Book review essay

Achterhuis, H.J. (2008) Met alle geweld. Een filosofische zoektocht. Rotterdam: Lemniscaat. Gebonden editie ISBN 978 90 477 0120 0. Paperbackeditie ISBN 978 90 477 0127 9. Pagina’s: 793. Met bibliografie en register.

Johan M.G. van der Dennen (Universiteit Groningen)

De laatste filosoof over geweld die ik heb gerecenseerd was RŁdiger Safranski (Transaktie, 1998), die klaarblijkelijk zijn best had gedaan om alle clichťs en vooroordelen over filosofie als vrijblijvend gezwets in de ruimte te bevestigen. Ik ergerde me aan de breedsprakerige nietszeggendheid en het bijna incestueuze wereldje van ‘wij filosofen onder elkaar’. Ik begon dan ook met enige scepsis aan het volumineuze opus magnum van Achterhuis. Wat een revelatie; ik herkende zelfs een verwante ziel: een gedreven zoeker naar de bronnen, oorzaken, condities van geweld – een zoektocht die mij ook al veertig jaar lang elke dag weer fascineert. Natuurlijk bespreekt Achterhuis collega-filosofen (Hegel, Nietzsche, Benjamin, Sartre, Levinas, Derrida, Sloterdijk, onder anderen) – zijn favoriete inspiratiebronnen zijn duidelijk Hannah Arendt, Renť Girard, Reinhold Niebuhr, en Carl Schmitt – maar gelukkig beperkt hij zich daar niet toe. Hij is als lezer het type omnivoor: alles kan dienen als leesvoer. Achterhuis weet ook de zalvende of galmende toon van de moralist uitstekend te vermijden.

Achterhuis vertrekt vanuit een tamelijk conventionele definitie van geweld, namelijk “het min of meer intentioneel toebrengen of dreigen toe te brengen van schade aan mensen of voorwerpen” (Achterhuis beweert dat geweld niet hetzelfde is als agressie, maar zijn definitie van geweld is tevens de standaarddefinitie van agressie; zie van der Dennen, 1980), maar hij stipuleert dat vier elementen in deze definitie van belang zijn. “Het eerste is dat van de althans gedeeltelijke intentie. Een volstrekt toevallig ongeluk dat iemand schade toebrengt, is evenmin als een natuurramp een uiting van geweld. Het tweede element van de definitie laat, net als het derde, de mogelijkheid van verbaal en psychisch geweld open. Het uitspreken van directe bedreigingen is ook gewelddadig, de schade die toegebracht wordt kan ook van immateriŽle aard zijn. Het vierde element ten slotte belicht een aspect van geweld dat hierboven nog nauwelijks aan bod is gekomen. Geweld kan ook tegen dingen worden gericht. Met de aanslag op de Twin Towers wilde Al-Qaeda ongetwijfeld zoveel mogelijk slachtoffers doden, maar men wilde ook via dit symbool het kapitalisme in zijn hart treffen. Mensen objectiveren zich op vele wijzen in een materiŽle wereld. Wie die vernietigt om hen of anderen te treffen, gebruikt ook geweld” (p. 78).
Achterhuis verwerpt mordicus elke poging tot monocausale verklaring:

Een enkelvoudige visie van de filosofie op geweld wijs ik met nadruk af. Als ze al zou bestaan – en helaas hebben vele denkers en stromingen gemeend haar te kunnen bieden – wordt zij onherroepelijk extreem gewelddadig. De logica hierachter is onontkoombaar en voert naar duivelse wijzen van denken en handelen [Ö]  Waar het mij om gaat, is dat iemand die pretendeert een bron van geweld aan te kunnen wijzen, in feite zelf op uiterst gewelddadige wijze bezig is. Wie zeker meent te weten dat hij de fundamentele oorzaak van geweld, de bron van alle kwaad, ontdekt heeft, verschaft zich tegelijkertijd het morele recht om die oorzaak uit te roeien. Dit heet dan de rechtvaardiging van geweld om het geweld de wereld uit te drijven. Je weet immers waar de oorzaak zit, en als je alleen maar voor dat ene doel geweld gebruikt, dan zul je uiteindelijk een rijk van eeuwige vrede en voorspoed bereiken.

Het kunnen allerlei oorzaken zijn: klassenheerschappij, armoede of de benoeming van een bepaalde groep of natie die de oorzaak van het kwaad is. Ook kan het gaan om een maatschappelijke constellatie: kapitalisme, socialisme, moslimfundamentalisme, noem maar op. Steeds moet er strijd worden gevoerd tegen de ontdekte oorzaak van het geweld (p. 39).


Ondanks zijn evidente preoccupatie met Girard’s theorie van de mimetische begeerte, bijvoorbeeld, veroordeelt hij Girard’s monomane en obsessieve pogingen om alle manifestaties van geweld tot mimetische begeerte terug te brengen (Ik heb vroeger Girard’s theorie nooit erg serieus genomen maar Achterhuis heeft me weten te overtuigen dat het wellicht toch de moeite waard zou kunnen zijn om dat wel te doen).
Termen als ‘symbolisch geweld’ van Bourdieu en ‘ethisch geweld’ van Judith Butler blazen het geweldbegrip op tot zulke buitengewone proporties dat het geweld inderdaad overal aanwezig lijkt, en derhalve geen afgrenzende betekenis meer heeft. Hetzelfde geldt, volgens Achterhuis, ook voor het Galtungiaanse begrip ‘structureel geweld’ dat hij, althans gedeeltelijk, verwerpt.

Achterhuis onderscheidt zes perspectieven op het geweld: (1) het doel-middelschema; (2) de spanning tussen moraal en politiek; (3) de strijd om erkenning; (4) het wij/zij-denken; (5) mimetische begeerte en het zondebokmechanisme; en (6) de ‘dierlijke’ natuur van de mens.
Deze zes perspectieven vormen het stramien van het bijna 800 pagina’s tellende boekwerk, de kapstok waaraan de details kunnen worden opgehangen. Ik zal ze hier wat nader toelichten.

Ad (1) Het doel-midddelschema. Op weg naar het doel – en dat kan veel verschillende invullingen krijgen: van overleving en zelfverrijking tot een verheven ideaal – wordt de medemens die men op zijn pad aantreft, al gauw als een lastig en vervelend obstakel gepercipieerd. Geweld is dan een perfect middel om hem of haar opzij te schuiven of the elimineren. Vanuit dit perspectief bespreekt de auteur utopisch en instrumenteel denken, en, in het verlengde hiervan, het concept van het ‘structurele geweld’. Bepaalde maatschappelijke structuren en instituties zouden volgens dit begrip gekenmerkt worden door een inherent gewelddadigheid. Daarom zou er geweld van onderop, van de verdrukten, nodig zijn om ons van dit structurele geweld te verlossen. In dit soort ideeŽn vinden we de rechtvaardiging voor veel terroristische activiteiten. ‘Wij, de terroristen, zijn niet met het geweld begonnen, wij oefenen alleen maar bevrijdend tegengeweld uit tegen de onderdrukkende maatschappelijke structuren’. Het denken in termen van structureel of institutioneel geweld is kenmerkend voor veel revolutionair en utopisch getinte filosofen (zoals Fanon, Sartre, en Honderich).
Onder deze rubriek worden ook de volgende onderwerpen besproken: oorlog en vrede (von Clausewitz, Tolstoj), macht en geweld (Hannah Arendt), de staat van geweld (Hobbes), onder andere.

Ad (2) De spanning tussen moraal en politiek. De klassieker Moral Man and Immoral Society (1932) van de Amerikaanse theoloog en filosoof Reinhold Niebuhr heeft het denken van Achterhuis sterk beÔnvloed. Niebuhr wordt vaak omschreven als de vader van de Amerikaanse stroming van het politieke realisme, dat wars is van morele overwegingen in de politieke werkelijkheid. Maar zijn positie blijkt veel gecompliceerder te zijn. Hij pleit juist voor een, zij het voorzichtige, poging om morele idealen op de politieke werkelijkheid te betrekken. Dat neemt niet weg dat het onbedachtzaam toepassen van persoonlijke morele waarden in de collectieve politieke realiteit tot gewelddadige rampen kan leiden. De massamoord op de BosniŽrs in Srebrenica is er, zeker voor ons Nederlanders, het meest pijnlijke voorbeeld van.
Onder deze rubriek worden structureel geweld en terrorisme besproken, alsmede moraal en politiek, goed en kwaad als bronnen van geweld, de traditie van de rechtvaardige oorlog en de huidige praktijk van de humanitaire interventie.


Ad (3) De strijd om erkenning. Hierbij vormt een beroemde passage uit Hegels Phšnomenologie des Geistes het filosofische uitgangspunt. Hierin beschrijft Hegel de botsing van twee bewustzijnen die met elkaar op leven en dood strijd leveren om door de ander erkend te worden. De beschouwing van Hegel heeft vele denkers en maatschappelijke bewegingen geÔnspireerd. Karl Marx vertaalde die naar de klassenstrijd, Frantz Fanon naar de botsing tussen de rijke westerse wereld en de ‘verworpenen der aarde’ in de derde wereld. Het aloude verhaal van de broedermoord van KaÔn op Abel, waarmee volgens de Bijbel de geschiedenis van de mensheid begint, wordt ook vaak als een strijd om erkenning geÔnterpreteerd.
De oorspronkelijke strijd om erkenning eindigde volgens Hegel in de onderwerping van het ene bewustzijn aan het andere. Er ontstond een maatschappelijke hiŽrarchie van meester en slaaf, van hoog en laag, die de strijd om erkenning in min of meer vreedzame banen leidde.
Achterhuis probeert ook de strijd tussen de seksen vanuit hegeliaans perspectief te begrijpen. In traditionele culturen bestaat er een duidelijke hiŽrarchie tussen mannen en vrouwen. Die wordt, opnieuw in naam van de gelijkheid, tegenwoordig op allerlei wijzen aangevochten. Het is niet overdreven te stellen dat er wereldwijd een oorlog tussen mannen en vrouwen plaatsvindt, die we op grond van harde cijfers zelfs als een massamoord op vrouwen kunnen beschrijven (p. 48).
Onder deze rubriek worden de volgende onderwerpen besproken: zinloos geweld, cultuurgerelateerd geweld en eerethiek, geweld als bevrijding en therapie (Fanon, Sartre), en “het slagveld van de seksualiteit”, onder andere.

Ad (4) Het wij/zij-denken. Het wij/zij-denken haalt tegenwoordig de voorpagina’s van de vaderlandse kranten. Allochtonen en autochtonen, moslims en ‘echte’ Nederlanders, seculiere Verlichters en gelovigen, worden scherp tegen elkaar af- en opgezet. Mondiaal zou er volgens Samuel Huntington zelfs sprake zijn van een ‘botsing van beschavingen’.
Hoe deze tegenstellingen te beoordelen? Het gaat allerminst om nieuwe fenomenen. De tegenstelling tussen Grieken en barbaren, tussen het binnen en het buiten van de eigen groep, stam of natie, is zo oud als de beschaving. Het verschrikkelijke verschijnsel van de genocide valt ook het beste vanuit de wij/zij-tegenstelling te begrijpen.
Valt er aan het wij/zij-denken te ontsnappen? Kunnen wij het in een universalistische benadering overstijgen? Achterhuis voert hier de politiek filosoof Carl Schmitt ten tonele, die meent dat dit onmogelijk is zonder de politieke werkelijkheid zelf op te heffen. ‘De vijand’ is volgens hem namelijk de centrale categorie van de politiek. In dit verband komt ook Arendts visie op de ‘banaliteit van het kwaad’ aan de orde.
Onder deze rubriek komen ook de volgende onderwerpen aan bod: religie en geweld, natiestaat en nationalisme, genocide, en de banalisering van geweld (gehoorzaamheidsgeweld en conformistisch geweld), onder andere.

Ad (5) mimetische begeerte en het zondebokmechanisme. Hier staat het denken van de literatuurwetenschapper en filosoof Renť Girard centraal. Hij interpreteert het begin van de menselijke cultuur vanuit de mimetische begeerte. De oerhorde van hominiden zou gekenmerkt zijn geweest door een voortdurende mimetische strijd van allen tegen allen. Deze zou zijn opgelost doordat alle agressie zich ontlaadde op een slachtoffer, de zondebok. De ontdekking van het zondebokprincipe markeert volgens Girard het ontstaan van de menselijke samenleving. Alle oermythen en religieuze rituelen en offers vertellen en herhalen telkens weer, op een verborgen en verdraaide wijze, het mysterie van de gewelddadige oorsprong van de cultuur.
Ook Walter Benjamin zinspeelt in zijn beroemde artikel ‘Zur Kritik der Gewalt’ op de gewelddadige oerscŤne, waardoor de menselijke samenleving in al haar latere ontwikkelingen getekend blijft. Het zuiverende goddelijke geweld waarmee hij de cultuur van deze smet denkt te kunnen bevrijden, is echter geenszins een oplossing voor de gewelddadige bepaaldheid van de menselijke cultuur.
In de mimetische begeerte wil de ene mens datgene hebben waarover de andere beschikt. Alles wordt daarbij in principe een schaars goed. Het mimetische begeren leidt de mensheid daarom onherroepelijk naar ‘het rijk van de schaarste’ (Achterhuis, 1988). Betekent dit nu dat schaarste een uitsluitend subjectief verschijnsel is, dat alleen berust op het mimetische navolgen van elkaars begeerten? Als abstract filosofisch principe valt dit misschien te verdedigen, maar in de harde concrete werkelijkheid van alledag blijken er veel ‘objectieve’ tekorten te bestaan waarover mensen elkaar in de haren vliegen. In An Essay on the Principle of Population (1798) heeft Thomas Malthus al aan het eind van de achttiende eeuw scherp geschetst hoe er door toenemende bevolkingsdruk schaarste aan voedsel en grondstoffen kan ontstaan. In het verlengde van Girards theorie acht Achterhuis het daarom noodzakelijk ook aandacht te besteden aan ‘de malthusiaanse val’ waarin de mensheid steeds meer gevangen dreigt te raken.
Onder deze rubriek komen ook de volgende onderwerpen aan de orde: het sadistisch universum en Girard’s zondebok als evolutionair en cultureel mechanisme.

Ad (6) De dierlijke natuur van de mens. Over het algemeen hebben wijsgeren de dierlijke oorsprongen van de mens ontkend of gebagatelliseerd. Dankzij de ratio zou de mens zich volledig van zijn evolutionaire erfenis kunnen bevrijden. Ethologen en sociobiologen hebben deze zelfverheffing van de mens fel bekritiseerd. Allerlei menselijke gedragingen, ook de gewelddadige, zouden getuigen van de dierlijke erfenis van ‘de naakte aap’.
Achterhuis geeft daarom uitgebreid het woord aan Konrad Lorenz en Frans de Waal. De eerste omschreef de hedendaagse mens als “een opvliegende aap die over wapens beschikt”; bij de Waal vond Achterhuis in de beschrijvingen van de samenlevingen van mensapen tot zijn verrassing de eerdergenoemde perspectieven op het geweld terug die hij in zijn boek onderscheidt. Daarom kan hij niet anders dan tot de voorlopige conclusie komen dat het gaat om evolutionair overgeleverde mechanismen, die de mensheid onherroepelijk zullen blijven kenmerken (p. 52).
Onder deze rubriek komen onder andere de volgende onderwerpen aan de orde: dierlijke agressie en menselijk geweld: continuÔteit  of breuk?, cultuur van wapens, en doelen en middelen van overlevingsmachines (in Dawkins’ terminologie).

In een epiloog, getiteld “Leven met geweld”, tenslotte, geeft Achterhuis zijn persoonlijke visie, waarin vooral de verwondering doorklinkt over de utopie van de geweldloosheid (een onvoorziene ontwikkeling) en waarin hij aandacht besteedt aan de menselijke universalia. Hij beschrijft zijn verwondering als volgt: “De belangrijkste algemene les die ik leerde, is dat algehele geweldloosheid een gevaarlijke droom is. Dat had ik in het geheel niet gedacht toen ik Met alle geweld begon te schrijven [Ö] De paradoxale les die ik ten aanzien van utopisch denken al eerder trok – wie de hemel op aarde wil verwerkelijken, belandt onherroepelijk in de hel – bleek ook nu op te gaan. Wie droomt over geweldloosheid als een reŽle mogelijkheid, roept vaak het meest extreme geweld op” (p. 709).

Evaluatie

Laat ik op voorop stellen dat Achterhuis een integere zoeker is, geen ijdeltuiterige poseur zoals vele van zijn vakgenoten. Bovendien weet hij complexe materie en afstotelijke of onappetijtelijke thema’s, zoals de fascinatie voor geweld (de mengeling van walging en lust – aan de hand van het sadistische universum) en de vraag naar de dadermotivatie bij martelpraktijken, (zelfmoord)terrorisme en genocide, helder uit te leggen.
Door zijn volmondige acceptatie van de dierlijke natuur van de mens hoeft Achterhuis zich niet in allerlei krankzinnige bochten te wringen en uitvluchten te verzinnen om bijvoorbeeld biologische geslachtsverschillen in gewelddadig gedrag te ontkennen of ‘krom te praten’. Ook de bijna perverse onwil of het afgrondelijke onvermogen van veel sociologen en criminologen, hier gepersonifieerd door sociologische Godfather Randall Collins (p. 680), om een evolutionaire benadering van menselijk gedrag ook maar te begrijpen of te integreren wordt door Achterhuis terecht aan de kaak gesteld.
Zoals reeds aangeduid zijn de thema’s die Achterhuis behandelt niet bepaald kinderachtig. Zijn mooiste vondst vind ik de term ‘evolutionair-mediale’ verklaringen (p. 681), d.w.z. verklaringen die zich ergens tussen de ultimate (uiteindelijke) en proximate (directe) verklaringen van de neodarwiniaanse evolutietheorie bevinden, en die nog het meest overeenkomen met antropologische constanten.

Schaarste lijkt enerzijds geen ‘uiteindelijke’ oorzaak, maar ze ligt anderzijds zeker dieper dan de vele directe oorzaken van historisch en actueel geweld. Mag ik haar als evolutionair-mediaal omschrijven? Met de eerste term van deze woordcombinatie wil ik uitdrukken dat ze in de evolutie haar oorsprong en werking vindt. Met de tweede term probeer ik aan te geven dat ze op een ‘middenniveau bemiddelt’ tussen de uiteindelijke en de directe oorzaken van geweld.
Wat voor de schaarste geldt, blijkt ook van toepassing op alle andere door mij besproken bronnen van geweld. Bij de doel-middelstructuur, de strijd om erkenning, de wij/zij-tegenstelling, het morele zwart-witdenken en de mimetische begeerte die uitmondt in het zondebokmechanisme, gaat het steeds om ‘evolutionair-mediale’ concepten die deel uitmaken van onze menselijke conditie en misschien zelfs van onze geŽvolueerde menselijke natuur. We zouden ze ook antropologische constantes kunnen noemen  (Achterhuis, 2008: 681).


Een grote mate van arbitrariteit kan zelfs dit volumineuze werk van bijna 800 pagina’s niet worden ontzegd: waarom wel bijvoorbeeld Konrad Lorenz en niet Irenšus Eibl-Eibesfeldt, de grondlegger van de humane ethologie? Waarom in het kader van het wij/zij-denken wel Carl Schmitt, maar niet William Graham Sumner of Erik Erikson, die met hun concepten ‘etnocentrisme’, ‘xenofobie’ en ‘pseudospeciatie’ de grondslagen hebben gelegd voor het werkelijk begrijpen van het wij/zij denken? Waarom wel wreedheid maar niet of nauwelijks haat en wraakzucht, terwijl wraakzucht grotendeels de dynamiek van de geweldsspiraal van oorlog en vete bij traditionele samenlevingen in stand houdt? Waarom wel manicheÔsch dualisme maar niet het zogenaamde ‘rechtvaardige-wereld-denken’ dat ten grondslag ligt aan het mechanisme van ‘blaming the victim’? Enzovoort.
Door de veelheid en veelzijdigheid van onderwerpen die Achterhuis behandelt kunnen die meestal slechts summier aangestipt worden en ligt oppervlakkigheid regelmatig op de loer.

Achterhuis hanteert een vaag geweldsbegrip (“Ik probeer uiteenlopende geweldsfenomenen onder een filosofische noemer te brengen” (p. 48)), ondanks zijn verwoede pogingen tot conceptuele afbakening en begripsanalyse. Hij slaagt er zeer wel in om de buitengrens af te bakenen, maar wat er aan de binnenkant overblijft blijft een beetje ťťn pot nat (crimineel geweld, marteling, oorlog, genocide: allemaal ‘geweld’; klaarblijkelijk een tamelijk homogene en ongedifferentieerde categorie).
Achterhuis laat zich toch een beetje door Azar Gat, die hij kennelijk bewondert, in de luren leggen. Ook Gat’s visie drijft op een vage notie van agressie/geweld in ‘de natuur’. Als hij zijn begrippen scherper zou moeten afbakenen zou de hele theoretische constructie in elkaar donderen. Ik heb dat in mijn kritiek (van der Dennen, 2007) als volgt verwoord: “Waarom zou je onderscheid maken tussen oceanen, zeeŽn, meren, rivieren, zijrivieren, en sloten – het zijn tenslotte allemaal manifestaties van water”. Dit is niet alleen slordige redenatie, het is opzettelijk slordige redenatie. Gat manipuleert ook het cijfermateriaal met betrekking tot de letaliteit van oorlogen in niet-statelijke samenlevingen. Hij presenteert de meest extreme cijfers van bijvoorbeeld de oorlogzuchtige tribale samenlevingen van het hoogland van Nieuw Guinea en AmazoniŽ als de normale toestand van alle niet-statelijke samenlevingen.
De term ‘geweld’ (als afkorting voor het totale spectrum van menselijk gewelddadig gedrag) is een te grove categorie om iets zinnigs over te melden. Daarom wordt geweld gemeenlijk ingedeeld in een aantal categorieŽn, subcategorieŽn, domeinen, subdomeinen, niveaus, gradaties, etc. Een gebruikelijke categorisering is politiek geweld, crimineel geweld, en huiselijk/familiaal geweld (‘pathologisch geweld’ zal hier verder buiten beschouwing blijven). Een andere indeling betreft interindividueel en collectief geweld. Een verder belangrijk onderscheid dat dikwijls wordt gemaakt is instrumenteel geweld (gekenmerkt door proportionaliteit en doelgerichtheid) en expressief geweld (gekenmerkt door disproportionaliteit, excessen, en vaak gruwelijke wreedheid, wraakzucht, vernietigingsdrang, furieuze moordlust, en seksualisering van het geweld). Een algemeen probleem van dergelijke indelingen en taxonomieŽn van geweld is dat inzichten, theorieŽn en empirische evidentie niet (of nauwelijks) generaliseerbaar zijn over de verschillende geweldscategorieŽn, -domeinen, en -niveaus. Als je bijvoorbeeld de oorzaken en dynamiek van crimineel geweld denkt te weten, dan weet je nog niets van de oorzaken en dynamiek van kindermishandeling, of van “intimate partner violence”, of van pestgedrag op scholen, of van “rampage school shootings”, of van verkrachting, of van terrorisme, of van oorlog, of van genocide. Zelfs binnen ťťn domein zoals crimineel geweld is er nauwelijks sprake van generaliseerbaarheid: een crime passionel is iets totaal anders dan een zogenaamde ‘afrekening in het criminele circuit’.

De merkwaardigste omissie vond ik zelf dat, ondanks het feit dat Achterhuis wel tamelijk uitgebreid Thucydides’ ‘Melische dialoog’ en (het minder bekende) ‘Mytileense debat’ behandelt, hij niet ingaat op Thucydides’ analyse van de oorzaken van de Tweede Peloponnesische Oorlog, namelijk de toenemende macht van Athene en de angst die dit veroorzaakte bij de Spartanen. Geweld is wel omschreven als anticiperende angst, la peur en avant, en in de bijna veertig jaar dat ik alle aspecten en facetten van geweld heb onderzocht, ben ik steeds meer overtuigd geraakt van de prominente rol van de angst in de oorzaken en dynamiek van vrijwel alle vormen van geweld, niet alleen oorlog (en etnopolitieke conflicten en heksenjachten). Angst is ook een vruchtbare voedingsbodem voor het veiligheidsdilemma en de Malthusian trap, de tragische valstrik waarin de mensheid gevangen zit, en die door Pinker en Gat uitvoerig wordt geanalyseerd. Pinker (2003) geeft de volgende verklaring van het veiligheidsdilemma:

Hobbes had een vertaling gemaakt van Thucydides’ Geschiedenis van de Peloponnesische Oorlog en was getroffen door de observatie dat ‘wat de oorlog onvermijdelijk maakte de groei van de Atheense macht [was] en de angst die deze veroorzaakte in Sparta.’ Als je buren hebt, kunnen deze begeren wat jij bezit, en in dat geval ben jij een hinderpaal geworden voor hun verlangens. Daarom moet je erop voorbereid zijn je te verdedigen. Verdediging is een onzekere aangelegenheid, zelfs met technieken zoals kasteelmuren, de Maginotlinie, of antiballistische raketten, en is zonder die technieken nog onzekerder. Soms is de enige optie voor zelfverdediging dat je een potentieel vijandige buur in een preventieve aanval zelf als eerste uitschakelt. Zoals Yogi Berra adviseerde: ‘De beste verdediging is een goede aanval, en andersom.’ Het tragische is dat je zelfs tot een dergelijke conclusie kunt komen als je totaal niet agressief bent ingesteld. Het enige dat ervoor nodig is, is de realisatie dat anderen zouden kunnen begeren wat jij bezit en een sterk verlangen om niet afgeslacht te worden. Wat het nog tragischer maakt is dat je buren alle reden hebben om dezelfde redenering te volgen, en als ze dat doen maakt het je angstgevoelens nog urgenter, wat een preventieve aanval nog aanlokkelijker maakt, wat een preventieve aanval voor hen nog aanlokkelijker maakt enzovoort. Deze ‘valstrik van Hobbes’ zoals hij tegenwoordig genoemd wordt, is een alomtegenwoordige oorzaak van gewelddadige conflicten [nog versterkt door de groepsvorming van mensen als sociale wezens]” (Pinker, 2003: 395).


In mijn “Problems in the concepts of aggression, violence, and some related terms” (1980) heb ik een geweldsbegrip voorgesteld als een verzameling expanderende concentrische cirkels, met als harde kern direct lichamelijk geweld:

Now focusing on the category ‘violence’, I found it very instructive to visualize ‘violence’ as a set of expanding concentric circles of diminishing restrictions, ‘hardcored’ but becoming nebulous and blurred at the edges (the outer circles): (i) the hard core may be considered to be direct physical violence done to human beings; (ii) dropping the restriction of ‘physical’, we may include ‘mental violence’, menticide, malicious manipulation, etc.; (iii) dropping the restriction ‘direct’, we may include indirect forms of violence; (iv) dropping the restriction ‘human beings’ we may include other organisms: organismic violence, cruelty to animals; (v) dropping the restriction ‘organisms’ we may include ecocide, violence done to the environment. And so on, dropping more and more restrictions we may expand the conception of violence to include (vi) violence done to structures, systems, ideologies, etc.; (vii) violations of selfesteem, dignity, autonomy, etc.; (viii) ritualized social violence or ‘social spoiling’, meaning the reduction of viability or individual fitness due to traditions, customs, rites of a population; (ix) institutional violence; (x) structural violence, etc.


Tenslotte: Achterhuis (p. 67) verwijt westerse oorlogswetenschappers dat zij bitter weinig aandacht hebben voor het fenomeen van de ‘nieuwe oorlogen’. Als dit geen gotspe is, dan komt het toch aardig in de buurt. Lind, Nightengale, Schmitt, Sutton & Wilson hebben al in 1989 dit ‘fenomeen’, dat zij “vierde generatie oorlogsvoering” noemden als volgt gediagnosticeerd: “In broad terms, fourth generation warfare seems likely to be widely dispersed and largely undefined; the distinction between war and peace will be blurred to the vanishing point. It will be nonlinear, possibly to the point of having no definable battlefields or fronts. The distinction between “civilian” and “military” may disappear”.
En Van Creveld observeerde al in 1991 dat Low Intensity Conflicts (LICs) de meest prominente vorm van oorlog waren: “Assuming that politics is what wars are all about, then LICs have been politically by far the most significant form of war waged since 1945” (Van Creveld, 1991: 21). Hij beschrijft deze huiveringwekkende en angstaanjagende ‘nieuwe oorlogen’ met een vooruitziende blik. Mary Kaldor (1999) en MŁnkler (2005) hebben de term ‘nieuwe oorlogen’ grotere bekendheid gegeven, maar het aantal publicaties over de ‘nieuwe oorlogen’ door, jawel, westerse oorlogswetenschappers loopt anno 2009 in de honderden.


Literatuur:

Dennen, J.M.G van der (1980) “Problems in the concepts and definitions of aggression, violence, and some related terms”. Interne Publicatie, Polemologisch Instituut, 1980/14.
Dennen, J.M.G. van der (1998) “Boekbespreking RŁdiger Safranski: ‘Het kwaad of het drama van de vrijheid’”. Transaktie, 27, 3, 421-423.
Dennen, J.M.G. van der (2007) “The Origins of War: book review essay: Otterbein, Keith F. (2004) How War Began. College Station: Texas A&M Press; Fry, Douglas P. (2006) The Human Potential for Peace: An anthropological challenge to assumptions about war and violence. New York: Oxford University Press; Gat, Azar (2006) War in Human Civilization. Oxford: Oxford University Press”. The Mankind Quarterly, XLVII, 4, 61-104.
Gat, A. (2006) War in Human Civilization. Oxford: Oxford University Press.
Pinker, S. (2002) The Blank Slate: The modern denial of human nature. New York: Viking (Ned. vertaling: Het onbeschreven blad – Over de ontkenning van de menselijke natuur, 2003, Uitgeverij Contact).