Agressie en oorlog

J.M.G. van der Dennen




Theorieën over het ontstaan van oorlogen kunnen globaal worden ingedeeld in een aantal grove categorieën of 'scholen'. Zo kan men bijv. onderscheiden de economische, demografische, psychologische en politiek-strategische scholen, al naar gelang het niveau en het gebied waarop de veronderstelde oorzakelijke factoren worden gelokaliseerd. Die theorieën die een relatie tussen individuele motieven en oorlog postuleren, behoren tot de psychologische school, waarvan ik nu eerst enkele varianten zal bespreken.

De psychologische school
Een populaire 'folk theory' wijst als voornaamste bron van oorlogsellende de persoonlijke ambities of het opportunisme van Historische Persoonlijkheden aan, die al naar gelang de morele waardering het etiket 'grote' of 'slechte' verkrijgen (Great Men/Evil Men) of, in een eigenaardige ambivalentie, een mengvorm van beide: de Grote Schoften. Deze 'folk theory' kan worden beschouwd als een verpersoonlijkte of gedemoniseerde versie van de zogenaamde 'cataclysmische' oorlogsconceptie (Attilla, de 'Gesel Gods'). Deze, vooral in de middeleeuwen vigerende opvatting, bezag oorlog als een van de vele pestilentiën die de mensheid periodiek teisterden, dikwijls verbonden met het idee van de goddelijke straf voor 's mensen zondigheid. Een zelfde aspect van ambivalentie vindt men bij degenen die de oorlog toeschrijven aan een 'volksaard', de cultuur of het karakter van een bepaald oorlogszuchtig volk; een volksaard die dan ook of als superieur of als morbide of als allebei wordt voorgesteld. Een meer 'sophisticated' versie van de 'Great Men/Evil Men'-variant stelt de speciale psychopathologie van politieke leidersfiguren verantwoordelijk voor het ontstaan van oorlogen: pathologische en machtswellustige, onscrupuleuse coterieën en demagogen kunnen tijdens ernstige maatschappelijke crises, via allerlei machinaties en intriges, als het ware 'boven komen drijven'. Sinds Lasswell (1930) is de rol van psychopathologie in het politiek proces een belangrijk onderwerp van studie geweest (contemporain onderzoek betreft vooral de pathologieën van tijdelijke aard bij politieke besluitvormers onder stress in crisissituaties). Onder meer Groen (1974) heeft gewezen op de steeds meer zichzelf-isolerende, autistische, van de realiteit vervreemde positie van de politieke leider wanneer hij eenmaal aan de macht is. Ter completering zij vermeld dat er een traditie bestaat die structurele pathologische condities (collectieve psychosen, 'Neuroses of the Nations') als voornaamste oorlogsoorzaak aanwijst. De 'Minds of Men'-variant gaat uit van de veronderstelling dat 'since wars begin in the minds of men' (UNESCO- preambule), oorlog min of meer een probleem van mentale hygiëne is: 'No peace without mental health' (Rickman, 1950); en wel, specifieker, een probleem van angst, onkunde, wanbegrip, mispercepties en communicatiestoornissen tussen de volkeren. De remedie wordt dan ook op dit vlak gezocht: rationele voorlichting, morele solidariteit, 'brotherhood of men', universele symbolen, taal en ideologie. Een wetenschappelijke variatie op het oerhollandse thema: 'Ach, waren alle mensen wijs en wilden daarbij wel...'. In de naoorlogse jaren sponsorde UNESCO ook een 'Tensions'-project waaruit in 1950 het boek Tensions That Cause Wars resulteerde. Hierin heet het dat het de spanningen (bijv. socio-economische discrepanties) zijn die groeps- en internationale conflicten genereren, die op hun beurt aanleiding geven tot collectieve gevoelens van wederzijdse haat en agressiviteit, waaruit tenslotte oorlogen ontstaan. Fundamentele kritiek op deze laatste benaderingen betreft de volgende punten:
  • Individuele tegenstellingen bieden nog geen inzicht in groeps- of internationale tegenstellingen en de optelsom van de individuele agressies is nog niet gelijk aan oorlog. Oorlog is niet slechts agressie op grote schaal.
  • Het merendeel van de individuen van verschillende natie-staten staat niet tot elkaar in een gespannen verhouding; ze kennen elkaar niet eens.
  • Er bestaan reële conflicten en dreigingen tussen staten, niet alleen maar mispercepties en spanningen door onterechte angst.
  • Oorlog, als gewapend conflict tussen sociale systemen, is ook een zaak van koele berekening en politieke strategie. De gevoelens van individuen hebben daar vrijwel niets mee te maken.

De 'instinctivistische' variant van de psychologische school stelt dat er als primaire oorlogsveroorzakende factor een spontaan, biologisch gefundeerd instinct in de mens is dat zich periodiek ontlaadt in collectief vechtgedrag: oorlog. Het meest bekend zijn de formuleringen: 'instinct of pugnacity' ('pugnacity of nations') en de equivalenten 'combativeness' en 'bellicosity', 'l'instinct guerrier' en Freuds' Todestrieb'. (Op Freud zal nog nader worden ingegaan.) Opmerkelijk is dat hier niet zozeer 'agressie', maar veeleer 'oorlogszucht' als instinctief wordt gedacht. Een algemeen bezwaar tegen deze 'reductio ad instinctum' is dat deze vrijwel onmogelijk het brede, kaleidoscopische scala van oorlogsverschijnselen kan verklaren, noch de variabiliteit in tijd en ruimte.

Een volgende categorie van formuleringen vormen de variaties op het thema 'menselijke natuur' die verantwoordelijk wordt gesteld voor de onvermijdelijkheid van oorlog. Dergelijke formuleringen sluiten nauw aan bij de instinctivistische variant, maar kunnen er van worden onderscheiden door de vage, ongespecificeerde, bijna metafysische conceptie van die natuur: bijv. de mens als 'omlaag gevallen engel' of 'uit het loodgeslagen zoogdier' of zelfs als een 'van zijn natuur vervreemde'. Nog gebruikelijker zijn formuleringen als "Zoolang er menschen zullen zijn met menschelijke natuur, met menschelijke belangen, met menschelijke hartstochten, zullen er oorlogen zijn tusschen de staten" (Blok, 1919). Hierbij aansluitend vinden we verder vele formuleringen van oorlogszucht als afgeleide van al dan niet als instinctueel opgevatte, universele basismotieven, hartstochten als hebzucht, machtswellust, angst, glorie, etnocentrische superioriteitswaan, enzovoort.

De agressie-varianten van de psychologische school gaan uit van een (meestal reactief) agressiemodel als primaire oorlogsveroorzakende factor. Bijvoorbeeld: "War is due to the expression in and through group life of the transformed agressiveness of individuals" (Durbin & Bowlby, 1938). Ongetwijfeld het bekendst is de frustratie-agressie (F-A) formule van de Yale- groep (Dollard et al., 1939), met wortels in zowel de behavioristische als de psychoanalytische traditie.

De frustratie-agressie variant
De Yale-groep veronderstelde dat "agression is always a consequence of frustration". Frustratie werd gedefinieerd als "an interference with the occurrence of an instigated goal response at its proper time in the behavior sequence". Een barrière tussen een strevend individu en zijn gewenste doel resulteert in de mobilisatie van een extra hoeveelheid energie. Een dergelijke energiemobilisatie "if continued and unsuccessful, tends to flow over into generalized destructive behavior" (Stagner, 1965). Verschillende auteurs hebben gewezen op het verschil tussen deprivaties en frustraties die relatief onbelangrijk zijn voor het organisme, en die welke een bedreiging vormen voor de persoonlijke integriteit of de eigenwaarde en de frustratie van vitale behoeften; alleen deze laatste condities zouden tot agressie leiden. Inderdaad zijn, ironisch genoeg, de meeste operationalisaties van frustraties in de experimenten die ter ondersteuning van de F-A hypothese worden aangevoerd, volstrekt niet te rijmen met de oorspronkelijke definitie van frustratie; zoals bijvoorbeeld beledigingen, die veeleer als bedreiging van de eigenwaarde zijn op te vatten dan als frustraties. In 1941 bleek het reeds noodzakelijk de oorspronkelijke (monocausale) F-A theorie ingrijpend te wijzigen. Zo werd de eerste hypothese vervangen door het gematigder "frustratie kan leiden tot verscheidene typen van gedrag, waarvan agressie er één is". Ook na deze correctie bleef de fundamentele stelling van de Yale-groep echter dat agressie van reactieve aard is en niet de spontane uiting van een autonome agressiedrift. Dollard en zijn medewerkers noemen in hun boek oorlog nergens met zoveel woorden, maar omdat zij veronderstelden dat alle agressie en (collectief) geweld het gevolg is van frustratie, kan ook oorlog als zodanig worden beschouwd. Vele anderen hebben inderdaad deze conclusie getrokken, zoals bijv. Gardner Murphy (1945): "Any nation, or any society, where there are major frustrations may easily be led into war. It is nog that there are warlike peoples so much as that when persons are frustrated long enough, they take recourse to war".
Simpel en elegant als de F-A theorie oorspronkelijk leek, bleek zij later toch te simplistisch en pretentieus en niet alleen als bijdrage tot de verklaring van het oorlogsprobleem. Niettemin heeft de F-A toverformule decennia lang als programmatisch en paradigmatisch 'Leitmotiv' gediend.

Het frustratie-agressie-displacement syndroom
Elke samenleving legt op een of andere manier het spontane, impulsieve gedrag van het individu, in het bijzonder seksualiteit en agressie-huishouding, aan banden via opvoeding, scholing, moraal, religie en wetgeving. Deze onderdrukking leidt onvermijdelijk tot frustratie en, derhalve, tot (gewelddadige) agressie of haat- en rancunegevoelens. Een deel van deze agressie kan 'ondergronds gaan' en zich nauwelijks meer als zodanig herkenbaar manifesteren. Verscheidene auteurs veronderstellen een complementaire relatie tussen latente en manifeste agressie binnen een samenleving. Een ander verondersteld gevolg van de socialisatie en repressie is dat een gedeelte van de agressie 'verplaatst' kan worden, gericht op zondebokken binnen de samenleving ('scapegoating'-mechanisme) of op externe groepen die tot vijanden worden gebombardeerd ('ingroup-outgroup'-mechanisme). Deze verklaring van groepsantagonisme wordt aangeduid als het frustratie-agressie-displacement syndroom. Op grond van antropologisch materiaal kwamen verschillende auteurs tot de hypothese dat oorlog de functie zou hebben de 'ingroup'-agressie naar buiten te richten, zo de interne animositeit te verminderen en de sociale integriteit van de 'ingroup' te consolideren. Zij suggereerden dat de voornaamste voorwaarde voor interne vrede de vijandigheid ten opzichte van een 'outgroup' zou zijn. Verder kan de 'outgroup' het doelwit zijn van de projecties van de 'ingroup' (niet wij zijn vijandig, maar zij). Omdat dit meestal een wederkerig proces is leidt het tot vijandsbeelden die als spiegelbeelden op elkaar lijken (het zgn. 'mirror-image' fenomeen). Elke groep beschouwt, volgens een basisveronderstelling van de etnocentrisme-theorie, de andere groepen als (potentieel) agressief, onbetrouwbaar, boosaardig en wreed; als onmenselijker dan zijzelf, en daarom geen enkel mededogen verdienend. De ontmenselijking (dehumanisatie) van de vijand kan zelfs zo ver gaan dat deze de status van ongedierte verkrijgt.
Bovenstaande mechanismen manifesteren zich op ideologisch niveau als een 'manicheïsch dualisme', dat wil zeggen de neiging tot een absolute zwart- wit beoordeling: als de tegenstander door en door slecht en verdorven is, de incorporatie van het Kwaad, dan moeten wij die hem bestrijden wel de Goede Zaak dienen, 'with God on our side'. Het impliceert ook een dubbele moraal: geweld binnen de groep is desintegratief en ongewenst; geweld tegen de 'outgroup' is deugdzaam en eervol. Dit 'ingroup-outgroup'-mechanisme kan ook door leidersfiguren min of meer bewust worden gemanipuleerd om interne conflicten als het ware te exporteren. "De leider substitueert", schrijft Groen (1974), "alle onderlinge agressies in de subgroepen van zijn bevolking tot één, tegen deels vreemd gebrandmerkte groep gerichte agressie."
Een probleem betreft de spreiding en de mate van groepsfrustratie wanneer er al zoiets als groepsfrustratie bestaat. Kan een dergelijke gefrustreerde groep als een homogeen geheel worden opgevat, of kunnen hier deelgroepen worden onderscheiden naar de mate van frustratie en agressiviteit? Slechts de frontsoldaten hebben, tijdens een oorlog, regelrecht gelegenheid hun eventuele agressie uit te leven. "Toch vormen zij verhoudingsgewijze slechts een nietige minderheid van het totaal der bevolking. Maar ook voor de verklaring van het gedrag van dit relatief geringe aantal militairen dat in front- of gevechtssituaties kan komen te verkeren, schiet de agressietheorie tekort" (Valkenburgh, 1964). Maar zelfs wanneer men zou kunnen concluderen dat een voorkeur voor militarisme en voor gewelddadige conflictoplossingen gecorreleerd zou zijn met andere persoonlijkheidsfactoren van leiders en beleidsfunctionarissen, dan nog dienen zowel de selectiemechanismen die deze figuren aan de macht brengen, als de volgzaamheid van degenen die zich voor dergelijke doeleinden laten misbruiken, te worden geëxpliciteerd. In elk geval is de opvatting dat oorlog een uitbarsting van agressiviteit onder de gewone bevolking zou zijn, te simplistisch. Het is niet nodig de mening van onder meer Mennicke (1947) te onderschrijven dat de grote massa's van de bevolking bij het uitbreken van een oorlog overwegend passief, onverschillig, of zelfs wanhopig van onmacht zouden zijn - deze opvatting is wellicht te gechargeerd - om toch te mogen concluderen dat collectieve agressiviteit voor de verklaring van oorlog een ondergeschikte, zoniet minieme, rol speelt. Ik ben ook niet bepaald gecharmeerd van de visie dat de 'massa' onbeperkt manipuleerbaar zou zijn en zich te allen tijde als een soortHaagse bluf tot een oorlogsroes zou laten opkloppen door hysterische oorlogspropaganda.

Freud: agressie en oorlog
In Freuds denken over agressie zijn globaal drie fasen aan te geven: Oorspronkelijk beschouwde hij agressie als reactie op frustratie van de libidineuse behoeften. Vervolgens postuleerde hij agressie als een autonoom instinct en tenslotte als manifestatie van de 'Todestrieb'. In zijn vroege geschriften legt hij de nadruk op het reactieve en adaptieve karakter van agressie, in dienst van het 'Ich'. In zijn Triebe und Triebschicksale (1915) schrijft hij dat het 'Ich' haat, verafschuwt en doelbewust de vernietiging nastreeft van alle objecten die een bron van onlustgevoelens zijn. In Zeitgemäßes über Krieg und Tod (1915) presenteert Freud het idee dat de staat het geweldspotentieel van zijn burgers monopoliseert: "Der Einzelne Volksangehörige kann in diesem Kriege mit Schrecken feststellen, was sich ihm gelegentlich schon in Friedenszeiten aufdrängen wollte, daß der Staat dem Einzelnen den Gebrauch des Unrechts untersagt hat, nicht weil er es abschaffen, sondern weil er es monopolisieren will wie Salz und Tabak. Der kriegführende Staat gibt sich jedes Unrecht, jede Gewalttätigkeit frei, die den Einzelnen entehren würde." Ook waagt Freud zich aan evolutionaire speculatie. Hij schetst de 'Mensch der Frühzeit' als "gewiß ein sehr leidenschaftliches Wesen, grausamer und bösartiger als andere Tiere. Er mordete gern und wie selbstverstandlich. Den Instinkt, der andere Tiere davon abhalten soll, Wesen der gleichen Art zu töten und zu verzehren, brauchen wir ihm nichtzuzuschreiben." Hier wordt reeds de later door ethologen als Lorenz uitgewerkte these geïntroduceerd van de bij de mens ontbrekende 'Tötungshemmungen'. Freuds pessimistische, soms zelfs misantrope, cultuurfilosofie wordt in laatste instantie sterk beïnvloed door zijn ideeën over de agressiedrift. Das Unbehagen in der Kultur (1930) komt, in het kort, neer op het volgende. De evolutie van de cultuur wordt gekenmerkt door de progressieve onderschikking van het individu aan de macht van de samenleving. De driftonderdrukking geldt niet alleen de erotische driften, maar ook de agressie. Want mensen zijn geen zachtaardige, vriendelijke, naar liefde strevende schepselen die alleen maar zichzelf verdedigen als ze worden aangevallen; een actief verlangen naar, en plezier in, agressie moet als integraal bestanddeel van het menselijke instinctuele 'erfgoed' worden beschouwd. De agressie-neiging is een aangeboren, autonome, instinctieve gedragsdispositie in de mens. "Die Existenz dieser Aggressionsneigung, die wir bei uns selbst verspüren können, beim anderen mit Recht voraussetzen, ist das Moment das unser VerhäItnis zum Nachsten stört und die Kultur zu ihrem Aufwand nötigt. Infolge dieser primären Feindseligkeit der Menschen gegeneinander ist die Kulturgesellschaft beständig vom Zerfall bedroht."
De cultuur ziet zich gesteld voor de schier onmogelijke taak de individuele drift- huishoudens in te perken door middel van dwang, gehuichel en gefleem. Het drifthuishouden kan tenslotte zo belemmerd, geremd en onderdrukt worden dat er niets anders overblijft dan door de vliesdunne huid van de civilisatie te breken en zich eruptief een uitweg te banen. Oorlog of burgeroorlog, met alle sadistische wreedheden vandien, doemen dan op aan de horizon.
In de laatste fase ontwikkelde Freud zijn doodsdrift-theorie (Thanatos, Destrudo, Mortido). De persoon wordt, evenals de natuur en het leven, opgevat als strijdperk van Eros en Thanatos. Alle menselijke gedrag is de resultante van verschillende versmeltingen van deze beide oerdriften. Freud stelde dat de doodsdrift - analoog aan zijn homeostatisch model van een drift - streeft naar de terugkeer in een spanningsloze, conflictvrije, anorganische toestand, zoals die voor de bevruchting bestond ('Nirwana'-principe). Hoe sterker nu de doodsdrift bij iemand werkzaam is, des te meer bestaat de noodzaak om de agressie van zichzelf af te wenden en te richten op andere personen of objecten: "Der Todestrieb wird zum Destruktionstrieb, indem er mit Hilfe besonderer Organe nach außen, gegen die Objekte, gewendet wird. Das Lebewesen bewahrt sozusagen sein eigenes Leben dadurch, daß es fremdes zerstört" (Warum Krieg, 1933). Alle agressie die zich niet op vreemde objecten kan richten en uitleven, zal zich weer tegen het eigen Ik keren en (onbewuste) schuldgevoelens teweegbrengen, of zich uiten in de vorm van psychopathologische symptomen.

De psychoanalytische stromingen
Freud heeft nooit een consistente theorie van het ontstaan van oorlogen ontwikkeld, al heeft hij wel fragmentarisch de elementen voor een dergelijke theorie bijeengebracht. De 'Todestrieb'-hypothese heeft binnen de psychoanalyse slechts een gering aantal aanhangers gevonden. Interessant zijn de pogingen van onder meer Deutsch en Senghaas (1971) om de doodsdrift te herinterpreteren in termen van systeemoverbelasting. Vele psychoanalytici hebben zowel de doodsdrift- als de instinct-conceptie van agressie afgewezen en een van de subvarianten van de frustratie-agressie theorie omarmd. Een min of meer 'orthodoxe' psychoanalytische subvariant plaatst de voornaamste frustratiebronnen in de primaire socialisatie, dus voornamelijk binnen het gezin. In de westerse cultuur wordt de door libidineuse driftonderdrukking van het kind ontstane agressie tegen de ouderfiguren niet getolereerd en derhalve verdrongen. De verdrongen agressie wordt dan geleidelijk van het oorspronkelijke object afgewend en verplaatst naar doelobjecten die wel in aanmerking komen. Dit verplaatsingsproces naar haat-substituten kan, vooral in het Oedipale stadium, actieve vormen aannemen, in die zin dat er actief naar in aanmerking komende vijanden gezocht wordt. De overigens serviele burger wordt een fanatiek aanhanger van een meedogenloze oorlogspolitiek.
Er bestaat ook een omgekeerde versie van de Oedipus-complex theorie, waarbij niet zozeer de haat van de zoon tegen de vader een rol speelt, alswel de bedreiging voor de vader van de zoon. Bouthoul (1951) noemde dit het 'Abraham-complex'. Maar wellicht bekender is deze gedachtengang als de 'filicide-theorie' of de 'theorie van de uitgestelde kindermoord'. Deze begrippen verwijzen naar het aloude idee dat "wars are made by the old for the young to die in" (Brodie, 1973). Een meer liberale of 'heterodoxe' subvariant onderscheidt zich van de voorafgaande doordat de frustraties veel meer in de macro-sfeer worden gezocht: economische onzekerheid, werkloosheid, maatschappelijke crisis, status-ontevredenheid enzovoort. In deze vrijzinnige richting voltrekt zich de geleidelijke overgang van een eenzijdig psychologische naar een veelzijdige sociologische benadering (Van Heek, 1969). Ook de prominente rol van ideologieën wordt erkend. In hun studie Personal Aggressiveness and War identificeerden Durbin & Bowlby (1938) enkele 'simple causes of fighting' die zowel bij apen als mensenkinderen voorkomen. Bij volwassenen worden deze simpele oorzaken getransformeerd door het feit dat bij hen agressie vrijwel altijd een groepsactiviteit is en doordat de agressie met een laag ratiomorfe nonsens wordt overdekt: "Men will die like flies for theories and exterminate each other with every instrument of destruction for abstractions."

Recente theoretische formuleringen
Meer recente theorieën (sociobiologische theorieën moeten hier helaas buiten beschouwing blijven), waarbij, impliciet of expliciet, een relatie tussen agressie en oorlog wordt verondersteld, hebben enkele kenmerken gemeenschappelijk:
a) de psychoanalytische oriëntatie, waarbij sommige theoretici duidelijk in orthodoxie gevangen blijven, terwijl andere in de richting van een meer 'sophisticated' Ego-psychologie evolueren.
b) De relatie tussen individuele agressie en oorlog wordt gelegd via de mechanismen van groepsagressie. Dit kan een probleem opleveren dat aan collectieven motieven worden toegeschreven die zij niet (kunnen) bezitten: "... die Gruppe hat keine unabhängige Motivationsquelle" (Schuh & Mees, 1972).
c) Het begrip 'agressiepotentieel' of 'agressiesurplus' neemt een centrale plaats in. Het levert de basis voor de theoretische verbinding tussen individuele en collectieve agressie. Dit verband wordt gelegd via de staat en andere instituties die het agressie-overschot van de individuen als het ware samenbundelen, monopoliseren en legitimeren (Hacker), om de gebonden agressie dan massaal tegen een buitenlandse vijand of een binnenlandse zondebok - of tegen allebei - te richten (Meerloo). Autoritaire persoonlijkheden lijken hiertoe in het bijzonder voorbestemd (Senghaas), omdat hun communicatieve vermogen in belangrijke mate is verminderd (Horn). Paranoia, gefixeerde vijandsbeelden, dreigfantasieën, autistische vijandschap en het maatschappelijk systeem van georganiseerde vredeloosheid versterken elkaar dan wederzijds (Senghaas) in een opwaartse spiraalbeweging die tenslotte in oorlog culmineert.

Diametraal hiertegenover staan theorieën die stellen dat oorlog en andere vormen van collectief geweld niets met agressie te maken hebben, maar integendeel juist voortkomen uit de 'positieve' eigenschappen van de mens: zijn solidariteit, zijn gehoorzaamheid, zijn onzelfzuchtige trouw aan de groep, de stam, het vaderland, de religie, de ideologie. Het egoïsme van de groep wordt als het ware gevoed door het altruïsme van haar leden. Deze visie is onder meer welsprekend verwoord door Koestler (1968).

Na dit summiere theoretische overzicht zullen nu de relevante empirische studies worden besproken en wel, specifieker, de studies van gevechtsmotivatie bij frontsoldaten.

Agressie en gevechtsmotivatie
Tijdens de helse loopgravenoorlog van 1914-1918 schreef Ernst Junger een brief van het front waarin hij gewag maakte van de moordlust, de furieuze woede en de roes van het offensief: 'De overweldigende hartstocht om te doden.' Dergelijk geëxalteerd en bloeddorstig proza getuigt van een militante vechtersmentaliteit waarvan lang is aangenomen dat deze de kwaliteitsgarantie vormde van de goede soldaat in een gevechtssituatie. Het is inderdaad zeer wel mogelijk dat individuele soldaten in een bloedwaas van moordzucht en vernietigingsdrang op het slagveld hebben rondgedaasd, maar regel lijkt dit niet te zijn. Ook al zal moeten worden geconcludeerd dat agressie bij de huidige soldaat in een modern dienstplichtigenleger een zeer geringe rol speelt (hevige passies zullen eerder een obstakel vormen voor het normaal functioneren van een soldaat, al kan niet worden uitgesloten dat sporadisch haatgevoelens en wraakzucht de gevechtssituatie kunnen begeleiden), dan betekent dat nog niet dat agressie nooit een rol gespeeld zou kunnen hebben, bijvoorbeeld in de tribale ('primitieve') samenlevingen waar de met de rol van 'soldaat' contrasterende figuur van de krijger kan worden aangetroffen. Voor de overwegend individueel, voor eigen eer en status en zonder veel strategische en tactische concepties opererende krijger, kan het, binnen een patroon van oorlogvoering met geheel andere 'spelregels' dan het huidige zeer lonend zijn geweest (in termen van overlevingskansen) zichzelf in een hoge mate van psychische en fysiologische vechtbereidheid te werken. Van de moderne soldaat daarentegen wordt in de eerste plaats koelbloedigheid vereist. De belangrijkste categorie van empirisch bewijsmateriaal tegen de agressie-oorlogthese vormen de studies van gevechtsmotivatie bij frontsoldaten, waarop nu nader zal worden ingegaan.
Ashworth (1968) bestudeerde memoires, dagboeken en brieven van soldaten uit de Eerste Wereldoorlog en concludeerde dat "inability to hate the enemy was not an isolated or idiosyncratic phenomenon". Haat jegens de vijand, die voor en tijdens de gevechtstraining werd ingeprent, verdween grotendeels aan het front, omdat de gemiddelde soldaat na de eerste gevechtservaringen de 'vijand' eerder beschouwde als 'fellow sufferer' dan als de incorporatie van de baarlijke duivel. In zijn beroemde studie Men against Fire bestudeerde Marshall (1947) het gevechtsgedrag van Amerikaanse infanteristen in de Tweede Wereldoorlog. Zijn conclusie was verrassend: "... we found that on average not more than 15 per cent of the men had actually fired at the enemy positions or personnel... The best showing that could be made by the most spirited and aggressive companies was that one man in four had made at least some use of his fire power." Bovendien bleek dit vrij geringe percentage 'triggerhappy' soldaten uit vrijwel steeds dezelfde figuren te bestaan. Meer dan driekwart van de manschappen gebruikte hun vuurwapens niet in een gevechtssituatie, terwijl er volop gelegenheid toe was. Marshall beschrijft hoe zelfs in een uiterst gevaarlijke situatie blijkbaar nog geweigerd werd terug te schieten: "There were some men in the positions directly under attack who did not fire at all or attempt to use a weapon even when the position was overrun." Blijkbaar, zoals Tromp (1971) constateerde, moeten zeer sterke remmingen en barrières overwonnen worden voordat geweld, ook het formeel gelegitimeerde geweld, wordt gebruikt.
De meest uitgebreide en bedachtzame studie op het gebied van gevechtsmotivatie gedurende de Tweede Wereldoorlog is The American Soldier (Stouffer et al., 1949-1950). Uit deze studie bleek dat slechts 2% van de infanteristen achteraf zei te zijn gemotiveerd door woede, wraakzucht of vechtlust. De auteurs beseften de beperkingen van hun conclusies zeer goed en presenteerden die niet als universeel geldig. Enkele andere belangrijke conclusies uit dit onderzoek:
"... combat did not increase the hatred of the enemy people which the men felt initially";
"... vindictiveness was related to witnessing enemy atrocities.. (but)..there is no indication that experiencing heavy casualties was associated with consistently vindictive attitudes."
Ook hier, zoals in de Eerste Wereldoorlog, doorstond persoonlijke abstracte haat jegens de vijand de concrete confrontatie met de vijand meestal niet. Een element van racisme kan meegespeeld hebben tegenover de Japanners, die meer werden 'gehaat' dan de Duitsers. Natuurlijk waren er de gekwelde woedeuitbarstingen wanneer de soldaten werden geconfronteerd met de gewelddadige dood van hun 'buddies', maar deze waren van kortstondige en voorbijgaande aard: "After the first battle, the fellows were real mad, seeing all their buddies killed. But the reaction of being mad wore off after a time."
Een laatste belangrijke opmerking betreft de gerichtheid van de haat- en rancunegevoelens: "While the desire to go home could become a source of hatred for the enemy... it could also be turned against our own side and its leaders." Deze constatering kreeg een wrange, profetische betekenis in Vietnam, waar de 'fragging' (het doden) van eigen officieren als tijdverdrijf werd geperfectioneerd. Aan geallieerde zijde zijn de ervaringen met haat- en wraakgevoelens tijdens de Tweede Wereldoorlog dermate ongunstig geweest dat een officieel rapport (Lecture Outline for Officers on Personnel Adjustment Problems, War Dept., Techn. Bull. Medical, february 1944) het volgende standpunt innam: "De indoctrlnatie van haat is niet wenselijk. Weerzin tegen de vijand is belangrijk, maar liefde voor huis en haard, leider en wapenbroeder is een veel machtiger prikkel tot vechten. De bekwame, kalme bokser wint het gevecht, niet de man die door het dolle heen is. Haat is in wezen zelfvernietigend doordat hij het op zakelijke wijze gebruiken van de beschikbare wapens en kundigheden verhindert." Van Meurs (1955) bestudeerde de gevechtsmotivatie van de 'westerse' troepen gedurende de Koreaanse oorlog. Zijn studie bevestigt de hier boven besproken conclusies: agressie speelt in het totale gamma van motieven slechts een ondergeschikte rol.
Van Meurs onderscheidt in zijn analyse van de gevechtsmotivatie infantiele versus geïntegreerde agressie. Deze laatste vorm zou, volgens hem, de meest noodzakelijke drijfveer zijn van de westerse soldaat: "... zij uit zich in de wil tot volhouden, het zich niet gewonnen geven, het zich - ook na een ernstige nederlaag of grote tegenslag - spoedig herstellen... Wij mogen wel tot de conclusie komen dat de mannelijke geldingsdrang en 'fighting spirit' in belangrijke mate bijdragen tot de wil tot vechten. "Maar in het totale motievencomplex is dit slechts één factor en niet eens een dominante. Van Meurs: "Hoe onwaarschijnlijk dit ook moge klinken, de westerse soldaat van tegenwoordig vecht niet in de eerste plaats uit haat- of vijandigheidsgevoelens, of uit angst, maar in de eerste plaats uit gevoelens van fatsoen en plicht... Ook vecht de soldaat voor iets: voor het behoud van zijn leven en - zo nodig met opoffering van zijn leven ter verdediging van de zijnen, van het vaderland en van zijn idealen. De soldaten van sommige nationaliteiten vechten bewust voor een specifiek nationale zaak: 'the American way of life'..." Moskos (1969) vond in zijn onderzoek van gevechtsmotivatie bij Amerikaanse infanteristen in Vietnam een soortgelijke factor die hij de 'latent ideology' noemde. In deze studie wordt agressie overigens niet eens genoemd. De algemene stemming was bovendien heel wat minder positief dan Van Meurs hierboven suggereert. De soldaat in Vietnam voelde zich voornamelijk 'verneukt' door zijn regering. Toch waren deze 'clean American kids' verantwoordelijk voor bloedbaden zoals My Lai en de meest afgrijselijke wreedheden tegen de burgerbevolking. Hoe moet dit worden verklaard?

Geweldsexcessen
Bloedbaden, massale verkrachtingen, terreurdaden en wreedheden zijn door de eeuwen heen integraal bestanddeel geweest van de oorlog. Timoer Lenk liet torens bouwen van afgehouwen hoofden; de christelijke kruisvaarders moordden Jerusalem uit, tot kniehoogte wadend in het bloed (de historische voorbeelden zijn ad libitum aan te vullen); de twintigste-eeuwse technologie verschaft de middelen voor meer ambitieuze genocide-programma's. Deze verschijnselen zijn dus bepaald niet nieuw. Nieuw is de halfslachtige verontwaardiging, de - althans verbaal beleden verontrusting (de illusie van humaniteit wreed verstoord?). 'Halfslachtig', omdat de verontwaardiging zo uitermate selectief is. Van Doorn en Hendrix (1970) constateerden cynisch: "Indien de bevolking van het Vietnameese dorp Song My niet door een infanterie-eenheid was geëxecuteerd maar door de luchtmacht was gedecimeerd, zou het geval nooit de publieke opinie hebben bereikt." De fysieke nabijheid van daders en slachtoffers geeft blijkbaar het dramatisch cachet aan de moordpartij. Van vrij recente datum is ook de belangstelling van gedragswetenschappelijke zijde. Het zal derhalve nauwelijks verwondering wekken dat de literatuur hierover gering van omvang en mager van kwaliteit is. Het eerste dat opvalt bij deze verklaringspogingen is dat het gedrag beschouwd wordt als uitzonderlijk, als een afwijking van een normaal patroon, een 'ontsporing van geweld'. Het tweede opvallende is dat het lustkarakter (de 'kick', de 'thrill', de onverholen moordlust) nauwelijks serieus in de beschouwingen wordt betrokken. De massamoorden, zoals in Vietnam bedreven door 'normale', nauwelijks de schoolbanken ontgroeide 'kids', leveren een beeld van een als lust beleefde bloeddorst en vernietigingsdrang; een eruptief orgasme van moordlust. Zoals een soldaat getuigde: "It was fun, it was fun to shoot people. That was the thing with the 173rd: they loved to kill" (Kunen, 1971). Soortgelijke getuigenissen zijn overvloedig in de Vietnam-bekentenisliteratuur aan te treffen. 'Ontsporing van geweld' (Van Doorn en Hendrix) lijkt hiervoor een wel zeer milde benaming. Ook termen als 'verlaging van de schietdrempel' (Hueting) klinken wat al te antiseptisch. Tenminste vier factoren lijken - althans in de Vietnam-oorlog - een prominente rol te hebben gespeeld: de racistisch gekleurde dehumanisatie van de Vietnamese tegenstander ('gooks'), de permanente angst voor de alomtegenwoordige vijand; de psychische verdoving en de 'diffuse sanctionering' van de massamoorden. Dit laatste betekent: officiële bevelen ertoe werden niet gegeven, maar iedereen wist 'stilzwijgend' dat het gebeurde, dat het routine was, dat het werd verwacht en dat men kon rekenen op de staf om deze zaken effectief te verdonkeremanen. Racisme, of raciale superioriteitswaan, als bijdragende factor in de gevechtsmotivatie is reeds terloops ter sprake gekomen bij het onderzoek van Stouffer en zijn medewerkers. In de Vietnam-oorlog was het racistische element zeer opvallend: "Overriding all other issues is a strong racist flavor that pervades the attitude of the military toward all Vietnamese and which enjoys tacit endorsement by many senior officers" (Bourne, 1971). De racistische factor kan mijns inziens worden beschouwd als een prominent aspect van het algehele proces van dehumanisatie. Deze factor heeft ongetwijfeld ook een rol gespeeld in de geweldsexcessen van Nederlandse troepen in het voormalige Nederlands-Indië, bestudeerd door Van Doorn en Hendrix (1970). De auteurs rekenen 'en passant' af met de 'bevel is bevel'-verklaring van geweldsexcessen; deze these bevat, volgens hen, een zelfrechtvaardiging door de schuldvraag in omgekeerde richting af te schuiven. Meer verklarende waarde wordt door Van Doorn en Hendrix toegeschreven aan wat hierboven 'diffuse sanctionering' is genoemd: "Wel lijkt ons de veronderstelling gerechtvaardigd dat veel hard geweld voortkwam uit een al dan niet nadrukkelijk mandateren van bepaalde eenheden, soms zo vaag dat veeleer van een oogluikend tolereren sprake is." Legitimering, morele sanctionering (hoe diffuus ook), de opschorting van de verantwoordelijkheid van het individu, psychische distantiëring en het proces van dehumanisatie (de ontmenselijking van de vijand; het beschouwen van de tegenstander als 'Untermensch', ongedierte, of zelfs het toeschrijven van diabolische eigenschappen aan de vijand, leidend tot een chronische staat van paranoia), lijken voor de verklaring van geweldsexcessen van eminent belang (Sanford en Comstock, 1971; Kelman, 1973). Voor de verklaring van oorlogsmisdaden op een zo gigantische schaal als de Nazi-'Vernichtungslager' - de bureaucratische, fabrieksmatige Endlösungsmachinerie waarin mensen door 'rationele', kille calculaties worden geabstraheerd tot te verwerken produkt - dient nog een volgende factor te worden geïdentificeerd: namelijk processen van bureaucratisering en routine-vorming binnen een hiërarchisch bevelsapparaat, waarin de worst van de individuele verantwoordelijkheid in zo flinterdunne plakjes wordt verdeeld dat niemand die meer voelt; die de individuen distantieert van de gruwelijke realiteit, die hen ontlast van ethische problemen en morele beslissingen en waarin de betrokkenheid van het individu is gereduceerd tot een simpele, op zichzelf onbenullige handeling. Op individueel niveau behoeven de motivaties niet kwaadaardiger te zijn dan 'institutionele' gehoorzaamheid aan superieuren in de hiërarchie of angst voor de gevolgen van ongehoorzaamheid, conformering aan de normen, conventies, ongeschreven regels van de 'ingroup', angst voor uitstoting, voor baan-, status- of prestigeverlies. Men behoeft er met andere woorden niet van uit te gaan dat alleen sadistische psychopaten zich aan dergelijke praktijken schuldig zouden maken. De 'banaliteit van het kwaad' (Hannah Arendt over Eichmann) ligt niet op een psychopathologisch vlak. Thuis kan de kampbeul best ontroerend lief zijn voor zijn hond.

Conclusie
Als algemene conclusie kan ik met instemming van Van Doorn en Hendrix (1970) citeren. Oorlog, stellen zij, is "een conflict dat bestaat in de gewelddadige botsing tussen georganiseerde complexen van mensen en middelen, die elkaars onderwerping of vernietiging nastreven. Vormen van agressief gedrag kunnen daarbij voorkomen, maar zij verklaren het oorlogsverschijnsel niet, zij begeleiden het. Wijzen op het bestaan van persoonlijke agressiviteit is wijzen op een potentie, niet op haar actualisering, nog minder op de institutionele condities waaronder die actualisering plaats vindt." Haatgevoelens jegens 'de vijand' komen sporadisch voor, maar zowel voor de verklaring van het ontstaan van oorlogen als voor die van gevechtsgedrag is 'agressie', als motivationele categorie, ontoereikend. De meeste soldaten zullen waarschijnlijk meer lijden aan excessieve angst dan aan ongebreidelde vernietigingsdrang. Hetzelfde geldt a fortiori voor de burgerbevolking van de oorlogvoerende staten.

Dit hoofdstuk is gebaseerd op het manuscript Polemos, een inventarisatie van theorieën over oorlogsoorzaken en -motieven.

Literatuur

Arendt, H., Eichmann in Jerusalem: a report on the banality of evil. Viking Press, New York, 1963.
Ashworth, H., The sociology of trench warfare 1914-1918. Brit. J. Sociol. 19, 4, 1968, p. 407-423.
Blok, P., Vrede op Aarde. Tijdschrift voor Geschiedenis, 34, 1919.
Bourne, P., From boot camp to My Lai, in: R. Falk: G. Kolko en R. Lifton (Eds.) Crimes of War. Random House, New York, 1971.
Bouthoul, F., Les Guerres, Eléments de Polémologie. Payot, Paris, 1951.
Brodie, B., War and Politics. Cassell, London, 1973.
Deutsch K. en D. Senghaas, Die bruchige Vernunft von Staaten, in: D. Senghaas (Hrsg.) Kritische Friedensforschung. Suhrkamp, 1971.
Dollard J. et al., Frustration and Aggression. Yale Univ. Press, New Haven, 1939.
Van Doorn J. & W. Hendrix, Ontsporing van Geweld. Univ. Pers. Rotterdam, 1970.
Durbin E. en J. BowIby, Personal Aggressiveness and War, in: E. Durbin en G. Catlin (Eds.) War and Democracy. Essays on the causes and prevention of war. Kegan Paul, London, 1938.
Groen J., Een psycho-biologische bijdrage tot de kennis van groepsagressie en oorlogsgedrag. Afscheidsrede 1974 Intermediair 45, 1974, p. 1-9.
Hacker F., Aggression, die Brutalisierung der modernen Welt. Verlag Fritz Molden, Wien, 1971.
Van Heek, F., Kort overzicht van de ontwikkeling van de sociologie van de oorlog, in: Eindpaper Projektgroep Oorlog en Vrede, Sociol. Inst., Leiden, 1969.
Horn K., Menschliche Aggressivität und internationale Politik, in: D. Senghaas (Hrsg.) Friedensforschung und Gesellschaftskritik. Carl Hanser Verlag, München, 1970.
Hueting J., Oorlogsmisdaad of exces. Transaktie 2, 5, 1973, p. 11-15.
Kelman H.. Violence without moral restraint: Reflections on the dehumanization of victims and victimizers. J. Social Issues 29, 4, 1973, p. 25-61.
Koestler A., The Ghost in the Machine. Pan, London, 1967.
Kunen J., Standard Operating Procedure. Aron, New York, 1971.
Lasswell H., Psychopathology and Politics. Univ. Chicago Press, 1930.
Marshall S., Men against Fire. Morrow, New York, 1947.
Meerloo J., Homo Militans - de psychologie van oorlog en vrede in de mens. Servire, Den Haag, 1964.
Mennicke C., De achtergrond van de Tweede Wereldoorlog. Amsterdam, 1947.
Van Meurs A., Over de gevechtsuitputting. Dissertatie. Rotterdam, 1955.
Mitscherlich A., Die Idee des Friedens und die menschliche Aggressivität. Suhrkamp Verlag, 1969.
Moskos Ch., Why Men Fight. Transaction 7, 1969, p. 13-23.
Murphy G., Human Nature and Enduring Peace. Houghton Mifflin, Boston, 1945.
Rickman J., Psychodynamic Notes, in: H. Cantril (Ed.) Tensions that Cause Wars. Univ. Illinois Press, Urbana, 1950.
Sanford N. & C. Comstock (Eds.), Sanctions for Evil: Sources of social destructiveness. Jossey-Bass, San Francisco, 1971.
Schuh H. & U. Mees, Aggression und gewaltsamer Konflikt. Beiträge zur Konfliktforschung, 2, 1972, p. 59-99.
Senghaas D., Aggressivität und kollektive Gewalt. Kohlhammer, Stuttgart, 1971.
Stagner R., The psychology of human conflict, in: E. McNeil (Ed.) The Nature of Human Conflict. Prentice-Hall, Englewood Cliffs, 1965.
Stouffer S., et al. The American Soldier: Combat and its aftermath. Princeton Univ. Press, 1949-1950.
Tromp H., Gevechtsmotivatie en gevechtsgedrag. Paper, Polemol. Inst., 1971.
Valkenburgh P. Mensen in de koude oorlog. Boom, Meppel, 1964.


Stuur Uw reacties naar j.m.g.van.der.dennen@rechten.rug.nl