraat.
Maar agressie en geweld vormen, in de dierenwereld, slechts één mogelijke gedragsstrategie in de concurrentie met soortgenoten, en niet altijd - of zelfs meestal niet - de meest effectieve of efficiënte strategie; en wreedheid is een luxe artikel waar de evolutie zich weinig mee heeft beziggehouden. Wreedheid en gratuit geweld leveren namelijk in termen van kosten en baten niets op. En wat in de koelbloedige calculaties van de evolutie niets oplevert wordt onherroepelijk weggeselecteerd. Een dier dat er in slaagt te bewerkstelligen dat zijn/haar rivaal het hazepad kiest op het kritieke moment is succesvoller (in termen van reproduktief succes) dan het dier dat tijd en energie steekt in het koste wat kost elimineren van de tegenstander, met nog eens alle kans op verwondingen of zelfs de dood, uitputting, plus een niet geringe kans dat een derde er met de buit vandoor gaat. Zo'n gedrag heeft dus, nog steeds evolutionair gezien, weinig zin. En dat is de reden waarom we wreedheid, terreur, sadisme, genocide, en andere vormen van uiterst destructief geweld bij dieren weinig of niet tegenkomen.
Het postuleren van een agressie-instinct (zoals in de psychoanalyse of de Lorenziaanse ethologie) is dan ook, wederom evolutionair gezien, tamelijk onzinnig30.
De volgende prangende vraag is dan natuurlijk: waarom vinden we bij de mens dit soort gedrag dan wél? Een mogelijk antwoord zou kunnen zijn dat de mens de intellectuele capaciteiten heeft om wreedheid, martelingen, massamoorden en terreur, doelbewust, rationeel en instrumenteel in te zetten, ter afschrikking, ter intimidatie, of om andere gewenste (politieke, ideologische) doelen te bereiken. Maar deze instrumentele wreedheid is hoogstens een gedeeltelijk antwoord.
Er zijn waarschijnlijk vele vormen van wreedheid: de wreedheid voortkomend uit onwetendheid of naïviteit (het kind dat een kikker opblaast); de wreedheid voortkomend uit onverschilligheid en een gebrek aan empathie (de `terloopse' wreedheid van de psychopaat); en de wreedheid die juist voortkomt uit `negatieve' empathie, een lustbeleven aan de angst en de pijn van de ander, gevoed door diepe haat, rancune, wraak, vergelding en vernietigingsdrang. Deze laatste vorm van menselijke wreedheid en exorbitant geweld heeft alles te maken met wat de mens zelf als zijn `hogere' capaciteiten beschouwt: zijn intelligentie, inventiviteit, socialiteit, loyaliteit, gehoorzaamheid en onderwerping aan autoriteit, idealisme, altruïsme, sympathie en empathie. Niet het `beest in de mens' dus is de verklaring, maar eerder `de mens in het beest'31.

Als Freud en de psychoanalytici spreken over `regressie' bedoelen ze eigenlijk `ontogenetische regressie' of infantilisering, d.w.z. regressie naar (of terugval in) een gedragspatroon dat hoort bij de vroegere jeugdjaren of naar een nog eerder stadium van ontwikkeling van een organisme (ontogenese) zoals in de baarmoeder (`oceanische' regressie). Daarentegen impliceert de `fylogenetische regressie'-theorie van de Amerikaanse `paleo'-psycholoog Ken Bailey (1987) de mogelijkheid van een regressie naar een vroeger stadium van de menselijke en pre-menselijke (d.w.z. dierlijke) evolutie (fylogenese).
Fylogenetische regressie is mogelijk door
1. fylogenetische continuïteit (homologie) van vele gedragspatronen en - systemen, en morfologische kenmerken. Dit is mogelijk omdat (uiteindelijk) alle organismen, via hun DNA, verwant aan elkaar zijn, en in één ononderbroken lijn van miljarden jaren verbonden met de allereerste levende organismen. We denken er niet elke dag bij na, maar de gezamenlijke voorouder van de mensachtigen en de chimpansees leefde vermoedelijk nog slechts zo'n acht miljoen jaar geleden. Doordat de afsplitsing van mensachtigen en chimpansees zo recent (op de evolutionaire tijdschaal) plaatsvond delen wij ongeveer 99 percent van onze genen met de chimpansees. Regressie naar een chimpansee-mens-voorouder stadium is relatief gemakkelijker dan een regressie naar een nog vroeger stadium, bijvoorbeeld dat van de reptielen.
2. Fylogenetische regressie is plezierig. De gedragingen die met de, algemeen dierlijke, voortbestaan- en voortplantingsfunkties te maken hebben (eten, drinken en sex in alle verschijningsvormen) zijn inherent plezierig, en worden door de meeste mensen als lustvol ervaren. Onder bepaalde omstandigheden kan zelfs destructie(drift) en razernij als plezierig worden ervaren. Dit is het lustaspekt aan geweld dat ik in mijn vorige artikel aan de orde heb gesteld32. Het is ook een van de redenen waarom sexuele parafilie (perversie) zo compulsief en verslavend is33.
Fylogenetische regressie kan worden beschouwd als de desintegratie van de gedragshiërarchie, waarbij `diepere' of `lagere' impulsen van oraliteit en sexualiteit de `hogere' cognitief-gemedieerde functies verdringen (vergelijkbaar met het Freudiaanse begrippenpaar Ich en Es). Volgens Bailey werken onze hersenen als een dynamisch cerebraal systeem van regressie-progressie processen waarvan de complexiteit alleen te bevatten is door MacLean's begrip van het drie-enige brein.

Het Drie-enige Brein

Bailey's (1987) fylogenetische regressie-theorie is grotendeels gebaseerd op de theorie van het drie-enige brein (triune brain). Volgens de grondlegger van deze theorie, MacLean (1958 et seq.)34, vormen de menselijke hersenen een assemblage van drie onafhankelijke, maar onderling samenhangende, elementen, elk met een eigen `adaptieve intelligentie', neuroachitectonische structuur en biochemische eigenschappen. Elk van deze drie autonome `breinen' correspondeert met een bepaalde fylogenetische of evolutionaire periode, en elk is een toevoeging aan de reeds bestaande struktuur.
Het (evolutionair) oudste deel van de hersenen vormen het ruggemerg, de verlengde merg (medulla en pons) en de middenhersenen, tezamen het `neurale chassis' genoemd. Dit neurale chassis bevat de fundamentele machinerie voor de ademhaling, hartregulatie en bloedcirculatie, overleving (honger, voedselverwerving en -opname) en reproduktie (paring, sexueel gedrag); de fundamentele `instincten' kortom die nodig zijn in de strijd om het bestaan en het reproduktief succes. Bij vissen en amfibieën is dit ongeveer alles wat er aan hersenen te vinden is.
Op en om dit neurale chassis zijn de drie autonome breinen als het ware `gedrapeerd', met als buitenste, en laatste, schil de hersenschors (neocortex) die als een bloemkool over en om de rest is gestulpt.
De allereerste toevoeging aan het neurale chassis was wat MacLean het reptielenbrein (reptilian brain) noemt, honderden miljoenen jaren geleden geëvolueerd, en hoofdzakelijk bestaande uit de basale ganglia (striatum, pallidum, substantia nigra). Deze strukturen spelen volgen MacLean een grote rol in stereotiep, compulsief, en geritualiseerd gedrag, territorialiteit en dominantie (rangorde-agressie)35.
De volgende struktuur op en om het neurale chassis plus reptielenbrein is het zogeheten limbische systeem, dikwijls aangewezen als de `zetel' van de emoties. De voornaamste onderdelen van het limbische systeem zijn de hypothalamus (plus hypofyse, de `opperklier' van het menselijk lichaam die mede de hormonale huishouding regelt), amygdala, hippocampus, septum, en de reukhersenen, onder andere. Het is een functioneel zowel als anatomisch geïntegreerd systeem dat betrokken is bij het ontstaan van de emoties en affectieve toestanden. Volgens MacLean zijn de affectieve, plezierige aspecten van eten en sex, en de fundamentele emoties, zoals angst, hier gesitueerd.



De meest recente toevoeging aan boven beschreven geheel is, zoals gezegd, de neocortex, de bij de mens enorm uitgedijde hersenschors, verantwoordelijk voor de `hogere' cognitieve functies (intellect, leervermogen, geheugen, taal, etc.), maar ook voor morele waarden en normen. Beschadigingen van de frontale cortex leiden bijvoorbeeld dikwijls tot decorumverlies36.
Koestler (1968)37 en MacLean zelf speculeerden dat de stroeve samenwerking, of regelrecht conflict, tussen de drie breinen, vooral tussen de recent en zeer snel verworven neocortex enerzijds en de meer `dierlijke' reptielenhersenen en limbisch systeem anderzijds, verantwoordelijk is voor de `schizofysiologie' en `schizopsychologie' (instinct versus intellect, oerdrift versus de stem van de rede) waaraan de mensheid zou lijden. De reptielenhersenen en limbisch systeem vormen ook, letterlijk, het `Beest-in-de- Mens' of, zoals ik het noem, het `Binnenste Beest'.

Bailey's fylogenetische-regressie-model lijkt van eminent belang voor het verklaren van sommige vormen van crimineel/pathologisch geweld (individuele seriemoordenaars, sadistische sexmoordenaars à la Ted Bundy, bizarre kannibalistische moorden, etc. We noemen deze mensen dan ook niet voor niets zwaar gestoord), maar voor de verklaring van collectieve geweldsvormen zoals oorlogen, genocide, `ethnic cleansing' etc. is het van veel mindere relevantie38. Oorlog bijv. kan moeilijk als een collectieve regressie worden geduid. Oorlog (en genocide) is een vorm van gedrag van veelal normale mensen (die daar zelfs uitgebreid voor worden opgeleid en geïndoctrineerd), georkestreerd door veelal normale (maar soms ook megalomane, paranoïde) leiders. Voor de verklaring hiervan lijkt het Mens-in-het-Beest model toch geschikter39.

"[T]he image of humanity, warped by bloodlust, inevitably marching off to kill, is a powerful myth and an important prop of militarism in our society. Despite its lack of scientific credibility, there will remain those `hard-headed realists' who continue to believe in it, congratulating themselves for their `courage to face the truth', resolutely oblivious to the myth behind their `reality'" (Ferguson, 1984)40.
Maar de mythe van het Binnenste Beest zou nooit de populariteit genoten hebben die het heeft, en de attractiviteit en persistentie door de eeuwen heen, als er niet ook een kern van waarheid in zou zitten.

Populaire Misvattingen

Verwant aan de mythe van het Beest-in-de-Mens is de oorlogsopvatting zoals die op de vooravond van de Golf-oorlog werd geëtaleerd in een artikel van Piet Vroon (de Volkskrant van 16 februari 1991).
Helaas moet geconstateerd worden dat de ferme uitspraken van Vroon in het begin van zijn artikel (die voor de rest van zijn betoog verder weinig relevant zijn) niet meer zijn dan mythen die het niveau van borrelpraat (of cocktail- party wijsheid) niet te boven gaan. Populaire mythen weliswaar, maar daarom niet minder dubieus, onwaar, of zelfs gevaarlijk (inzoverre de denkbeelden die mensen over zichzelf koesteren consequenties kunnen hebben voor hun gedrag: Als mensen denken dat zij `van nature' agressieve, bloeddorstige en oorlogszuchtige wezens zijn, zal dat op een of andere manier in hun gedrag tot uiting komen).

Populaire mythe 1: Oorlogen zijn er altijd geweest. Altijd? Sinds de geschreven geschiedenis van de mensheid? Sinds de eerste hominiden op deze aardkloot verschenen? Sinds het eerste DNA-molecule? Sinds de Big Bang? Dit soort uitspreken heeft dezelfde onweerlegbare status als "honger is er altijd geweest". De uitspraak kan zelfs zonder enig informatieverlies worden omgedraaid: vrede is er altijd geweest (hoewel aanzienlijk minder nauwkeurig en gedetailleerd geboekstaafd dan het geweld in de geschiedenis)41.

Populaire mythe 2: De mens houdt bovendien van oorlog. Deze uitspraak berust op een tragisch misverstand. Veel mensen worden gefascineerd door rampen, sex, techniek, sport, avontuur, en zelfs `horror'. Maar uit het blote feit dat mensen gefascineerd, zelfs gebiologeerd worden door celluloid monsters, vampiers, zombies, klopgeesten, kettingzaagmoorden en aanverwante artikelen, zal geen zinnig mens concluderen dat `de mens' daarom van rampen en zombies houdt. Vrijwel iedereen wordt geboeid door de aanblik van vuur, toch ontwikkelen zich opvallend weinig pyromanen. Hooguit kan gezegd worden dat de meeste mensen een zeer ambivalente (haat-liefde; fascinatie-afkeer) relatie met geweld onderhouden (zolang het henzelf maar niet treft).

Populaire mythe 3: We geven onze kinderen speelgoedwapens. Inderdaad. We geven onze kinderen ook speelgoedpoppen en -fornuisjes, en - auto's, en -blokken. Kinderen (d.w.z. jongens - meisjes blijken niet zo geporteerd van speelgoedwapentuig) spelen inderdaad met plastic zwaarden (tegenwoordig met ingebouwde `laserstralen'), plastic revolvers en plastic tanks. Wat men hieruit kan of wil concluderen weet ik niet, maar het is evenmin een `bewijs' dat `de mens' van oorlog houdt als het feit dat de andere helft van de jonge mensheid, de meisjes die met poppen spelen, een bewijs is van het tegendeel.

Populaire mythe 4: Het niet op grote schaal afslachten van de eigen soort draagt bij aan de overlevingskansen; en
Populaire mythe 5: De mens is een uitzondering op deze regel. Deze twee uitspraken horen bij elkaar en dienen gezamenlijk weerlegd. Allereerst dient opgemerkt dat wanneer een serieus psycholoog anno 1991 met Lorenz aan komt draven, dat sterk het vermoeden wettigt dat hij gedurende meer dan 25 jaar geen fatsoenlijk boek over agressie meer heeft ingekeken. Het werk van Lorenz, waar Vroon aan refereert, dateert van 1963 en is vrijwel geheel weerlegd dan wel achterhaald. Zo is in de eerste plaats duidelijk geworden dat overwegingen zoals het voortbestaan van de soort in de evolutie geen enkele rol spelen, ook niet in de evolutie van (remmingen in) agressiegedrag; maar uitsluitend het voortplantings-succes van het individu (of, voor scherpslijpers, zijn/haar genoom). En in de tweede plaats is duidelijk geworden dat het beeld van de mens als uitzondering, als evolutionaire `freak', als `misfit' van de natuur, berustte op het nogal idyllische en geromantiseerde beeld dat Lorenz had van `de natuur' versus `de mens'. Er is, evolutionair gezien, weinig reden te veronderstellen dat Homo sapiens sapiens (zoals hij zich, niet gehinderd door valse bescheidenheid, wenst te noemen) een uitzonderlijk wezen is, ook en vooral wat betreft zijn agressiegedrag. Het is zelfs zo dat men zich kan afvragen of de mens wel tot de Top Tien van de meest agressieve (in de betekenis van gewelddadig-destructieve) soorten gerekend kan worden42. Voor de meeste mensen geldt dat hen het bloed onder de nagels vandaan getreiterd moet zijn, voordat zij overgaan tot gedrag dat redelijkerwijs als `agressief' te bestempelen is.
Vroon eindigt zijn bijdrage met het aloude adagium: "`De mens is de mens een wolf' zei reeds Terentius". Laten we maar zeggen dat Terentius het veel te druk had met versvoeten tellen om op te letten tijdens de biologieles (en Piet Vroon met zieke gebouwen om op te letten tijdens de Latijnse les, want het citaat is toch echt van Plautus).

Aangeboren krijgszucht en aanverwante artikelen

In zijn gedreven zoektocht naar de waarheid omtrent de menselijke natuur en de bronnen van geweld en oorlog, geeft W.L. Brugsma blijk van een bewonderenswaardige belezenheid, maar tevens van een merkwaardig vermogen nog wel eens 't een en 't ander door elkaar te husselen, en de trivia en prullaria uit deze uitgebreide literatuur te presenteren als de essentie. Het is vrijwel ondoenlijk alle misverstanden, halve waarheden en regelrechte onzin, door de drie heren Brugsma, Keegan en Van Creveld gedebiteerd in het artikel `Oorlog is menselijk' (HP/De Tijd 199, 2 sept. 1994), te corrigeren of te weerleggen. Ik zal mij beperken tot de meest flagrante nonsens.

1. De `aangeboren krijgszucht' van de mens maakte in de tijd van Lorenz deel uit van het repertoire aan borreltafel-wijsheden van de gemiddelde westerse intellectueel43. Het is uitermate gênant een dergelijke pseudopsychologie anno 1994 verwoord te zien door een gerenommeerd militair historicus als Van Creveld. Het is pure quatsch, net als de genocidale en verkrachtende `killer ape' die later op de proppen komt. Militaire historici zijn waarschijnlijk de allerlaatste personen die men zou moeten raadplegen omtrent de menselijkheid van oorlog. Zij zijn beroepsmatig blind voor de vreedzame aspecten van de menselijke evolutie en geboekstaafde geschiedenis. Net zoals de krant van vandaag wél die ene moord van gisteren zal vermelden maar niet de vele miljoenen vreedzame, vriendelijke en zelfs vreugdevolle interacties tussen mensen, zo zullen de militaire historici op oorlogen kapitaliseren, en de rol van de oorlog in de menselijke geschiedenis tot buiten alle proporties opblazen. Maar die rol is veel minder saillant en veel marginaler dan zij ons voorhouden: oorlog komt in de menselijke geschiedenis slechts sporadisch voor, eist relatief weinig slachtoffers, en is van marginale betekenis voor de menselijke culturele evolutie en `vooruitgang' in het algemeen44. Enkele cijfers ter illustratie: Richardson (1960) berekende dat gedurende de periode van 1820 tot en met 1945 - dus inclusief de twee wereldoorlogen van deze gewelddadigste eeuw aller tijden - minder dan 2% van alle doodsoorzaken te wijten was aan gewelddadige menselijke interacties, van moord en doodslag tot wereldoorlog. Voor oorlog sec is dit percentage zelfs nog veel kleiner (< l%). Met alle secundaire effecten ten gevolge van oorlog, zoals epidemieën en hongersnoden, ingecalculeerd, stijgt het percentage tot rond 3%. Richardson merkt naar aanleiding van deze cijfers sardonisch op "Those who enjoy wars can excuse their taste by saying that wars after all are much less deadly than disease"45. Ook binnen de legerpopulaties waren ziekten dodelijker dan het slagveld. Nog gedurende de Napoleontische oorlogen bedroegen de verliezen door ziekten 80 tot 90% van de totale legerverliezen (Bodart, 1916; Dumas & Vedel-Peterson, 1923)46. Bovendien is het aantal gewelddadige conflicten niet alleen betrekkelijk gering (Sorokin, 1937; Wright, 1942; Wood, 1968; Singer & Small, 1972; Beer, 1974)47, ook het aantal combattanten is slechts een uiterst klein percentage van de totale bevolking. Sinds het tijdperk van Cromwell vormden de soldaten van de Britse armee bijvoorbeeld minder dan 1% van de populatie, en zij brachten meer tijd door in de kazernes en barakken dan op het slagveld. In de militaire organisatie zelf is maar weinig personeel direct betrokken bij gevechtshandelingen. Het merendeel wordt ingezet in dienstverlenende functies van administratieve, technische, logistieke, (para-)medische, etc. aard. Maar zelfs in de frontlinie of op het slagveld blijkt de `trigger-happy' Rambo meer een produkt van Hollywood dan realiteit. Een studie van het gevechtsgedrag van Amerikaanse soldaten tijdens de 2e Wereldoorlog (Marshall, 1947) kwam tot de verrassende conclusie dat minder dan een kwart van alle manschappen wel eens hun wapen hadden afgevuurd, terwijl een groot aantal zelfs weigerde te schieten "even when the position was overrun"48. Ook latere studies van gevechtsmotivatie en -gedrag, waarvan die van Moskos in Vietnam waarschijnlijk de bekendste is, wijzen niet in de richting van een, al dan niet aangeboren, krijgszucht49. Integendeel, telkens weer blijken soldaten bereid op het slagveld te sterven, maar nauwelijks bereid om te doden. Tot voor kort vochten vrouwen niet in reguliere legers. Hadden/hebben vrouwen geen last van krijgszucht? Of rekent Brugsma vrouwen niet tot de mensheid? De conclusie uit dit alles is dat krijgszucht, aangeboren of niet, wel een zeer merkwaardige wijze heeft om zich te manifesteren. Wat moeten trouwens al die arme sloebers met hun gefrustreerde krijgszucht in die landen die al decennia of zelfs eeuwen geen oorlog hebben gevoerd?
Ook de evidentie dat voor het plegen van geweld (al dan niet op het slagveld) indoctrinatie en training onontbeerlijk zijn50, en dat ondanks intensieve indoctrinatie en training soldaten niet bepaald staan te dringen om het slagveld te mogen betreden. In mijn Origin of War (1995) geef ik ook voorbeelden van `desertie' en angstbezwering bij `primitieve' volken zoals de, toch bepaald niet zachtzinnige, Yanomamö.

2. "Vechten, doden, behoort evenzeer tot het menselijke activiteitenprogramma als de liefde bedrijven, lachen, huilen, zingen", aldus een volgende onzinnige opvatting (min of meer logisch verwant aan het idee van aangeboren krijgszucht) van Brugsma en Van Creveld. Het overgrote deel van de mensheid dat ooit geleefd heeft (en het overgrote deel van de mensheid dat op dit moment nog leeft) heeft (en zal hebben) tot de laatste snik de liefde bedreven, gelachen, gehuild en gezongen, maar nooit en te nimmer een ander mens gedood. Alles wat mensen doen of ooit gedaan hebben behoort klaarblijkelijk - en (tauto)logisch - tot het menselijke activiteitenprogramma. Maar niet alle activiteiten van dat programma zijn van dezelfde orde. Lachen en zingen doen de meeste mensen wellicht elke dag, maar moorden en verkrachten behoren toch niet bepaald tot de alledaagse beslommeringen51. Hoeveel familieleden, vrienden, kennissen, collega's, buren, enz. zouden Van Creveld en Brugsma eigenlijk kennen die moord, doodslag en verkrachting tot hun normale gedragsrepertoire zouden rekenen? Hoeveel vrouwen heeft de heer Brugsma tot op dit moment verkracht?

3. Behalve in de bloederige `killer ape' fantasieën van Dart en Ardrey (en nu Brugsma) is er ooit een massagraf (3 miljoen jaar oud compleet met schedelbreuken - hetgeen dood door intraspecifiek geweld suggereert) van Australopithecus gevonden.

4. Als Keegan aan serotonine een agressie-verhogend effect toekent dan heeft hij waarschijnlijk toch een ander soort biochemie bestudeerd dan de rest van de mensheid. Serotonine is een, in het algemeen, remmende neurotransmitter die op de meeste gedragingen, inclusief agressie, een dempende werking heeft52. Ook het staaltje biochemische logica van Van Creveld, die uit de werking van Prozac concludeert dat oorlogen onvermijdelijk zijn, is niet van deze wereld.

5. "Agressie komt voor bij alle hogere dieren maar is defensief, ter afschrikking", aldus Brugsma. Ik neem aan dat hij hier de zoogdieren in het algemeen bedoelt. In dat geval is deze uitspraak hoogstens een halve waarheid. Offensieve agressie komt bij vrijwel alle zoogdieren wel degelijk voor. Defensief gedrag zou niet eens evolueren als er niet ook (de dreiging van) offensief gedrag zou zijn. Bovendien komt bij vele primatensoorten (de apen en mensapen) vormen van agonistisch gedrag tussen groepen voor, maar vrijwel altijd zonder slachtoffers en met meer `sound' dan `fury'. De evolutie van `lethal male raiding' bij de chimpansee, zoals beschreven door Jane Goodall, is hier de notoire uitzondering53.

Tenslotte: vanuit evolutionair perspectief is de vraag waarom bij de zoogdieren in het algemeen oorlog niet voorkomt een even grote uitdaging om te verklaren als het probleem waarom `lethal male raiding' bij chimpansees en mensen wel voorkomt. Mijn dissertatie over evolutie en oorlog zal aan de oplossing daarvan, hopelijk, een kleine bijdrage kunnen leveren.
Met de vraag of de mens van nature goed of slecht is houden, wat mij betreft, alleen idioten zich bezig. Als we menselijk (of dierlijk) gedrag willen verklaren zonder in morele categorieën te vervallen dan moeten we onderzoeken onder welke voorwaarden dat gedrag zich manifesteert. Daarbij kan inzicht over het (evolutionaire) waarom van het gedrag, en de eventuele functie die het heeft bij andere organismen, in elk geval geen kwaad.
De meeste mensen, zoals Thoreau al meer dan een eeuw geleden opmerkte, "live lives of quiet desperation". Waaraan ik zou willen toevoegen: "Most people suffer, not from ineradicable violent or warlike urges, but from an overdose of common decency"54.

Coda (en Enkele Conclusies)

Tenslotte, aan het eind van dit drieluik over de rechtvaardiging van geweld, een korte samenvatting, en enkele conclusies.

  • Mensen hebben klaarblijkelijk een grote behoefte om hun eigen geweldgebruik te rechtvaardigen, niet alleen in de ogen van de ander, maar vooral om zichzelf te ontlasten van de druk van een kwaad geweten, en zich vrij te pleiten van verantwoordelijkheid en schuld.
  • De mechanismen die mensen hierbij gebruiken zijn vrijwel allemaal variaties op het thema blaming the victim, hebben vrijwel allemaal te maken met het scheppen van psychische afstand tot zowel slachtoffer als daad (distancing devices), met als uiterste de dehumanisatie (in het bijzonder de bestialisering) van de `vijand', en het heretiketteren van de eigen daden ten behoeve van de eigen morele superioriteit. Deze processen en mechanismen zijn in Transaktie 25, 1, 1996 aan de orde gekomen.
  • De apologie van de oorlog (Transaktie, 24, 4, 1995) is, in verschillende verschijningsvormen en ideeënconstellaties, te beschouwen als een `constante' in het Westerse denken.
  • Nergens wordt de hypocrisie en het self-serving character van religie en ideologie doorzichtiger dan in de apologie van de oorlog.
  • Zonder de, in het algemeen als positief gewaardeerde, eigenschappen van mensen, zoals socialiteit, gehoorzaamheid, samenwerking, onderwerping, opofferingsbereidheid, altruïsme, indoctrineerbaarheid en idealisme zou geen menselijke samenleving kunnen bestaan, maar in extremis zijn het juist deze `positieve' eigenschappen (die Koestler samenvatte als de self-transcending urge) die destructiviteit, oorlog, en slachtingen op grote schaal mogelijk maken55.
  • Oorlogen en vormen van massaal geweld, zoals genocide, moeten beschouwd worden als gevolgen van gedragingen van veelal normale mensen, die daarvoor meestal speciaal zijn opgeleid en/of geïndoctrineerd.
  • De fascinatie en de verbreidheid van de mythe van het Beest-in-de-Mens heeft te maken met de mogelijkheid tot ultieme rechtvaardiging van geweld op alle niveau's, van geweld binnen het gezin, via kleinschalig geweld van vandalen en punks, grootschaliger geweld van moralisten en inquisiteurs die moorden en martelen uit naam van hun god, tot Permanente Revolutie en Megamoord56.
  • Geconfronteerd met de onbegrijpelijke `willekeur' en `onverschilligheid' (Mysterium tremendum) van natuurrampen (en het universum in het algemeen), en de onverklaarbare, soms angstaanjagende en gruwelijke gedragingen van soortgenoten, hebben mensen de neiging zich terug te trekken in hun laatste bastion, achter de allerlaatste verdedigingslinies: magische bezweringsformules en -rituelen. `Aangeboren krijgszucht', `het Beest-in-de-Mens', `Het Kwaad-in-de- Natuur' zijn evenzeer magische bezweringsformules als ultieme rechtvaardigingen. Ze verklaren niets; ze verwijzen niet eens naar iets (oftewel: hun referent is een lege verzameling). Het zijn de stamelingen van een defaitistisch wezen dat alle hoop op grip op het leven heeft opgegeven.
  • Kretologie à la Brugsma en Bloom draagt alleen bij tot een algeheel klimaat van geweldsaanvaarding en -rechtvaardiging op alle niveau's.
  • Deze diagnose van de menselijkheid en rationaliteit/cerebraliteit van het Beest biedt weinig soelaas in die zin dat we deze conditie gemakkelijk terug zouden kunnen draaien. We kunnen onze miljoenen-jarige evolutie en onze duizenden-jarige geboekstaafde geschiedenis en cumulatieve cultuur niet zomaar ongedaan maken. Op het gebied van de destruktietechnologie zal de mens in de toekomst over nog gigantischer, nog lethaler, nog smeriger wapens kunnen beschikken. We kunnen alleen maar hopen dat het `gezond verstand' en de common decency van de meeste mensen het in de toekomst zal winnen van godsdienstwaanzin, doctrinair fanatisme, ideologische orthodoxie, en etnische superioriteitswaan.